Je leest:

Eugenetica na ’45

Eugenetica na ’45

Auteurs: en | 30 maart 2017

Lang is gedacht dat aan de praktijken van de eugenetica vanwege de racistische teneur met het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945 een einde zou zijn gekomen. Dat is helaas een misvatting. Er zijn tal van voorbeelden in binnen- en buitenland die het tegendeel bewijzen. Zo bleven de strenge sterilisatiewetten in de Verenigde Staten gehandhaafd tot in 1965, in Zweden zelfs tot in 1976.

Sinds 1989 gebiedt een wet in China sterilisatie van geestelijk gehandicapten. In China en India wordt prenataal het geslacht van het kind vastgesteld om daarna vrouwelijke vruchten te aborteren, de zogeheten feminicide. In Nederland werden bij het selecteren van de toekomstige bewoners van de Noordoostpolder in 1947 nog steeds eugenetisch gekleurde selectiemethodes toegepast. Sommige artsen bleven waarschuwen voor het gevaar van grote gezinnen bij de ‘lagere klassen’, in verhouding tot het geringe kindertal bij ‘welgestelden’. Ze kwamen zelfs met voorstellen tot verplichte castratie en sterilisatie van zwakzinnigen, homoseksuelen, pedofielen en exhibitionisten.

Uiteindelijk kreeg de opvatting dat voortplanting, net als alle andere privézaken, geen staatszaken zijn, de overhand. Ondanks die definitieve ‘liberalisering van de voortplanting’, lanceerde een Rotterdamse wethouder in 2016 nog een plan voor verplichte anticonceptie voor vrouwen die niet in staat zijn tot verantwoord ouderschap, zoals vrouwen die verslaafd zijn, psychische problemen hebben of dakloos zijn. Weliswaar niet uit eugenetisch oogpunt, maar toch.

Op een bord in het noorden van India worden artsen gewaarschuwd niet mee te werken aan feminicide.
Imageselect, Wassenaar

Volgens sommigen zijn ook de activiteiten van de klinisch genetische centra in zekere zin eugenetisch. Toch is daar een cruciaal verschil. De verworvenheden van de moderne genetica worden niet verplicht van bovenaf opgelegd. De hulpvragers kunnen, wanneer ze dat zélf willen, bij de voortplanting kiezen uit een aantal opties, zoals erfelijkheidsvoorlichting en erfelijkheidsonderzoek. Zij kunnen hun arts verzoeken hen te verwijzen naar een van deze centra omdat een of meer erfelijke afwijkingen aanwezig zijn in het gezin of de familie.

Het doel van de erfelijkheidsvoorlichting is onder andere het informeren over eventuele gezondheidsrisico’s voor het nageslacht en over de mogelijkheden om deze risico’s elimineren of te verkleinen. Erfelijkheidsvoorlichting is niet gericht op het uitroeien van alle erfelijke kwalen. Het normale risico op een erfelijke of aangeboren afwijking blijft dus bestaan. Van selectie op etniciteit is geen sprake.

Ontsporingen vanwege ras en intelligentie

Tot ver in de tweede helft van de twintigste eeuw zijn met name in Noord-Amerika hevige discussies gevoerd over de mogelijke relatie tussen ras en intelligentie. De ondertoon van die discussies was zonder meer racistisch te noemen. Een vermeend verband tussen ras en IQ werd onder meer verdedigd door de psycholoog Arthur Jensen in zijn controversiële boek How much can we boost IQ and Achievement?, uit 1969. De gerenommeerde evolutiebioloog Stephen Jay Gould leverde daar publiekelijk ernstige kritiek op.

Jensen werkte ook mee met de Amerikaanse politicoloog Charles Murray en anderen aan The Bell Curve, uit 1994, waarin eveneens werd gesteld dat Afrikanen minder intelligent zijn dan westerlingen. Deze stellingname werd sterk aangewakkerd door de Canadese psycholoog John Rushton, die was opgegroeid in Zuid-Afrika tijdens de Apartheid en later werkzaam was bij de Universiteit van Western Ontario.

In The Bell Curve stellen de auteurs dat Afrikanen helemaal links zouden zitten op de grafiek van natuurlijke spreiding van intelligentie.
Charles Murray, Free Press

Evenals Jensen verklaarde Rushton verschillen tussen zwarten, blanken en Aziaten vanuit hun evolutionaire achtergrond. Hij verzon daarbij relaties tussen klimaat en kindertal en stelde doodleuk dat hersengrootte omgekeerd evenredig zou zijn met de grootte van de geslachtsdelen. Zwarten, met meer kinderen en minder stabiele huwelijken, dienden volgens Rushton te worden gesteriliseerd.

Evenals Jensen betoogde Rushton verder dat zwarten beschikten over lagere mentale vermogens dan blanken, die daarin weer werden overtroffen door Aziaten. De genoemde gemiddelde IQ’s van respectievelijk 70, 100 en 106 zouden inhouden dat niet minder dan de helft van de zwarten licht tot zwaar zwakzinnig zou zijn; de normale spreiding van het IQ ligt immers tussen 85 en 115. Rushton’s gebruik van de IQ-test was echter ondeskundig.

Toch werd zijn uitermate racistische werk ‘indrukwekkend’ genoemd door onder anderen – de zelf net zo omstreden – Arthur Jensen en Hans Eyseneck. Maar zij bleken gefinancierd te worden door het neo-nazistische Pioneer Fund, een club die in 1937 was opgericht om de rassenpolitiek van nazi-Duitsland en de eugenetische beweging in Amerika te ondersteunen.

Andere lovende besprekingen kwamen van het Charles Darwin Research Institute. Ondanks de vertrouwenwekkende naam, bleek dit instituut door Rushton zelf opgericht. Rushton sprak ook meermaals voor vele bewonderaars op bijeenkomsten die werden georganiseerd door het omstreden racistische maandblad American Renaissance. ‘Een briljant wetenschapper’ noemden ze hem daar.

Eugenetica na ’45

Ondanks de vele rellen bij optredens van Rushton en hevige internationale protesten, ging hij onverstoorbaar door. Hij vatte zijn verwerpelijke ideologieën samen in het boekje Race, Evolution and Behavior (2000). Dit werd met financiële steun van racistische en neo-nazistische organisaties op grote schaal in meerdere landen gratis onder wetenschappers verspreid.

Nog meer commotie ontstond in oktober 2007, toen nota bene Nobelprijswinnaar James Watson – gelauwerd voor zijn aandeel in het ontrafelen van het DNA – zich uitsprak over ‘het grote libido van zwarte mensen en hun geringere intellectuele capaciteiten’. Hij had al eerder rumoer veroorzaakt door abortus bij vrees voor homoseksualiteit van de foetus te verdedigen.

Bij Rushtons dood in 2012 schreef zijn grote opponent, de Canadese geneticus David Suzuki: “Er zullen altijd ‘Ruhstons’ opstaan in de wetenschap. En we moeten altijd klaar staan om die uit te roeien.” Zijn landgenoot Douglas Wahsten stelde: “Ruhston was vooral een provocateur. Hij heeft geen blijvende indruk achtergelaten in de wetenschap.” Waarschijnlijk hoopte de wetenschappelijke gemeenschap vooral dat zijn dood het einde zou markeren van het academisch racisme. Maar het geval Ruhston illustreert ook hoe venijnig racisme kan doorwoekeren, en hoe zelfs wetenschappers zich er aan bezondigen. Het blijkt uiterst riskant wanneer iemand zonder complete kennis van zaken, gedreven door racistische ideologie de publieke opinie tracht te beïnvloeden. 

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 30 maart 2017

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.