Je leest:

Fokken doe je Zoo

Fokken doe je Zoo

Over fokprogramma’s in Europese dierentuinen

Auteur: | 19 oktober 2009

De tijd dat dierentuinen postzegelverzamelingen waren met talloze diersoorten in kleine, kale kooien is gelukkig al lang voorbij. De laatste decennia werden de dierverblijven groener en natuurlijker en werden dierentuindieren letterlijk de ambassadeurs van hun wilde soortgenoten die over de hele wereld steeds meer bedreigd raakten. Voortplanting in dierentuinen was nodig om niet meer afhankelijk te zijn van natuurlijke populaties. In 1985 werden hiertoe streng gecoördineerde fokprogramma’s voor bedreigde diersoorten opgezet; de zogenaamde EEPs (European Endangered Species Programme). Voor welke diersoorten zijn er EEP fokprogramma’s, hoe werken ze en met welke uitdagingen krijgen dierentuinen bij de fok te maken?

Zo’n honderd jaar geleden zagen we diersoorten voor de eerste keer letterlijk onder onze ogen uitsterven. Dat gebeurde vaak door menselijk handelen. De trekduif, die ooit in zwermen van vele miljoenen in de bossen van Noord Amerika leefde, werd met duizenden tegelijk uit de lucht geschoten en als vlees geconsumeerd. In 1900 schoten jagers het laatste wilde exemplaar af; in dierentuinen leefde toen nog een enkele trekduif. Door gebrekkige huisvesting werden dierentuindieren destijds niet oud en als dat wel gebeurde, was er vaak geen sprake van voortplanting. Enkele jaren later, toen in de dierentuin van Cincinnati (Verenigde Staten) het allerlaatste individu doodging, was het dus definitief voorbij voor de trekduif. De quagga, een soort steppezebra, de buidelwolf en talloze andere soorten kenden hetzelfde lot.

Verschil tussen ‘leven en dood’

Begin 20e eeuw veranderde de manier waarop dieren in dierentuinen gehouden werden langzaam; er kwam meer aandacht voor geschikte huisvesting en voeding en de dieren werden in steeds natuurlijker groepen samengehouden. Toen het laatste Przewalskipaard in 1968 van de Mongoolse steppen verdween, trokken dierentuinen aan de bel. Hoewel er nog slechts 13 van deze oerpaarden in gevangenschap leefden, kon de soort dankzij intensieve samenwerking en een streng gecontroleerde fok behoed worden voor uitsterven.

Twee decennia later leefden er zelfs weer zoveel Przewalskipaarden in dierentuinen over de hele wereld, dat er een ruimtetekort dreigde te ontstaan. In 1992 kwam daar verandering in. Na veel gelobby en politiek gesteggel waren in China en Mongolië enkele reservaten opgericht en vandaag de dag leven weer honderden Przewalskipaarden in hun oorspronkelijke leefgebied.

Dankzij het EEP (European Endangered Species Programmes) fokprogramma leven er weer Przewalskipaarden in het wild.
Hanneke de Boer

Het succes van onder andere de Przewalskipaarden eind vorige eeuw was een omslagpunt. Dierentuinen bleken weldegelijk het verschil te kunnen maken tussen ‘leven en dood’ voor een diersoort. En het Przewalskipaard is niet de enige. Ook het gouden leeuwaapje uit Zuid Amerika en de Europese bizon (wisent), zijn goede voorbeelden. Een streng gecontroleerde fok, extreem gedreven mensen en een hele lange adem zijn essentiële ingrediënten voor zulke successen.

Ark van Noach?

Het primaire doel van EEPs (European Endangered Species Programmes) is om dierpopulaties binnen dierentuinen met voldoende genetische variatie in stand te houden. Op die manier zijn deze populaties niet meer afhankelijk van ‘aanvoer’ uit het wild. De natuurlijke omgeving staat immers al door te veel andere factoren onder druk.

Boegbeeld voor het EEP (European Endangered Species Programme) is de sterk bedreigde zwarte neushoorn met een jong.

Het liefst zouden dierentuinen als een soort moderne “Ark van Noach” alle bedreigde diersoorten via een EEP beschermen. Maar daar is helaas geen geld, ruimte en mankracht voor. Daarom komen alleen diersoorten die in de natuur met uitsterven bedreigd worden, of een belangrijke rol spelen in een zeer kwetsbaar ecosysteem, hiervoor in aanmerking. Er gaat een heel traject van onderzoek en advies aan vooraf voordat het nieuwe EEP een feit is. Voor alle diergroepen (hondachtigen, uilen, mensapen, etc.) die in Europese dierentuinen leven is een adviesraad opgericht (TAG; Taxon Advisory Group) waarin kenners vanuit heel Europa zitting hebben. Zij onderzoeken of er voldoende individuen van de betreffende soort in Europese dierentuinen leven om een fokprogramma te kunnen starten. Hoe minder individuen, des te kleiner de genetische variatie en hoe groter de kans op inteelt (met alle gevolgen van dien).

Net zo belangrijk is of dierentuinen genoeg geschikte verblijven hebben om met de soort te kweken. Het is namelijk niet verstandig om maar op een of twee locaties te fokken, want als daar een ziekte of brand uitbreekt, zijn alle individuen in één keer verloren. Tot slot is het ook essentieel om voldoende kennis te hebben over het houden van en kweken met de betreffende diersoort.

Europese nertsen leven solitair en moeten in dierentuinen dus twee aparte verblijven hebben.
Gaia Park Kerkrade Zoo

Aan de hand van al deze factoren en in nauw overleg wordt uiteindelijk besloten welke soorten via een EEP fokprogramma beschermd moeten en kunnen worden. Op basis van de status op de Rode Lijst van bedreigde diersoorten verzoekt de wereld natuurbond IUCN (International Union for the Conservation of Nature) dierentuinen in sommige gevallen om bepaalde diersoorten op te nemen in een EEP. Dierentuinen opereren dus niet alleen, maar in samenwerking en samenspraak met natuurbeschermers van over de hele wereld. Momenteel zijn ruim 300 diersoorten, variërend van zonneral (familie van de kraanvogels) en Iberische wolf tot witte neushoorn en Afrikaanse wilde hond in een EEP fokprogramma opgenomen. En dat aantal blijft groeien.

Kunstmatige bevruchting

Hoewel voortplanting weliswaar een van de meest basale levensbehoeften is van alle organismen, betekent dat niet dat dit altijd vanzelf gaat. Althans, niet in dierentuinen. Want hoe natuurlijk of ruim een dierverblijf ook is, het blijft een imitatie van de vrije natuur. Dierentuindieren kunnen bijvoorbeeld niet zelf besluiten wanneer ze de groep verlaten om een eigen of nieuwe partner te zoeken.

Dierentuinen willen alle dieren op een veilige en succesvolle manier tot voortplanting laten komen en de overlevingskans van het nageslacht zo hoog mogelijk houden. Daar is natuurlijk veel kennis over het natuurlijk gedrag en de groepsamenstelling van dieren, maar ook improvisatie vereist. Europese nertsen leven bijvoorbeeld solitair. Mannetje en vrouwtje zoeken elkaar in het wild alleen op voor de voortplanting. De rest van het jaar zouden ze elkaar letterlijk ‘afmaken’ als ze elkaar tegenkomen. In dierentuinen kunnen nertsman en -vrouw dus niet samen gehuisvest worden, maar zijn twee aparte verblijven nodig. Als in het voorjaar de voortplantingsperiode aanbreekt, houden dierverzorgers extra goed in de gaten hoe het vrouwtje op het mannetje reageert. Alleen als ze op het juiste punt in haar cyclus is zal ze hem immers toelaten en is de kans op nageslacht het grootst.

Witte neushoorns zijn wel echte groepsdieren, maar de voortplanting in dierentuinen laat helaas nogal te wensen over. Hoewel er diverse theorieën zijn (van jonge mannetjes die niet ‘weten’ hoe ze zich voort moeten planten tot vrouwtjes zonder cyclus of met een cyste in de baarmoeder), is de precieze oorzaak hiervan niet bekend. Daarom wordt bij neushoorns sinds kort af en toe kunstmatige bevruchting toegepast. Op 22 oktober 2008 had de dierentuin van Budapest de primeur: er werd een gezonde neushoorn geboren die 16 maanden eerder met behulp van bevroren sperma van een neushoornstier uit Engeland ‘verwekt’ was. Om kunstmatige bevruchting bij neushoorns te ontwikkelen werken dierentuinen nauw samen met universiteiten en onderzoeksinstituten.

Neushoorns planten zich in dierentuinen niet goed voort. Kunstmatige inseminatie biedt uitkomst.
Gaia Park Kerkrade Zoo

Om inteelt te voorkomen, worden dieren uit EEPs tussen dierentuinen uitgewisseld. Ook dat is een heel specialisme, want elke diersoort stelt zijn eigen eisen aan het transport. Zo worden gorilla’s verdoofd voordat ze in een transportkist gelegd worden en in een bestelbus op pad gaan. Het verdoven van giraffen (en andere herkauwers) is echter een te groot risico voor de gezondheid van het dier. Om staande vervoerd te worden is voor giraffen dus een extra hoge trailer of een dieplader nodig en voor volwassen giraffemannen moet zelfs een speciale route uitgestippeld worden om lage viaducten te omzeilen.

Dankzij kunstmatige bevruchting kunnen kostbare, risicovolle en stressvolle neushoorntransporten in de toekomst mogelijk tot een minimum beperkt worden. Kunstmatige bevruchting zou ook een belangrijke rol kunnen gaan spelen voor neushoornsoorten waar in het wild nog slechts enkele individuen van zijn.

Zwarte helm

Een secundair doel van de EEPs is om de gekweekte dieren weer in het wild uit te zetten. Vaak is dit echter een moeilijk en lang traject. De situatie in het oorspronkelijke leefgebied moet namelijk wel stabiel zijn voordat dieren weer ‘terug naar de natuur’ kunnen. Helaas belemmeren bedreigingen door politieke onrusten en oorlogen, of een sterk gedegradeerd leefgebied deze stap. Als de stap al gemaakt kan worden, moeten diersoorten vanuit de dierentuinen eerst ‘verwilderen’ voordat ze weer in de natuur kunnen overleven. Om nog maar te zwijgen over het feit dat dierentuindieren hun angst voor de mens of hun natuurlijke vijanden vaak helemaal verloren hebben.

In Spanje worden kaalkop ibissen door speciale adoptieouders met helm grootgebracht.
Proyecto Eremita

Voor een succesvolle uitzetting zijn goede contacten met natuurbeschermers essentieel. De kaalkop ibis heeft op de rode lijst van IUCN de status van “ernstig bedreigd” – in het wild leven nog zo’n 420 individuen. In dierentuinen leven echter nog ruim 900 kaalkop ibissen. Sinds zes jaar worden nakomelingen van EEP kaalkop ibissen vanuit een speciaal kweekstation in Spanje opnieuw uitgezet. Het blijkt dat kaalkop ibissen die door mensen met de hand zijn grootgebracht na uitzetten de hoogste overlevingskans hebben. Dat klinkt raar, maar doordat de ‘adoptieouders’ zich met een zwarte helm met een model van een kaalkop ibis vermommen, blijven de jonge ibissen hun angst voor ‘gewone’ mensen behouden. Enkele van de met de hand opgevoede kaalkop ibissen hebben zich zelfs alweer voortgeplant.

Bronnen

  • Terug naar de natuur (H. de Boer), GaiaPraatjes 2, 2006
  • Eén wereld, één natuur (L. de Boer), 1998
  • EAZA News 66, 2009

Zie ook

Nederlandse vereniging van dierentuinen Europese vereniging van dierentuinen Dierentuinen kweken zelf koraal (Kennislinkartikel van Wageningen Universiteit)

Meer over bedreigde diersoorten

Zoogdieren verkeren in crisis (Kennislinkartikel) Dag vogels, dag vissen (Kennislinkartikel van Intermediair) Biodiversiteit in een veranderende wereld (Kennislinkartikel ism NIBI) Ecologen adviseren ‘nee, tenzij’ bij herintroductie (Kennislinkartikel van Bionieuws)

Dit artikel is een publicatie van Kennislink (correspondentennetwerk).
© Kennislink (correspondentennetwerk), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 19 oktober 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.