Je leest:

Enge mensen, enge dieren

Enge mensen, enge dieren

Auteur: | 12 juni 2009

In de verbeelding van criminaliteit spelen stereotypen en stigma’s een grote rol. Zo is er ook een relatie tussen populaire ideeën over gevaarlijk ogende mensen en dito dieren. Beelden die elkaar versterken.

Aandacht voor het dierlijke in de criminele medemens is voor criminologen natuurlijk oud nieuws. In zijn onderzoek naar tatoeages bij delinquenten komt Cesare Lombroso onder andere tot het inzicht dat deze groep net als ‘wilden’ een lagere pijndrempel zou hebben. Wie het in de negentiende eeuw over ‘wilden’ had, had het praktisch over dieren. De boef was een atavisme dat het evolutieproces van de moderne mens niet goed had kunnen bijbenen. In 2009, het Darwinjaar, wordt de krantenlezer met de regelmaat van de klok geconfronteerd met dergelijke sociaal-darwinistische verhalen uit de oude doos.

bbcworldservice

In dat opzicht is het werk van de sociale wetenschappers Arnold Arluke en Clinton Sanders verfrissend en een absolute eye-opener. Zij laten zien hoe beelden van gevaarlijk gevonden mensen en dieren elkaar kunnen versterken. Zij beschrijven hoe in de jaren tachtig van de vorige eeuw in veel Amerikaanse steden gesproken werd over een ‘epidemie’ van bijtincidenten waarbij pitbulls betrokken waren. Hoewel dierenartsen aangaven dat deze dieren onder bepaalde omstandigheden zeer gevaarlijk konden worden, was er geen statistisch bewijs om hun bloeddorstige reputatie te staven. Nader onderzoek liet zien dat de berichtgeving over agressief gedrag van pitbulls vaak gelardeerd werd met smeuïge anekdotes over macho-baasjes. Ook waren de associaties met onder aan de sociale ladder bungelende Afro-Amerikanen en Latino’s niet van de lucht.

Muilkorven van honden in achterstandswijken

De controverse over gevaarlijke honden is in de jaren tachtig niet beëindigd. In Nederland is inmiddels ook een felle discussie over honden aan de gang (zie onder andere Commissie van Wijzen, 2008). In het Algemeen Dagblad van 10 juni 2008 sprak PvdA-Tweede-Kamerlid Harm Evert Waalkens zich uit voor het muilkorven van honden in achterstandswijken. In die wijken zouden agressieve honden vaak bijten. Interessant is dat Waalkens het niet zozeer voorzien heeft op een bepaalde soort honden, maar zijn pijlen op alle viervoeters in achterstandswijken lijkt te richten. Niet alleen in de Amerikaanse discussie maar ook in het Nederlandse palaver draait het in feite om het verwijt aan honden dat zij zich met verkeerde mensen omgeven. Toegegeven, onafhankelijk van de omgeving of het tijdvak waarin mensen een sociale constructie van een pitbull maken, het beestje is moeilijk schattig te vinden. Maar met zijn imposante kaken wordt hij – en volgens Waalkens geldt dat kennelijk ook voor andere honden – extra eng in het bijzijn van marginale menselijke dieren. De oppervlakkige beschouwer is dan blijkbaar al gauw geneigd te denken: soort zoekt soort.

Behalve dieren maken mensen ook medemensen ‘eng’ door ze te associëren met wrede praktijken met onschuldige dieren. Er bestaan tal van voorbeelden waarin mensen als ‘link’ apart worden gezet door hen te verwijten dat ze zich slecht gedragen tegenover ‘weerloze dieren’. De ‘beestachtige’ natuur van bepaalde groepen mensen blijkt dan bijvoorbeeld uit het gebruik van als wreed bestempelde slachtmethoden. Het gaat hier niet om serieuze en inhoudelijke commentaren op het doden van dieren, maar om ‘kritiek’ als instrument in een hetze om een hele bevolkingsgroep als mens te diskwalificeren. Het komt erop neer dat op listige wijze gebruik wordt gemaakt van de gedachte dat wie slecht is voor dieren, als mens niet kan deugen.

Zo is in de literatuur onder meer beschreven hoe de nazi’s in hun antisemitische campagne frequent gebruik hebben gemaakt van aanvallen op de praktijk van het kosjere slachten om de joden als groep te criminaliseren. Ook moslims worden hiermee geconfronteerd.

Dieren als accessoire

Het gebruik van sociale constructies van dieren kan groepen mensen dus criminaliseren. Dit verhaal heeft echter een keerzijde. Sommige mensen gedragen zich in het dagelijks leven als het vleesgeworden cliché: er zijn enge mannen die daadwerkelijk een grote hond aan de lijn hebben. Wat zit daar dan achter? In dit verband is een uitstapje naar het werk van denkers over het menselijk lichaam wenselijk. Dat lichaam kan niet alleen op een anatomische manier worden benaderd, maar er kunnen ook sociale, culturele en politieke betekenissen aan worden afgelezen.

De feministische denker Elizabeth Grosz spreekt in dit verband over ‘the body as surface of inscription’. Het lichaam is een soort canvas waar mensen betekenis aan geven door er wijzigingen op aan te brengen, bijvoorbeeld door kleding, sieraden of make-up. Ook het aanbrengen van accenten ‘rond’ het lichaam, zoals het rijden in een bepaald type auto, wordt door Grosz onder de noemer inscription gebracht. Dieren kunnen aan deze opsomming worden toegevoegd. Net zo goed als beelden van dieren bruikbaar zijn om mensen ‘eng’ te maken, kunnen beelden van dieren ook heel goed dienen om andere imago’s neer te zetten. Door handig gebruik van ‘dierlijke accessoires’ kunnen mensen hun plaats in de samenleving markeren. Het is niet ondenkbaar dat mannen zich graag met robuust ogende honden omringen om medemensen duidelijk te maken dat zij zelf sterke persoonlijkheden zijn, die in staat zijn controle uit te oefenen over hun gevaarlijk ogende viervoeters.

Pistolen Paultje

(Gemarginaliseerde) mensen kiezen overigens niet alleen dieren waarmee zij zichzelf in de ogen van de samenleving nog meer buitenspel zetten. Een schitterend voorbeeld van hoe mensen door inzet van dieren trachten hun imago te verzachten of te verbeteren is gegeven door Paul Wilking, beter bekend als Pistolen Paultje. Op zijn website www.pistolenpaultje.nl doet hij zelfs vier jaar na zijn dood in de rubrieken ‘dieren en klokkies’ en ‘auto’s en vrouwen’ nog uit de doeken hoe hij zijn schare vrouwelijke fans onder meer te danken heeft aan zijn inzet voor het dierenwelzijn. Zo’n ‘goeie jongen’ hoeft zich uiteraard niet te laten kieken met gevechtshonden en wurgslangen om te volharden in het imago van de ‘ruwe bolster met de blanke pit’. Foto’s met vuurwapens en reclame voor zijn inzet voor dieren zijn in dezen veel effectiever. In de populaire literatuur over – vermeende – kopstukken uit de wereld van de georganiseerde misdaad zijn veel meer voorbeelden te vinden waaruit blijkt dat figuren die alles pretenderen gedaan te hebben wat God verboden heeft, zich zelf hard op de borst kloppen omdat ze daarnaast ook in staat zijn om op tijd hun hond uit te laten of de kattenbak te verschonen.

Zodra dieren door populaire beeldvorming voor mensen echter verworden tot accessoires, lopen zij het risico slachtoffer te worden van modegrillen. Denk maar aan die arme hond van Paris Hilton. Net als Gucci-tassen kunnen dieren ‘in’ en ‘uit’ raken. In de optiek van mensen kunnen niet-menselijke dieren dan verworden tot levenloze dingen die gemakkelijk kunnen worden weggegooid of omgeruild. Het behoeft geen verdere uitleg dat het welzijn van dieren dan ernstig in het geding komt.

Mens als uitgangspunt

Al geruime tijd wijzen kritische sociale wetenschappers erop dat tal van diersoorten op een amorfe hoop worden gegooid onder de noemer ‘dier’, waarbij dikwijls buiten beschouwing wordt gelaten dat mensen ook dieren zijn. Maar daarmee zijn we er nog niet: frequent wordt gebruik gemaakt van de tweedeling menselijke versus niet-menselijke dieren. Bij het gebruik van deze tweedeling neemt de mens zichzelf als uitgangspunt. Met een dergelijke antropocentrische attitude, dat wil zeggen dat de mens als vertrekpunt van analyse wordt genomen, wordt de verscheidenheid in de rest van het dierenrijk echter ernstig onderschat. Met name de Belgische criminologe Geertrui Cazaux heeft zich sterk gemaakt voor een preciezer woordgebruik. Zij stelt voor om te spreken over ‘animals other than human animals’. Hoe inhoudelijk correct ook, omwille van de leesbaarheid in dit betoog wordt met betrekking tot dieren zo nu en dan toch het adjectief ‘(niet)-menselijk’ gebruikt.

Die discussie over te prefereren en te vermijden terminologie geeft al aan dat de manier waarop mensen naar andere dieren kijken sociaal geconstrueerd is. Afhankelijk van plaats en tijd leren mensen van kinds af aan welke dieren als ‘wild’, ‘tam’ of ‘gevaarlijk’ moeten worden beschouwd. Zo had de generatie van onze grootouders – onder andere vanwege een minder intensieve blootstelling aan het werk van de Disney-studio’s – een minder knuffelig beeld van boerderijdieren dan later gangbaar zou zijn. In 1964 gaf de beroemde antropologe Margareth Mead in haar onderzoek naar pathological homicide al aan dat de waardering voor het doden van niet-menselijke dieren in een samenleving sterk afhankelijk is van het beeld dat van het betreffende dier bestaat. In een westerse samenleving zal geen traan worden gelaten om een dood geslagen vlieg. Het verdrinken van een jonge kat zal op meer afkeuring stuiten. Deze voorbeelden onderstrepen nog eens dat mensen andere dieren niet als ‘feiten’ waarnemen, maar als sociaal geconstrueerde beelden, die in de eigen menselijke leefwereld worden ingepast.

Hondengevechten

Sceptische lezers zullen inmiddels wel denken: leuk hoor, die verhalen over Pistolen Paultje, maar wat moeten we hier verder mee? Om twee redenen is het zinnig om serieus na te denken over de relatie tussen de beeldvorming van als gevaarlijk gepercipieerde mensen en dito dieren. In de eerste plaats geeft dat een andere draai aan het onderzoek naar processen van sociale uitsluiting. Beelden van dieren zijn buitengewoon krachtig als het gaat om het apart zetten van bepaalde groepen mensen. Blader maar eens een willekeurige editie van de Monitor Racisme door: de racistische scheldpartijen en tirades waarin beelden van dieren worden gebruikt zijn niet van de lucht. Hiervoor is onder meer gewezen op antisemitisme en aanvallen op moslims op basis van door hen gebruikte slachtmethoden. Maar ook andere voorbeelden dienen zich aan. Zo bereiken ons uit de media met enige regelmaat berichten over alles behalve diervriendelijke praktijken, zoals hondengevechten, die zich met name in Antilliaanse kring zouden afspelen.

Daar is nooit systematisch onderzoek naar gedaan en een goed onderzoek zou zonder meer wenselijk zijn. Dan zou inzichtelijk kunnen worden gemaakt of specifieke etnische groepen daadwerkelijk bepaalde diersoorten inzetten, of dat er sprake is van een racistische campagne tegen een bepaalde groep mensen. Een ander voorbeeld: recent is Nederlands onderzoek verschenen naar huisdieren en de positie van de dierenarts bij niet-westerse allochtonen. Een van de bevindingen is dat deze allochtonen weliswaar minder vaak huisdieren hebben, maar dat zij in het peiljaar verhoudingsgewijs net zo vaak de dierenarts bezochten als autochtonen. Dit resultaat draagt bij aan het ontzenuwen van het vooroordeel dat een goede (medische) zorg voor huisdieren een typische westerse aangelegenheid zou zijn, en aan het ontkrachten van het stereotiepe beeld van een barbaarse en wrede omgang met dieren die zo kenmerkend wordt geacht voor niet-westerlingen. In een tijd waarin regelmatig uit politiek en samenleving de roep wordt gehoord ‘om de boel bij elkaar te houden’, lijkt dit buitengewoon zinvol onderzoek.

Dierenwelzijn

Om bij het voorbeeld van de hondengevechten en het onderzoek naar dierenartsen te blijven: het ligt voor de hand dat in dergelijke projecten ook aandacht uitgaat naar dierenwelzijn. Daarmee zijn we bij de tweede, maar zeker niet minder belangrijke motivatie voor de promotie van dieren op de criminologische onderzoeksagenda. Met name Geertrui Cazaux (zie kader) heeft er vaak op gehamerd dat het welzijn van dieren niet een afgeleid issue mag zijn van andere onderwerpen waar criminologen zich druk om maken.

Dierenwelzijn is een op zichzelf staand thema. Aandacht voor ‘modes en accessoires’ onder diereneigenaren en ‘dierenliefhebbers’ past uitstekend in dat stramien. Kredietcrisis of niet, in de (huis)dierenindustrie gaan nog steeds bedragen om waar de gemiddelde Nederlandse criminoloog met het oog op het eigen onderzoeksbudget alleen maar van kan dromen. Geld verdienen aan dieren gaat helaas niet altijd samen met een goede behandeling en dierenwelzijn. Denk in dit verband alleen al aan de handel in bedreigde soorten en de wanpraktijken van ‘broodfokkers’. Reden te meer om daar serieus aandacht aan te besteden.

Janine Janssen is hoofd onderzoek bij het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld. Daarnaast is zij geïnteresseerd in de positie van dieren in de criminologie. Onlangs publiceerde zij ‘Hondenbaan’, over de geschiedenis en werkzaamheden van de politiehond.

Dit artikel is een publicatie van Crimelink.
© Crimelink, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 12 juni 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.