Je leest:

Eigentijds, literair en homogeen

Eigentijds, literair en homogeen

Auteur: | 26 mei 2007

De Nieuwe Bijbelvertaling zal eind oktober bij de presentatie niet alleen tot veel media-aandacht leiden, maar ook tot allerlei vragen. Waarom moest de NBV er eigenlijk komen? Voor wie is de NBV bedoeld? Wat is het verschil met eerdere vertalingen? En wat hadden al die taal- en tekstwetenschappers en literatoren ermee te maken? Paul Gillaerts, nauw betrokken bij dit enorme vertaalproject, licht toe.

De Nieuwe Bijbelvertaling, die op 27 oktober in Rotterdam en op 29 oktober in Antwerpen plechtig zal worden gepresenteerd, is niet alleen een heel groot, maar ook een opmerkelijk project. Om te beginnen is er maar liefst tien jaar aan gewerkt, door honderden uiteenlopende deskundigen. Bovendien is het een gezamenlijke inspanning van de vier bijbelgenootschappen, die heeft geleid tot grofweg drie verschillende edities: voor protestanten, voor katholieken en voor joden.

Opmerkelijk is verder dat de nieuwe vertaling niet alleen bestemd is voor gebruik in liturgie en gebed, maar ook een plaats wil krijgen als cultuurbijbel in de bredere, grotendeels ontkerstende samenleving. De NBV is bedoeld als standaardvertaling voor het hele Nederlandse taalgebied, ook voor niet- of andersgelovigen.

Achterhaald

Waarom moest er zo’n nieuwe standaardvertaling komen? We hadden toch al de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap, de NBG-vertaling uit 1951? En de Statenvertaling, uit 1637, voldoet toch nog steeds in een aantal protestantse kerken? Dat mag waar zijn, net zoals het waar is dat de Statenvertaling een rol speelde bij de ontwikkeling van de geschreven standaardtaal en ook de natievorming mede heeft bepaald. Maar tegelijk is de Statenvertaling flink verouderd en zelfs niet helemaal begrijpelijk meer, ondanks verschillende pogingen tot modernisering. De NBG-vertaling, die in de meeste protestantse kerken wordt gebruikt, leunt nog sterk aan tegen de Statenvertaling en mag in feite ook als verouderd worden beschouwd.

Bovendien is zowel de Statenvertaling als de NBGvertaling gebaseerd op inmiddels achterhaalde inzichten. Ze zijn gemaakt volgens de zogenoemde formeel- equivalente vertaalmethode, die de kenmerken van het Hebreeuws, Grieks en Aramees zo veel mogelijk wil bewaren. Daarbij wordt ernaar gestreefd om elk woord in de brontekst op dezelfde manier in het Nederlands te vertalen. Het resultaat is een vertaling die geregeld erg exotisch overkomt – het heeft als het ware net geen Nederlands kunnen worden.

Neem nu Prediker 3:10, in de Statenvertaling: “Ik heb gezien de bezigheid, die God den kinderen der mensen gegeven heeft, om zichzelven daarmede te bekommeren.” Sommigen, vooral in literaire kringen, dwepen met uit exotisme, en beschouwen de Statenvertaling daarom als ‘literair’. Het archaïsch-exotische karakter van de protestantse bijbelvertaling, versterkt door de bijbelcultuur van de protestanten, heeft geleid tot een aparte tale Kanaäns, die nu nog de opvattingen over de taal van de bijbel en over religieus-godsdienstige taal in het algemeen bepaalt: die taal zou plechtig, hooggestemd moeten zijn.

Registers

De overtuiging dat bijbeltaal per definitie plechtige taal is, doet op geen enkele manier recht aan de ruime verscheidenheid van registers die in de bijbel worden gebruikt. Marcus bijvoorbeeld hanteert een heel ander soort Grieks dan Lucas. Elk vergt een eigen vertaling, met een eigen toonzetting: een soort omgangstalig Nederlands voor Marcus en een gecultiveerde standaardtaal voor Lucas. Kortom, in protestants Nederland is een nieuwe bijbelvertaling dringend nodig, maar daarom nog niet vanzelfsprekend.

In katholiek Nederland en in Vlaanderen is de situatie compleet anders. Daar beschikt men immers al enkele decennia over een moderne, verschillende keren bijgestelde vertaling, de Willibrordvertaling. Die is gemaakt volgens een ander principe: de zogeheten dynamisch-equivalente vertaalmethode, die recht doet aan de taalverschillen binnen de bijbel en het karakter van de doeltaal. De jongste complete editie dateert van 1995. Toch hebben ook de roomskatholieken in Noord en Zuid voluit aan de nieuwe vertaling meegewerkt, omdat ze daarmee beschikken over een nog jongere, meer homogene en bovendien interconfessionele bijbelvertaling, die goede diensten kan bewijzen naast de Willibrord.

Behalve de NBG- en de Willibrordvertaling is er sinds 1983 nog een andere veelgebruikte hedendaagse Nederlandstalige bijbel: de Groot Nieuws Bijbel, speciaal bestemd voor wie niet zo vertrouwd is met de geloofstaal. Deze bijbel in de omgangstaal legt in tegenstelling tot de NBG-vertaling veel nadruk op de begrijpelijkheid, vandaar dat er ook betrekkelijk veel in wordt uitgelegd, en er minder dan in de Willibrordvertaling wordt gelet op taal- en tekstkenmerken. En dat is ook meteen het nadeel van zo’n populariserende vertaling: het literaire karakter van veel bijbelboeken blijft op de achtergrond, wat een gemis is voor kerkelijke én onkerkelijke lezers.

Nieuwe inzichten

De NBV is dus nadrukkelijk gericht op de hele taalgemeenschap. Ook daarom is er bij het vertalen niet in de eerste plaats rekening gehouden met de diverse kerktheologische overwegingen, maar vooral met inzichten op het gebied van de bijbeluitlegkunde (‘exegese’ geheten) en de taal-, tekst- en vertaalwetenschap. Die inzichten zijn de jongste decennia indrukwekkend toegenomen. Ze hebben geleid tot een beter begrip van wat er in de grondtekst staat en hoe dat het best in het Nederlands van nu kan worden weergegeven. En passant is er hierdoor ook een brug geslagen tussen de verschillende kerkgenootschappen.

Wat betekent dit alles nu precies in de praktijk? Ter illustratie zijn in het kader hieronder zes verschillende versies afgedrukt van het vierde en vijfde vers uit Psalm 8. De Statenvertaling, de NBG-vertaling en de vertaling van Gerhardt en Van der Zeyde in de Willibrord zijn meteen herkenbaar aan hun verouderde taalvormen (“uwer vingeren werk”, “zijner”), het bijzondere woordgebruik (“aanziet”, “bereid”) of aan het gebruik van gij.

De vertaling van Gerhardt en Van der Zeyde is in de jongste Willibrordeditie vervangen door een meer toegankelijke, maar academische vertaling waarin de slaafs weergegeven parallellismen (“wat is de mens … / het mensenkind …”) hun literaire werking helemaal verloren hebben. Ook de Groot Nieuws Bijbel verliest aan zeggingskracht door de vervlakkende explicitering (“dan denk ik”) en het banaliserende woordgebruik (“dat u voor hem zorgt”). In de NBV is aan het literaire karakter van de psalm wél recht gedaan zonder in alledaagsheid of plechtstatigheid te vervallen.

Psalm 8:4-5 in zes vertalingen

Statenvertaling

4 Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt; 5 Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?

NBG-vertaling

4 Aanschouw ik uw hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt: 5 Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet?

Willibrordvertaling (Gerhardt/Van der Zeyde)

4 Als uw hemel ik zie – uwer vingeren werk, maan en sterren die gij daar stelde, 5 wat is dan de mens dat gij acht op hem slaat, het mensenkind dat gij hem aanziet?

Willibrordvertaling (herziene versie 1995) 4 Als ik de hemelkoepel zie, door uw vingers gevormd, als ik maan en sterren zie, door U daar aangebracht: 5 wat is de mens, dat U aan hem denkt, en het mensenkind, dat U voor hem zorgt?

Groot Nieuws Bijbel (1983,19982)

4 Als ik naar de hemel kijk, het werk van uw vingers, naar de maan en de sterren, door u daar vastgezet, 5 dan denk ik: Wat is toch de mens dat u om hem geeft, wat betekent hij dat u voor hem zorgt?

Nieuwe Bijbelvertaling

4 Zie ik de hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren door u daar bevestigd, 5 wat is dan de sterveling dat u aan hem denkt, het mensenkind

Hedendaagse poëzie

Wat uit die twee psalmverzen niet af te leiden valt, is de consequent volgehouden tekstgerichte benadering van de Nieuwe Bijbelvertaling. Zo is Psalm 8 net als de andere psalmen in strofen vertaald, omdat de hedendaagse lezer daardoor meteen ziet dat het om een literaire tekst gaat. Een dergelijke strofering van de psalmen is uiteraard niet willekeurig aangebracht, maar berust op een zorgvuldige analyse van de structuur van de grondtekst.

Bij verhalende teksten is speciaal gelet op motiefwoorden die de samenhang en de thematiek van het verhaal bepalen. In betogende teksten, bijvoorbeeld in Paulus’ brieven, is een ingewikkelde zinsbouw niet uit de weg gegaan, maar is er wel gelet op de voorleesbaarheid van de tekst, want die is bepalend voor de overtuigingskracht ervan.

Niet alleen de brontekst is goed in de gaten gehouden, maar ook de doeltaal. Of beter: de cultuur waarin de doeltaal tegenwoordig functioneert. Dat betekent dat archaïsmen en gekunstelde constructies niet bij voorbaat zijn uitgesloten, maar in de poëzie van de Psalmen bijvoorbeeld hebben moeten wijken voor een hedendaagse, parlando-achtige en sobere dichtwijze.

De vertaling van Gerhardt en Van der Zeyde, die alom terecht als een literair hoogstaande vertaling is geroemd, is nog gemaakt volgens inmiddels gedateerde opvattingen over wat poëzie is of zou moeten zijn. De NBV-vertalers van de psalmen (de dichter T. van Deel en de Groot Nieuws-vertaler Fons Jaakke) zorgden voor modernere poëzie, die wel iets weg heeft van het werk van Martinus Nijhoff en Rutger Kopland. Daarmee zijn de Psalmen in de hedendaagse poëzie opgenomen en als literaire teksten cultureel acceptabel gemaakt.

Een ander voorbeeld van de nauwkeurige oriëntatie op zowel de brontekst als de doeltaal is te vinden in de vertaling van het Evangelie van Marcus. Daarin komt het nevenschikkende voegwoord kai (‘en’) erg vaak voor. Het is een kenmerk van het omgangs-Grieks dat Marcus hanteert en moet dus niet worden vertaald. Maar het is ook een kenmerk van Marcus’ verhalende stijl: je kunt het als vertaler niet gewoon negeren. Een letterlijke vertaling van elk kai door en maakt de tekst vandaag onleesbaar en vervelend. In de NBV wordt en geregeld weggelaten, maar evengoed ook gecompenseerd door andere voegwoorden, en zelfs door witruimte, waardoor nieuwe alinea’s ontstaan en de verhaallijn beter te volgen is.

Supervisoren

Het spreekt vanzelf dat een vertaling van een dergelijke omvang en complexiteit geen zaak kan zijn van één persoon, zelfs niet van een handvol gedrevenen. Er is gewoon niemand die én de grondtalen én het Nederlands grondig genoeg beheerst en ook nog op de hoogte is van exegese en moderne taal-, tekst- en vertaalwetenschap. Daarom is er gewerkt met een hele ploeg, niet alleen van vertalers, maar ook van supervisoren, zowel uit Nederland als uit Vlaanderen.

Elke vertaling is gemaakt door een vertaalkoppel, telkens bestaande uit een grondtekstkenner (exegeet) en een doeltaalkenner (neerlandicus of vertaalwetenschapper). Door die betrokkenheid van de doeltaalspecialist is de NBV vergeleken met de meeste andere vertalingen opvallend eigentijds. Dat betekent niet dat modieus taalgebruik het kenmerk is van de nieuwe vertaling, want niets is zo snel verouderd als de mode. Ook werd niet een eenvoudig Nederlands beoogd. Veeleer is er gezocht naar een natuurlijk Nederlands: het precieze woord, de juiste wending – en daarbij is de hele rijkdom van het hedendaagse Nederlands in het geding.

Er werd meegelezen door supervisoren, afkomstig uit de verschillende kerken, en door het Vlaams lezerspanel, dat alle proefvertalingen heeft becommentarieerd vanuit een neerlandistieke invalshoek. Daarnaast hebben Nederlandse en Vlaamse literatoren en literatuurcritici de stilistische kwaliteit van de vertaling beoordeeld.

Bij het reageren op en verwerken van al het commentaar was het nodig dat er voldoende duidelijkheid was over de werkwijze en de veronderstellingen van waaruit er was vertaald. Daartoe is in de loop van het vertaaltraject een handboek tot stand gekomen waarin niet alleen de vertaalprincipes, maar ook de vertaalregels en -afspraken zijn vastgelegd. Jaarlijkse bijeenkomsten en een uitgebreide briefwisseling en rapportage hielden het gesprek met de supervisoren gaande.

Ook intern werd de interactie voortdurend gestimuleerd: in een veertigtal seminaries, vaak van verschillende dagen, hebben vertalers gediscussieerd en gerapporteerd over specifieke vertaalproblemen. Het kan niet anders of dit alles heeft bijgedragen aan de consistentie van de vertaling.

Diverse edities

De hele organisatie was in handen van lekenorganisaties. Het zenuwcentrum vormde Haarlem, de werkplek van het Nederlands Bijbelgenootschap, dat het hele project (geraamd op twaalf miljoen euro) heeft voorgefinancierd. Het NBG heeft in samenwerking met de Katholieke Bijbelstichting en hun Vlaamse tegenhangers het hele traject begeleid en ondersteund. De Nieuwe Bijbelvertaling is dus niet het initiatief of het werk van de verschillende kerken, en ook daarom was de inbreng van de supervisoren van belang.

Zoals gezegd zal de NBV in diverse edities verschijnen, bij verschillende uitgeverijen. Daarmee hoopt de Nieuwe Bijbelvertaling aansluiting te vinden bij de uiteenlopende verwachtingen en tradities, en zeker ook nieuwe, geseculariseerde lezers aan te spreken.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 26 mei 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.