Je leest:

Etnisch Ondernemerschap 2.0

Etnisch Ondernemerschap 2.0

Auteur: | 1 december 2010

De tijd dat migranten een miserabel slagerijtje of snackbar runden is voorbij. Jonge allochtone ondernemers springen handig in op de behoefte aan zakelijke en persoonlijke dienstverlening. Waarom wordt er dan toch zo tobberig gedaan over migranten? We zijn gewoon te ongeduldig, zegt Ewald Engelen in zijn oratie.

Het Nederlandse debat over migratie is steeds grimmiger geworden. Na decennia van ‘minzame verwaarlozing’ en na jaren waarin vol werd ingezet op ‘werk, werk, werk’, staat de discussie nu alweer zo’n tien jaar in het teken van een onvruchtbare welles-nietes over de onverenigbaarheid van islamitische waarden met ‘onze’ cultuur. Maar het probleem is niet dat er teveel (islamitische) migranten zijn; het probleem is dat we te weinig rendement uit onze migranten halen. In deze ‘openbare les’ wil ik benadrukken wat ondernemende migranten de Nederlandse samenleving hebben geboden, wat ze bieden en wat ze nog kunnen bieden: want het ‘multiculturele drama’ is een integratiewonder geworden.

Horeca

Begin jaren negentig domineert in de Nederlandse samenleving nog het beeld van de sappelende Turkse slager, de armoedige Egyptische snackbarhouder, de marginale Antilliaanse nagelverzorgster en het sjoemelende Turkse naaiatelier. Beleidsonderzoek wijst uit dat etnisch ondernemerschap in die jaren inderdaad wel erg veel horeca en middenstand was, en gepaard ging met lage verdiensten, zwak en precair ondernemerschap. Dat gaf niets want destijds werd de sociale bijdrage toch het belangrijkste gevonden. Etnisch ondernemerschap vergrootte het zelfrespect van de migrant en verhoogde de vitaliteit van de wijk.

Onder het Paarse bestuur luidde het hervormingsprogramma ‘Marktwerking, Deregulering, Wetskwaliteit’ van Minister Wijers een tijdperk in van groei en ondernemerschap. De overheid trok zich terug, in het besef dat ze zich moest beperken tot de achtergrondcondities voor economische dynamiek. Met voldoende ‘trek in de schoorsteen’ zou de achterstand van migranten vanzelf verdwijnen. En dat bleek toen de economie in de tweede helft van de jaren negentig met drie tot vier procent per jaar groeide. Dit dankzij een beleid van: makkelijker ontslag, lagere loonkosten, meer flexibiliteit en soepelere overgangen tussen baan en baan, baan en studie, baan en zorg en baan en bedrijf.

Het resultaat mocht er zijn. Bedroeg de werkloosheid in 1994 bij het aantreden van Paars 1 nog 7,5 procent, in 2001 was dat gedaald tot 3,5 procent, de laagste van Europa. En daarvan hebben niet-westerse migranten buitenproportioneel geprofiteerd. Zo eindigt het tijdvak van Etnisch ondernemerschap 1.0 met het mirakel van Paars dat veel werk en welvaart bracht tot het door Fortuyn voor de ‘puinhopen van Paars’ werd uitgemaakt.

Wonder

Terwijl het integratiedebat van vandaag de dag zo zoetjesaan zijn hysterische kookpunt bereikt, voltrekt zich onder niet-westerse migranten stilletjes een wonder. De tweede generatie migranten begint uitstekend de weg te vinden naar het tertiair onderwijs. Het HBO en, in mindere mate, de universiteit, blijken geliefde stijgingskanalen naar goedbetalende en vaste banen. De werkloosheid onder niet-westerse migranten bedraagt slechts 11 procent, tegen 4 procent onder autochtonen. En dat komt vooral doordat allochtone jongeren zijn oververtegenwoordigd op VMBO en MBO. Steeds meer niet-westerse migranten vinden de weg naar het koopsegment van de woningmarkt. En net als autochtone Nederlanders verkiezen migranten de groene buitenwijken en de laagbouw van de randgemeenten boven de naoorlogse stadswijken. Ook het zelfstandig ondernemerschap stijgt onder de niet-westerse migranten. Kortom: migranten hebben het afgelopen decennium buitenproportioneel geprofiteerd van de Paarse erfenis.

Met name het aantal Turkse ondernemers is sinds de jaren negentig stormachtig gegroeid. 12,4 procent van iedere 1000 Turkse leden van de beroepsbevolking is zelfstandig ondernemer. Dat is een ondernemersquote die hoger ligt dan onder autochtonen. De andere etnische minderheden blijven daar bij achter, maar vertonen een soortgelijk groeitempo.

De eerste generatie koos voor horeca, de tweede generatie voor zakelijke dienstverlening.

Groei

Het Nederlandse etnisch ondernemerschap vertoont met name een bovengemiddelde groei in de zakelijke dienstverlening. Was overmatige representatie in de horeca het onderscheidende kenmerk van de eerste generatie, de tweede generatie kiest net als autochtone ondernemers in meerderheid voor de zakelijke dienstverlening; het postindustriële pad. Dit is een heuse kwaliteitssprong: van Etnisch ondernemerschap 1.0 — precair, geringe toegevoegde waarde, laagdrempelige markten, weinig professioneel, negatieve motieven — naar Etnisch ondernemerschap 2.0: de zakelijke en persoonlijke dienstverlening. Deze fase laat zich kenmerken door: veel toegevoegde waarde, professioneel, winstgevend, positieve motivatie en inspelend op de kansenstructuur van de postindustriële stad. Het aantal etnische ondernemers dat in de 21ste eeuw dankbaar gebruik heeft gemaakt van de groeiende vraag naar automatiseerders, website ontwerpers, gamedesigners en andere eigentijdse ICT experts is niet van de lucht.

Verzuiling

Meer en beter ondernemerschap. En dat zonder specifiek beleid. Hoe komt het dan toch dat zo tobberig doen over migratie? Ten eerste omdat wij ons sinds 9/11 bezondigen aan wat de oude Freud het ‘narcisme van de kleine verschillen’ noemde. We staren ons blind op culturele eigenaardigheden en negeren gedeelde dromen, vreugdes en smarten. Dat heeft alles te maken met de rudimenten van die verduivelde verzuiling. Daardoor is een door niemand gewenst islamitisch zuiltje ontstaan, dat na 9/11 tot haatobject is uitgegroeid en politiek en samenleving nu al tien jaar verdeelt. Wat minder zuiltje en wat meer dynamiek, en niemand heeft het meer over ‘islamisering’.

Ten tweede omdat wij te ongeduldig zijn voor de immigratiesamenleving die we contre coeur zijn geworden. Vergelijkend onderzoek leert dat integratie drie generaties duurt. Wie nu het saldo van de naoorlogse migratie opmaakt, neemt alleen het begin van de bijdrage van de tweede generatie mee en ziet dus per definitie meer kosten dan baten. Doe het in 2020 nog eens als de tweede generatie het topje van haar verdiencapaciteit heeft bereikt en de derde generatie zich warmloopt voor haar eigen arbeidscarrière. We moeten het leven van onze migranten wel heel zuur maken, wil het saldo dan niet positief zijn.

Ten derde omdat onze verzorgingsstaat niet migratiebestendig is. Door ruimhartige sociale voorzieningen, een hoog kostenpeil en grote regeldichtheid biedt Nederland nieuwkomers minder startmogelijkheden dan klassieke migratielanden. Startersmarkten als de taxisector en bouw worden in Nederland bezet door goedbeschermde autochtonen terwijl horeca en middenstand hoge administratieve eisen stellen en het aannemen van personeel kostbaar en ingewikkeld is. Voor de tweede en derde generatie is dat geen probleem, voor de eerste wel. Het duurt dus een à twee decennia voordat migratie rendeert. En bij die ‘vertraging’ spint het populisme garen.

Groeiende postindustriële markten kunnen niet zonder migranten.

Wedren

Het antwoord is niet een migratiestop zoals onze nieuwe regering bepleit. Zoals het vergrijzende Nederland steeds meer zijn welvaart buiten Europa moet verdienen, zo kunnen groeiende postindustriële markten niet zonder migranten. Wie de demografische feiten kent, weet dat binnen vijftien jaar een mondiale wedren om Afrikaanse, Indonesische en Arabische geboorteoverschotten zal ontbranden. Nederland zal er dus voor moeten zorgen aantrekkelijk te blijven, ook voor islamitische migranten. Dat vereist slimme experimenten met circulaire arbeidsmigratie, speciale poorten voor ondernemers, en een ontkoppeling van verzorgingsstaat en arbeidsmarkt om migranten zich onder voorwaarden te laten ‘inverdienen’ in het Nederlandse staatsburgerschap.

Maar bovenal vereist het een andere waardering van migranten. In plaats van als uitvreters die onze ‘vetpotten’ opvreten, moeten we ze leren zien als wereldburgers die het ‘land van aankomst’ een pluim van formaat geven. Niet omdat we dat moreel verplicht zijn, maar omdat het goed koopmanschap is.

Ewald Engelen bekleedt de bijzondere UvA-leerstoel Etnisch Ondernemerschap.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van TSS - Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.
© TSS - Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 december 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.