Je leest:

Eigenrechter: held of misdadiger?

Eigenrechter: held of misdadiger?

Auteurs: , en | 29 augustus 2007

In elkaar slaan van winkeldieven, doodsteken van pedoseksuelen en schieten op overvallers: allemaal vormen van geweld die geen afschuw oproepen, maar van sommige burgers juist steun krijgen. Betekent dit dat Nederlanders geen vertrouwen hebben in het rechtssysteem? Onderzoek suggereert dat die conclusie niet zomaar kan worden getrokken.

Wie herinnert zich niet de ophef die ontstond toen de Albert Heijn medewerkers in 2002 werden vervolgd voor het mishandelen van een winkeldief? Zelfs Prins Bernhard sprak er schande van: deze medewerkers moesten juist beloond worden voor hun gedrag. Vormt dit soort maatschappelijke steun voor eigenrichting een bedreiging voor het strafrechtssysteem?

Niet alleen de Albert Heijn medewerkers konden rekenen op publieke steun, maar ook de ‘pedokiller’ uit Oosterhout die in 2002 de aanrander van zijn zoontje met messteken om het leven bracht, en de juwelier uit Tilburg die in datzelfde jaar een overvaller doodschoot. In plaats van te roepen om zware straffen, was men verontwaardigd dat deze ‘helden’ geen lintje kregen maar strafrechtelijk werden vervolgd.

Veel burgers zagen de medewerkers niet als boeven maar juist als helden. Zij deden tenminste wat tegen de criminaliteit. Dat ze vervolgens zelf het onderwerp werden van strafrechtelijke vervolging was de omgekeerde wereld.

Volgens het OM lag het anders. De medewerkers hadden als burgers het recht om iemand te arresteren. Als ze het daarbij hadden gelaten, was er niets aan de hand geweest. Echter, ze gingen te ver toen ze de dief mishandelden nadat ze hem hadden overmeesterd. Aangezien hij zich al over had gegeven, was dat volgens het OM nergens voor nodig. Het straffen van een crimineel is geen taak van burgers, maar moet aan justitie worden overgelaten. Als burgers dit toch doen, is er sprake van eigenrichting. Burgers die het recht in eigen hand nemen, vormen een bedreiging voor het rechtssysteem. We willen in Nederland tenslotte geen wildwest taferelen.

Geen vertrouwen in justitie?

Sommige politici gebruiken de steunbetuigingen aan eigenrechters om hun standpunt te onderbouwen dat Nederlanders geen vertrouwen meer hebben in het rechtssysteem. Immers, als burgers er positief tegenover staan dat andere burgers het recht in eigen hand nemen, betekent dat toch dat ze er niet op vertrouwen dat politie of justitie de situatie naar behoren kan oplossen? Burgers steunen eigenrichting toch niet als ze zelf wel vertrouwen hebben in het rechtssysteem? Of ligt het toch iets ingewikkelder?

Onderzoek van het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) bevestigt de verwachting dat de steun voor eigenrechters gedeeltelijk te maken heeft met het vertrouwen in het rechtssysteem. Zo uiten degenen met meer vertrouwen in de politie minder empathie voor de eigenrechter, en degenen die over het algemeen een positievere houding hebben ten opzichte van eigenrichting achten de eigenrechter minder strafwaardig. Steun voor eigenrichting in het concrete geval kan dus een indicatie zijn van de mate waarin burgers het strafrechtelijk systeem in het algemeen legitiem achten.

Maar de resultaten van het onderzoek laten ook zien dat kenmerken van een concreet incident van eigenrichting een rol spelen in de mate van steun die men opbrengt voor de eigenrechter. De steun voor eigenrechters hangt bijvoorbeeld af van de ernst van de aanleiding en de mate waarin de eigenrechter zijn acties plant. Hoe geringer de ernst van de aanleiding en hoe hoger de mate van planning, des te minder goedkeuring en empathie en des te meer strafwaardigheid in de ogen van de deelnemers aan het experiment. Uit analyses blijkt dat deze verschillen statistisch significant zijn, dus ze zijn niet te wijten aan toeval. Ernst en planning zijn allebei van invloed op de steun voor eigenrichting. Dit geeft aan dat maatschappelijke steun voor eigenrichting niet per se of uitsluitend hoeft te worden betrokken op de legitimiteit van het rechtssysteem.

Steun is ook afhankelijk van bepaalde kenmerken van het eigenrichting incident zelf. Er was bijvoorbeeld opvallend weinig steun toen supermarktmedewerkers in 2003 een vrouw (Anja Joos) die zij verdachten van diefstal, zoveel letsel bezorgden dat zij eraan overleed. Deze situatie is vergelijkbaar met het eerder genoemde Albert Heijn incident, maar in dit geval werd er juist geen steun betuigd voor de daders.

Gebroken neus om wisselgeld

De onderzoekers leggen een korte casus over eigenrichting voor aan proefpersonen. De casus betreft een student (Mark) die in een kroeg een biertje afrekent, en daarvoor te weinig wisselgeld terug krijgt. Hij spreekt daar de barman op aan, maar deze ontkent dat hij te weinig geld heeft teruggegeven. Mark reageert hierop door de barman achter de bar vandaan te trekken en hem te slaan en te schoppen. De barman houdt daar een gebroken neus en twee gekneusde ribben aan over.

263 studenten van de Universiteit Leiden deden mee aan het onderzoek. De gemiddelde leeftijd was 21 jaar. Van de ondervraagden was 71 procent vrouw. Ze zijn geworven bij onderwijsbijeenkomsten van psychologie, culturele antropologie, politicologie en pedagogiek.

Na het lezen van de casus, moeten de proefpersonen aangeven in hoeverre ze het eens zijn met stellingen als “Mark had volkomen gelijk om de barman te slaan” en “Mark had anders moeten reageren”. Op deze manier kunnen de onderzoekers de steun van proefpersonen voor de eigenrichting meten. Daarnaast meten de onderzoekers het vertrouwen van ondervraagden in het strafrechtelijk systeem. Dit doen ze aan de hand van stellingen als “Ons strafrechtelijk systeem functioneert goed” en “De politie is eerlijk en betrouwbaar”.

Om te kijken of steun (ook) afhankelijk is van kenmerken van het eigenrichting incident zelf, gebruiken de onderzoekers vier versies van de casus geschreven met twee wisselende factoren. De eerste factor is de ernst van de aanleiding, oftewel de ernst van de situatie waarop de eigenrechter reageert. In dit geval gaat het erom of Mark, die 2 euro wisselgeld krijgt, met 5 euro of met een briefje van 100 euro heeft betaald. De tweede factor is de mate van planning, oftewel of de eigenrechter spontaan en emotioneel reageert op de oplichting, of dat hij zijn daad van tevoren goed heeft doordacht en gepland. In de casus mishandelt de student de barman óf gelijk nadat deze ontkent hem te weinig wisselgeld te hebben teruggegeven, of hij gaat eerst naar huis en wacht de barman na sluitingstijd op om hem dan in elkaar te slaan. Elke deelnemer ontvangt één van de vier versies van de casus.

Figuur 1: Goedkeuring van eigenrichting (1=heel weinig; 5=heel veel).Figuur 2: Empathie voor eigenrichting (1=heel weinig; 5=heel veel). Figuur 3: Strafwaardigheid bij eigenrichting (1=heel weinig; 5=heel veel).

Uit het onderzoek blijkt dat de proefpersonen meer steun voor Mark hebben als hij voor 100 euro wordt opgelicht dan wanneer het gaat om 5 euro. Ze zoeken de oorzaak voor zijn gedrag in dat geval in de situatie in plaats van in Marks eigenschappen. Oftewel: Mark reageert vooral zo omdat hij voor 100 euro wordt opgelicht door de barman, niet omdat hij bijvoorbeeld een hele agressieve persoon is. Hij wordt daarom minder verantwoordelijk gehouden voor zijn gedrag, en krijgt daarom meer steun (vergeleken het geval van 5 euro). ‘Steun’ blijkt uit drie verschillende deelcomponenten te bestaan: goedkeuring, empathie en strafwaardigheid. Bij goedkeuring horen stellingen als “Mark heeft op de juiste manier gereageerd”; bij empathie hoort bijvoorbeeld de stelling “Ik leef met Mark mee”; bij strafwaardigheid horen stellingen als “Mark moet opgepakt worden wegens mishandeling”.

Uit een vergelijking tussen de gemiddelden op deze componenten bleek onder andere dat er zeer wel sprake kan zijn van empathie voor de eigenrechter, terwijl zijn gedrag tegelijkertijd wordt afgekeurd. Hoewel er onder burgers dus een zeker niveau van empathie kan bestaan voor een eigenrechter, betekent dat niet noodzakelijkerwijs dat men de eigenrichting goedkeurt of vindt dat de pleger van eigenrichting niet hoeft te worden bestraft. Dit resultaat relativeert het belang wat vaak wordt gehecht aan maatschappelijke steun voor eigenrichting.

Schuld groter bij geplande agressiviteit

Ook blijkt dat Mark meer schuld toegewezen krijgt wanneer hij naar huis gaat en besluit de barman te gaan opwachten, dan wanneer hij na de onenigheid met de barman gelijk begint te slaan. Plannen getuigt immers van intentie, aangezien de eigenrechter de tijd heeft gehad om over zijn gedrag en de consequenties na te denken en een weloverwogen keuze te maken. Meer schuldtoewijzing aan Mark leidt in dat geval tot minder steun voor zijn gedrag.

Bron: Haas, N.E., De Keijser, J.W., Vanderveen, G.N.G. (2007). Steun voor eigenrichting. Invloed van ernst van de aanleiding en mate van planning, een experiment. Tijdschrift voor Criminologie, 49.

Nicole Haas is promovenda bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) te Leiden.Jan de Keijser is senior onderzoeker bij het NSCR. Gabry Vanderveen is universitair docent bij de afdeling Criminologie en Penologie, Departement Strafrecht en Criminologie, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit Leiden.

Hulp bij werkstukken

Dit artikel is een publicatie van Kennislink/NSCR.
© Kennislink/NSCR, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 29 augustus 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.