Je leest:

Evolutie, zo zit het!

Evolutie, zo zit het!

Een pasgeboren baby, een vlinder die uit een cocon kruipt, een dolfijn die enthousiast uit het water springt: het leven op aarde heeft iets wonderlijks. Het is dan ook niet zo raar dat veel mensen het ervaren als heilig of goddelijk. Een wetenschappelijke theorie om al dit moois te verklaren voelt wat kil en zakelijk. Toch danken we al het leven op aarde aan de processen van de evolutie: een elegante theorie die ons meer vertelt over wie we zijn en waar we vandaan komen.

Kennislink10jaarlogo vlaggetje
Kennislink bestaat 10 jaar! Onze redactie blikt elke dag even terug op 10 jaar nieuws en achtergronden uit de wetenschap.
NEMO Kennislink

‘s Winters stikt het van de musjes in de achtertuin. Leuk gezicht, maar ze komen niet allemaal even goed de winter door. Sommige mussen overleven het niet omdat ze badderen in een plasje smeltwater en doodvriezen op de schutting. Andere mussen vergaan van de honger, kleumend op een takje. Hun snaveltjes hebben net niet de juiste kromming om goed te kunnen snoepen van de vetbollen en pinda’s die mensen voor ze ophangen. Maar een derde soort mus – toevallig net iets anders dan de eerste twee – blaakt van gezondheid. Deze mussen blijven uit het water en overleven de vrieskou door hun buik rond te eten. In de lente gaan zij als eerste met takjes en wormpjes in de weer, helemaal klaar voor een nieuw nestje.

De snaveltjes van deze vinken brachten Darwin op het idee: soorten veranderen omdat alleen de meest succesvolle leden lang genoeg leven om nakomelingen te krijgen.

Dit is evolutie in actie. In een barre omstandigheid zoals een strenge winter blijkt een toevallige aanpassing aan de soort – een net iets handiger gevormde snavel – enorm belangrijk. Ze moeten immers lang genoeg leven om nakomelingen te maken. En omdat die nakomelingen ook weer die handige snavel erven, zullen zij de volgende winter beter doorkomen dan onhandig gesnavelde musjes. Die zijn dan na een vorstperiode zo verzwakt, dat ze niet meer aan kinderen maken toekomen. Als je er goed over nadenkt is het heel logisch: na verloop van tijd zijn er voornamelijk mussen van de derde soort, die elke winter smullen van de pinda’s aan de schutting.

Darwin trok in de 19e eeuw precies dezelfde conclusie na zijn reis naar de Galapagoseilanden. Op het ene eiland hadden vinken een stompe snavel en op de andere een scherpe. Dat was wel zo handig, want ze moesten ook in andere omstandigheden hun voedsel zoeken. Maar hier was nog iets extra’s aan de hand. Omdat de vinken helemaal van elkaar gescheiden leefden, waren ze zo uit elkaar gegroeid dat ze niet meer tot dezelfde soort behoorden. Dat bracht Darwin op een nieuw idee, namelijk dat in de natuur uit één diersoort andere soorten kunnen ontstaan.

Eigenlijk weten we dat allang. Uit de wolf is bijvoorbeeld heel lang geleden de hond ontstaan. En niet één soort hond, maar talloze soorten. Van Paris Hiltons Chihuahua tot de Husky die poolreizigers door sneeuwstormen heen loodst. Wij fokken de hondenrassen zodat ze het beste zijn aangepast aan hun omstandigheden, maar in de natuur werkt het net zo. Toevallig raakt één soort mus, of wolf, of giraf, beter aangepast aan de (moeilijke) omstandigheden, waardoor die soort meer kinderen krijgt die ook de goede aanpassing hebben. En zo veranderen soorten, oftewel: ze evolueren.

De Husky is maar één van de hondenrassen die door mensen is gefokt met een reden. Het ras gedijt goed in poolgebieden, waar ze mensen helpen door bijvoorbeeld sleeën te trekken.

Minder aap, meer mens

“Als evolutie voor elk ander dier geldt, waarom dan niet voor de mens?”, dacht Darwin later. De wetenschap geeft hem gelijk. Wetenschappers vonden overblijfselen van een soort aapmensen die langzaam rechtop gingen lopen, hun haar verloren en gereedschap leerden gebruiken. Dat waren onze voorouders. Ze hadden meer succes dan hun hurkende, harige tijdgenoten. Zo werden we in vijf à zes miljoen jaar langzaam maar zeker minder aap en meer mens.

Leven

Als de ene soort uit de andere ontstaat, hoe ontstond dan de eerste levensvorm? Hoe kwam het startsein voor de evolutie tot stand?

Lang voordat mensen, dieren en zelfs bacteriën de aarde bevolkten, waren er alleen hele eenvoudige moleculen in een ‘oersoep’. Wetenschappers gaan er van uit dat hierin de eerste bouwstenen voor het aardse leven ontstonden. Laboratoriumexperimenten hebben duidelijk gemaakt dat dit zeer wel mogelijk is. Onder omstandigheden die ook tijdens de aardse oertijd aanwezig waren, ontstonden de moleculaire bouwstenen van het huidige aardse leven.

Zomaar leven

De grote vraag is hoe uit ‘dode’ bouwstenen leven kon ontstaan. Het antwoord luidt: stapje voor stapje. Het idee is dat de bouwstenen in de oersoep zich door ‘toevalstreffers’ aaneenregen tot grotere moleculen. De kans op zulke treffers is héél klein. Maar in honderden miljoenen jaren kwamen ze toch vaak voor. Het is denkbaar dat zo een ‘oer-DNA’ ontstond, dat samen met andere nieuw gevormde moleculen de eerste levende cel vormde.

De opstelling van het Urey-Miller experiment zoals het in 1953 werd uitgevoerd. De wetenschappers Harold Urey en Stanley Miller stelden een nagemaakte oersoep bloot aan de condities die zich ook op de oer-aarde voordeden. Tot hun verbazing vonden ze na afloop aminozuren, de bouwstenen van al het leven op aarde. Klik op de afbeelding voor een grotere versie.

Staartje

Nadat het eerste levende wezentje was ontstaan nam het evolutieproces het werk van toeval over. Hoe dat ging, kunnen we nu nog terugvinden. Daarvoor graven we in de grond. De grond bestaat uit aardlagen. In zo’n laag vinden we dieren en planten die in die periode hebben geleefd. Ze zijn in die periode doodgegaan en in de aardlaag blijven liggen, waardoor het fossielen zijn geworden. Tijdens miljoenen jaren bedekken nieuwe aardlagen de oude. Hoe dieper we graven, hoe ouder de aardlagen zijn. Door fossielen uit een oudere aardlaag te vergelijken met fossielen in jongere aardlagen zien we hoe soorten in die miljoenen jaren evolueerden.

Ook in de ontwikkeling van een foetus zien we de evolutie aan het werk. Alle zoogdieren hebben in aanleg poten. Aan de buitenkant van een walvis zie je deze poten niet terug, maar diep in zijn lichaam liggen wel degelijk kleine botjes waar normaal gesproken de poten zouden zitten. Of neem een mensenfoetus: die heeft een staartje. Dat staartje verdwijnt voor de tiende week van de zwangerschap. Het staartje is een overblijfsel van de tijd dat de voorouder van de mens nog een echte staart had.

Een plaatje van een menselijk embryo. De staart van de foetus is hierop duidelijk te zien.

Logisch

De evolutietheorie heeft drie ingrediënten. 1. In elke soort komen toevallige verschillen met andere leden van de soort voor. Het kan gebeuren dat een mus een net iets andere snavel heeft. 2. Soms is zo’n verschil handig bij het overleven in moeilijke omstandigheden. 3. Dat handigheidje geef je weer door aan je kinderen, die ook beter kunnen overleven dan hun soortgenoten. Zo verklaart de evolutietheorie op een logische manier hoe het leven op aarde zich heeft ontwikkeld. En door goed te kijken naar fossielen en aardlagen en na te denken over hoe we nu in elkaar zitten, kunnen we dat ook aantonen. Evolutie is geen kwestie van geloven. Kijk net als Darwin om je heen en zie dat het klopt.

Misverstanden over evolutie

Prikkende fossielen

Sommige mensen beweren dat alle fossielen tegelijk ontstonden door een grote ramp. Deze zorgde dat al het leven verdronk en werd begraven onder de aardlagen. Maar waarom liggen vissen dan in de onderste aardlaag? Die verdrinken namelijk niet. Fossielen die door meer dan één aardlaag heen steken waren het slachtoffer van terugkerende vloed, stollend lava en modderstromen. In Nova Scotia, Canada, zien we nu hoe aardlagen zich razendsnel om bomen heen opbouwen.

Evoluerende foetus

In de 19e eeuw dacht Haeckel dat een foetus eerst van eencellige moest evolueren naar vis en reptiel voordat het een mensenfoetus werd. Haeckel tekende de embryo’s van vijf dieren en een mens naast elkaar om dit proces duidelijk te maken. Nu weten we dat dit idee niet klopt.

Geen beter dier

Evolutie is vaak synoniem voor verbetering. Maar dat klopt niet. De toevallige aanpassingen waarmee sommige dieren worden geboren zijn lang niet altijd nuttig. Een jong beertje heeft niks aan een witte vacht als hij in het bos opgroeit. Sterker nog, de kans is groot dat hij verhongert en geen kinderen krijgt. Zo verdwijnt de toevallige aanpassing weer en blijven alle beren in het bos bruin.

Zie verder op Kennislink

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 06 maart 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.