Je leest:

Forensische psychologie

Forensische psychologie

Auteur: | 6 november 2007

Voor politie en justitie spelen inzichten uit de forensische psychologie vaak een kleine rol. Toch zijn die juist van doorslaggevend belang. Als het op een strafzaak aankomt zijn de beweegredenen van de daders, de herinneringen van de getuigen en verhalen van de slachtoffers waar het om draait. Rechters zouden dan ook meer rekening moeten houden met kennis uit de psychologie, om zo dwalingen en dubieuze veroordelingen te voorkomen.

Op het eerste gezicht lijkt het opsporen en voor de rechter brengen van een crimineel een zuiver justitiële aangelegenheid. Maar schijn bedriegt. Want waarom pleegt iemand een misdrijf? Is er iets mis met het geweten van de crimineel? Of word je geboren met een soort misdadigersgen? Allemaal vragen waar de forensische psychologie een antwoord op zoekt. Maar ook nadat een misdrijf is gepleegd speelt de psychologie een grote rol. Een slachtoffer eindigt vaak op het politiebureau om zijn verhaal te doen. Hoe betrouwbaar is zo’n ooggetuigenverslag?

Niet onfeilbaar

Een profiler gebruikt inzichten in het gedrag van criminelen om de politie te helpen met de opsporing. Maar de politie put ook uit eigen ervaring. Het gevaar van denken in stereotypen ligt dan altijd op de loer. Bovendien is het geheugen van getuigen en verdachten lang niet onfeilbaar. Onze herinneringen veranderen over tijd en sommige dingen slaan we niet eens op in ons geheugen. Verdachten kun je onder psychologische druk laten twijfelen aan hun eigen herinneringen. En getuigen zijn vaak onvolledig of halen wat ze zelf gezien en in de krant gelezen hebben door elkaar. Misschien dat in de toekomst hersenscans in de rechtzaal uitkomst bieden.

Inzichten uit de forensische psychologie zouden een grote rol moeten spelen tijdens de opsporing en vervolging van een verdachte.

Politie en justitie kunnen dus veel baat hebben bij inzichten uit de forensische psychologie. Daarom is het jammer ze tijdens de opsporing en in de rechtbank deze psychologische kennis nauwelijks toepassen. Meer inzicht in het gedrag en geheugen van verdachte, getuige en slachtoffer kan immers alleen maar leiden tot een eerlijker proces.

Het geweten van een misdadiger

Om goed te kunnen functioneren hebben mensen een geweten nodig. Hersenonderzoekers ontdekten dat het daarbij uitmaakt of iemand alleen weet dat iets fout is, of ook echt voelt dat iets fout is. Als je het namelijk echt voelt, dan wordt een hersengebiedje actief dat ook betrokken is bij het oplossen van morele vraagstukken en dat bovendien zorgt dat je empathie voor het slachtoffer voelt.

En dat gevoel van empathie is weer belangrijk als je erachter wilt komen of een crimineel spijt heeft van zijn gedrag of echt boosaardig is. ‘Mad or bad’, noemt promovendus Nol Herlé het. Het is belangrijk deze zaken niet door elkaar te halen. Maar hoe maak je dat onderscheid? Bijvoorbeeld door te meten of een misdadiger in staat is angst en medeleven te voelen, of juist onverschillig is. Door spijt en onverschilligheid niet langer met elkaar te verwarren kan recidive beter worden voorkomen en de samenleving beschermd worden.

Om te bepalen hoe groot de kans op herhaling is, moet je weten of een misdadiger het onderscheid tussen goed en kwaad wel kan maken.

Geboren of getogen als crimineel?

Aanvoerder van een groep onverschillige misdadigers moet wel de psychopathische crimineel zijn. In zijn brein gaat er van alles fout, bijvoorbeeld in de reactie op stress en het voelen van emoties. Het grootste deel van de psychopaten gedraagt zich als een soort roofdier. Ze manipuleren en gebruiken als dat nodig is geweld om hun doel te bereiken. Deze psychopaten hebben geen besef van goed of kwaad. En misschien nog verontrustender: kinderen kunnen al psychopathisch zijn. De oorzaak lijkt bovendien biologisch van aard. Dat is een aanwijzing dat dit gedrag in ieder geval deels is aangeboren.

Maar opvoeding speelt ook een grote rol bij de vraag of iemand in de criminaliteit belandt. Iedereen heeft wel gehoord van die families waar de duistere zaakjes van vader op zoon werden overgedragen. Sociologe Marieke van de Rakt zocht het uit en ontdekte dat kinderen van criminele vaders inderdaad vaker een strafblad hebben dan kinderen wiens vader niet met justitie in aanraking komt. Wanneer papa echter voor de geboorte van zoonlief op het rechte pad geraakt, dan is het aantal criminele kinderen veel kleiner.

Het verhaal van het slachtoffer

“Ik zal het nooit vergeten,” zegt een slachtoffer van een misdrijf vaak. En wij geloven allemaal dat zo’n heftige, emotionele gebeurtenis in iemands geheugen gegrift wordt. Slachtoffers zijn ook vaak heel consistent in hun verhaal, wat wederom het idee dat ze de absolute waarheid vertellen bekrachtigt. Toch hoeft een consistent verhaal niet persé accuraat te zijn. Politie en rechters zijn dan ook gewaarschuwd, te meer omdat het vaak voorkomt dat alleen het slachtoffer de dader heeft gezien.

Dat iemand steeds hetzelfde vertelt, wil niet zeggen dat het ook persé de waarheid is. Dat is wat contraintuïtief, maar wel logisch als je er over nadenkt: als je in eerste instantie een blauwe voor een zwarte spijkerbroek hebt aangezien en je vertelt dat steeds opnieuw, dan blijft het een – weliswaar consistente – fout in je verhaal.

Dat is bijvoorbeeld bij verkrachtingszaken bijna altijd het geval. Daarom is het verontrustend dat de verklaring van het slachtoffer – ondanks dat ze zelf consistent is in haar verhaal – vaak erg verandert in de loop van een strafproces. Dat komt omdat de verklaring die de rechter uiteindelijk leest niet het originele verhaal van het slachtoffer is. Op het politiebureau schrijft een agent namelijk in zijn eigen woorden een proces-verbaal. De officier van justitie vat die weer samen in de aanklacht. De rechter hoort dus een verhaal van een verhaal van een verhaal. En de vraag is hoe waarheidsgetrouw die verklaring dan nog is.

Op zoek naar de dader

Na een aangifte of het vinden van een lijk, is het zaak om zo snel mogelijk de dader te achterhalen. Een moordzaak heeft daarbij als extra moeilijkheid dat het slachtoffer de dader niet kan aanwijzen. Bewijs op het plaats van het misdrijf en eventuele getuigen moeten uitkomst bieden. Maar soms is dat niet genoeg, en zeker bij een seriemoordenaar kan dan de spanning hoog oplopen. Een profiler kan dan soms uitkomst bieden. Deze wetenschapstak in haar kinderschoenen zoekt naar gelijkenissen in het gedrag van een misdadiger met andere, veroordeelde criminelen. Op deze manier hoopt een profiler allerlei extra gegevens over de dader af te leiden, waardoor de pakkans groter wordt.

Een goede profiler laat zich leiden door solide vergelijkingen, geholpen door de statistiek. Dat is maar goed ook, want anders kunnen vooroordelen en stereotypen een grote rol gaan spelen. Neem bijvoorbeeld de MP3-moord: op klaarlichte dag werd de 17-jarige Joe op station Brussel beroofd van zijn MP3-speler en doodgestoken. De voortvluchtige daders werden door getuigen en daarna door politie en media omschreven als Marokkanen, maar bleken later uit Polen te komen. Het beeld van de stereotype crimineel draaide getuigen en politie een rad voor de ogen.

Een mens is geen videorecorder. We laten ons leiden door vooroordelen, maken fouten in onze waarneming en als klap op de voorpijl is ons geheugen ook nog eens gebrekkig.

Het feilbare geheugen van getuigen en verdachten

De waarneming van getuigen kan er dus behoorlijk naast zitten. Maar ook met het geheugen van verdachten en getuigen is van alles mis. Dat is niet meer dan menselijk, maar kan in een strafproces enorme gevolgen hebben. Zo zat voor de Schiedammer parkmoord jarenlang een onschuldige man vast, omdat hij bekend had: onder grote psychologische druk was hij gaan twijfelen aan zijn eigen geheugen. Lucia de B. wist zich allerlei routinehandelingen op de dagen van de moorden niet meer te herinneren. De rechter concludeerde mede daaruit dat ze leugenachtig was, terwijl dit eigenlijk een normale menselijke geheugeneigenschap is. En in de Deventer moordzaak komt een getuige na jaren nog met een nieuwe herinnering op de proppen, maar is die van zichzelf of uit de krant? Uit de psychologie weten we dat zo’n onderscheid na lange tijd niet meer is te maken: je vergeet gewoon uit welke bron je iets te weten bent gekomen.

Mensen kunnen dus allerlei valse herinneringen hebben die ze zelf niet van echt kunnen onderscheiden. Niet bewust in ieder geval, want er zijn aanwijzingen dat je brein het verschil wel weet. Bij een valse herinnering laten ze andere activiteit zien dan bij een echte. Misschien hebben hersenschans in de rechtzaal dus toch de toekomst.

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 06 november 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.