Je leest:

Effecten van rewilding

Effecten van rewilding

Auteur: | 31 oktober 2018
iStockphoto

Door de focus op duidelijk zichtbare dieren en landschapsvormende processen, voegt rewilding duidelijk iets toe aan het huidige natuurbeheer, dat tot nu toe sterk ‘plantgeoriënteerd’ was. Daarnaast vult rewilding ook een gat dat traditioneel tussen natuurbeheerders, waterschappen en Rijkswaterstaat bleef liggen, namelijk dat van de natte natuur.

Rewilding is een relatief nieuwe vorm van natuurherstel. Het is daarom nog te vroeg om te kunnen zeggen wat het precies op de lange termijn oplevert. Toch zijn er nu ook al duidelijk zichtbare successen, zoals de eerste broedende visarend in de nieuw ingerichte en veel natuurlijker Biesbosch. Ook de kolonies van de witwang- en witvleugelsterns in de Groningse Korpswolderbuitenpolder lijken een direct resultaat van de dynamische inrichting van de polder als wateropvanggebied, waar peilfluctuaties op mogen treden. Langs de grote rivieren hebben de inrichtingsmaatregelen om meer ruimte voor de rivier te creëren, vaak in combinatie met begrazing, geleid tot een meetbare toename van de biodiversiteit tussen 1997 en 2012 in ruim driekwart van de onderzochte uiterwaarden.

Broedende witwangsterns waren een kroon op het werk van natuurbeheerders in de Groningse Korpswolder buitenpolder.
Rob Buiter, Heemstede

Ook het Compendium voor de Leefomgeving meldt een voorzichtige afname van het aantal bedreigde soorten sinds 1995, vooral in zoetwater- en moerasnatuur. Deels is dit toe te schrijven aan het omzetten van agrarisch gebied met een lage biodiversiteit naar natuur- en waterbergingsgebied. Ook verbeteringen in de waterkwaliteit dragen bij aan dit succes. Deze resultaten zijn hoopgevend. Als je een groot natuurgebied weet te creëren, dan weten plant- en diersoorten dit blijkbaar ook te vinden. Ondanks alle tegenslag is een deel van de Nederlandse natuur heel veerkrachtig.

Het valt op dat successen van rewilding vaak over dieren gaan, terwijl plantendeskundigen kritischer zijn, met name over grote grazers. Dieren, en zeker vogels, verspreiden zich veel sneller en kunnen dus ook snel reageren op nieuwe ontwikkelingen, net als bijvoorbeeld libellen. Bovendien reageren dieren anders op het ontstane landschap dan planten. Daardoor geeft hetzelfde landschap een verschillende perceptie: waar uiterwaarden met meidoornstruweel en ruigtekruiden uitstekend habitat bieden voor bes- en insectenetende vogels, vinden botanici hetzelfde gebied al snel veel te ruig, bijvoorbeeld omdat zij graag een landschap zien met soorten die gebaat zijn bij korte vegetaties met weinig dynamiek op droge en voedselarme bodem.

‘Veel’ of ‘weinig’ dieren

Een belangrijk aspect van de waardering van rewilding met grote herbivoren zit hem in de dichtheid van de dieren en de manier waarop populaties al dan niet worden beheerd. Waar jaarrond begrazing in natte gebieden ‘s zomers kan leiden tot een te lage begrazingsdruk naar de smaak van plantenliefhebbers en -onderzoekers, kan in drogere gebieden de dichtheid aan dieren zo oplopen dat men spreekt van overbegrazing. De term overbegrazing suggereert dat er een teveel aan grazers kan bestaan, wat weer impliceert dat er ook zoiets bestaat als ‘precies genoeg grazers’. Dit is evenwel geen natuurlijk gegeven; natuurlijke populaties van grote grazers kunnen enorm fluctueren in aantal, onder invloed van de productiviteit van een groeiseizoen, waterpeildynamiek, ziektes en predatie.

Een graasdichtheid die ‘precies goed’ is hangt dan ook vooral af van hoe men wil dat een natuurgebied er uitziet; het is dus eerder een subjectieve maat dan een natuurlijk gegeven. De Oostvaardersplassen en de Amsterdamse Waterleidingduinen worden nu nogal eens overbegraasd genoemd. Nog los van de dierenwelzijnsdiscussie zijn de dichtheden daar de afgelopen jaren zo hoog dat begrazing leidt tot afname van de vegetatiestructuur, met een afwisseling van bosjes en open grasland. Die afname heeft vervolgens ook een negatief effect op de zeer zichtbare – en hoorbare – zangvogelstand, maar kan tegelijk wel een positief effect hebben op de minder zichtbare insecten en bodemdieren, die juist van open, kort grasland houden.

Duizenden grazende damherten hebben een duidelijk effect op de begroeiing van de Amsterdamse Waterleidingduinen.
Rob Buiter, Heemstede

In de Oostvaardersplassen herbergt de huidige open grasvlakte enorm veel vogels, namelijk ongekende aantallen brandganzen en grauwe ganzen. Voor sommige liefhebbers zijn dit niet meer ‘de gewenste vogels’, zelfs al was de grauwe gans tot voor kort een bedreigde broedvogel in Nederland. De soort stierf in 1935 uit als broedvogel in ons land en keerde in de jaren vijftig van de vorige eeuw voorzichtig terug. Het kan blijkbaar verkeren: nu wordt hij op veel plaatsen al een plaag genoemd. In de Waterleidingduinen doet de zeldzame keizersmantel het prima, maar de overige dagvlinders niet, net zomin als zangvogels als de nachtegaal en gewenste duinplanten als het duinviooltje. Op zich zijn damherten heel goed in staat gebleken om het grootste beheerprobleem in het duin op te lossen: het openhouden van het rap dichtgroeiende duin, maar in dit geval levert dat niet het gewenste type open duin op, misschien zelfs wel een te open duin.

Jagen

In een dichtbevolkt land als Nederland, waar natuurgebieden klein zijn en grote predatoren ontbreken is het ingrijpen in herbivorenpopulaties geen taboe voor rewilding als natuurherstelmaatregel. Immers, in een compleet ecosysteem zouden predatoren een rol spelen bij het beheren van de grote herbivoren. In Nederland kan dat ingrijpen gebeuren door jacht of het verwijderen van dieren uit een gebied. Tegelijk is het niet zo dat een systeem pas ‘natuurlijk’ is wanneer er grote roofdieren in voorkomen. In veel ecosystemen over de wereld worden grote grazers meer door de hoeveelheid voedsel beperkt dan door de aanwezigheid van grote predatoren. In hoeverre jacht, predatie of een andere vorm van aantalsregulatie een noodzakelijke voorwaarde is voor optimale rewilding, is nog onderwerp van ecologisch debat.

In natuurlijke situaties laten predatoren hun invloed overigens meer voelen door het creëren van angst bij hun prooi, dan door het opeten van grote hoeveelheden herbivoren. In een ‘landschap van angst’ mijden de herbivoren gevaarlijke plekken in het landschap waar rovers kunnen schuilen. Op die plekken komt vervolgens ook meer ruimtelijke variatie in de vegetatie.

De manier waarop de rol van predator wordt vervuld, bepaalt dus ook hoe de herbivoren reageren. Wanneer de mens de rol van predator overneemt, hoeven de dieren niet per se gedood te worden, ze kunnen ook gevangen worden en verplaatst naar andere gebieden. Waar landelijk veel aandacht uitgaat naar de Oostvaardersplassen, is het belangrijk om te benadrukken dat dit het enige gebied is met grote grazers in Nederland waar dieren in zulke hoge dichtheden voorkomen. Dit komt deels door de enorme vruchtbaarheid van de voormalige Zuiderzee klei, maar ook door het tot nu toe gevoerde beheer, waarbij de winteromstandigheden bepalen hoeveel dieren er maximaal in het gebied kunnen leven.

In alle andere natuurgebieden met natuurlijke begrazing door ingeschaarde of inheemse herbivoren, worden de aantallen dieren op een lager niveau gehouden door actieve populatie-regulatie. Dit gebeurt via jacht in het geval van herten en wilde zwijnen. Runderen en paarden worden meestal weggevangen en elders geplaatst of ze eindigen via het slachthuis als streekproduct in het koelvak: het zogeheten wildernisvlees. Wanneer dit beheer de aantallen herbivoren zo laag houdt dat zij slechts een marginaal effect hebben op hun omgeving, waarmee ze hun natuurlijke rol in het ecosysteem niet kunnen vervullen, voldoet dit niet aan de concepten van rewilding.

Ondanks alle tegenslag is een deel van de Nederlandse natuur heel veerkrachtig.

Kansen voor rewilding

Er liggen volop kansen voor rewilding, niet alleen in Nederland. In heel Europa vindt versnelde urbanisatie plaats, waarbij het platteland steeds verder ontvolkt. Dit biedt mogelijkheden om na te denken over andere vormen van landgebruik dan alleen met intensieve landbouw. Zeker in combinatie met een voorbereiding op klimaatverandering zijn er legio mogelijkheden voor rewilding in combinatie met waterberging in tijden van overvloed, maar ook in tijden van droogte.

Daarnaast neemt een aantal soorten inheemse grotere dieren in Europa steeds verder toe, waardoor niet alleen herbivoren, maar ook grotere carnivoren ineens tot het repertoire van de beheerders gaan horen. Er zijn al aanwijzingen dat de wolf zich nu in Nederland aan het vestigen is, en ook de wilde kat hoort inmiddels weer bij de Nederlandse natuur. De veranderende publieke opinie over wilde dieren helpt ook. Zo wordt het wilde zwijn op steeds meer plaatsen gedoogd. Staatsbosbeheer maakt al langer reclame om de big five in Nederland te zien, inspelend op de belangstelling om in eigen land grotere dieren te kunnen zien.

Jonge grijze zeehond op het Waddeneilandje Richel. Volgens Staatsbosbeheer is de zeehond één van de Nederlandse ‘Big Five’ voor de bucketlist van natuurliefhebbers.
Rob Buiter, Heemstede

Het concept van rewilding maakt ook dat mensen actief gaan nadenken over wat natuurlijke processen eigenlijk zijn. Het concept ‘dood-doet-leven’ bestaat al veel langer, van het laten liggen van dood hout in bossen, tot dode dieren die uit het zicht van het publiek worden opgeruimd door natuurlijke aaseters. Wellicht is het ooit zelfs mogelijk dat een dode walvis, zoals die een enkele keer per jaar op onze stranden aanspoelt, blijft liggen op een plek waar niemand er last van heeft, om te worden opgeruimd door meeuwen en andere aaseters.

Door de focus op duidelijk zichtbare dieren en landschapsvormende processen, voegt rewilding duidelijk iets toe aan het huidige natuurbeheer, dat tot nu toe sterk ‘plantgeoriënteerd’ was. Daarnaast vult rewilding ook een gat dat traditioneel tussen natuurbeheerders, waterschappen en Rijkswaterstaat bleef liggen, namelijk dat van de natte natuur.

Rewilding van natte gebieden is vaak behoorlijk succesvol. De herintroductie van de bever in 1994 in de Biesbosch en diverse andere natuurgebieden is zelfs zo succesvol, dat in Limburg inmiddels een beverbeheerplan in werking is getreden vanwege ervaren overlast. Bevers kunnen met hun dammen gebieden onder water zetten waar de eigenaar daar helemaal niet op zit te wachten.

Sinds 2012 is de Atlantische steur een ‘nieuwe bever’. Met de herintroductie van deze inheemse vis, die meer dan drie meter lang kan worden, wordt het belang van goede passages voor trekvis benadrukt. Het is daarmee een echte ambassadeur voor een ecosysteem met goede verbindingen tussen grote wateren. De steur groeit op in zee en paait in de rivier, waardoor het een soort is die kan profiteren van de kier die eind 2018 in de Haringvlietsluizen wordt opengezet. Gezien de enorme hoeveelheid dammen die stroomopwaarts van de Haringvlietsluizen de doorgang belemmeren valt hier nog veel ambassadeurswerk te verrichten.

De meeste kans op succes voor rewilding ligt in het creëren van grote gebieden. Veel van de natuurlijke processen die gestimuleerd worden, komen veel beter tot hun recht op een grote schaal. De grootste schaal is daarbij een groot, afgelegen gebied dat vrij is van verdere invloeden van de mens: een ongestoorde wildernis dus.

Maar weinig plekken op aarde zijn nog zo ongestoord, in Nederland al helemaal niet. Toch is het een misverstand dat rewilding niet mogelijk zou zijn in dichtbevolkte gebieden. De natuurlijke processen zullen misschien niet compleet zijn, de top-predatoren ontbreken bijvoorbeeld, en het prepareren van een terrein en af en toe ingrijpen zal onvermijdelijk zijn. Maar het concept van het stimuleren van natuurlijke processen kan nog steeds.

De vraag is vooral: wanneer is rewilding een succes? Als rewilding inderdaad een vorm van natuurbeheer zonder vast einddoel is, is de verleiding misschien groot om tevreden achterover te leunen en maar te zien wat ervan komt. Maar rewilding heeft uiteindelijk wel degelijk een doel, namelijk het ruimte geven aan natuurlijke processen, wat vervolgens leidt tot completere ecosystemen met een hogere biodiversiteit dan voor de ingreep. Om de uitkomsten van rewilding te kunnen meten ontwikkelt de organisatie Rewilding Europe met wetenschappers een meetlat voor succes. Het idee is dat je niet vanuit de beginsituatie in één keer een wildernisreservaat hebt, maar dat het stapsgewijs richting een meer natuurlijk functionerend systeem gaat.

De mens heeft nadrukkelijk een rol binnen rewilding. In Nederland is natuur er immers ook om van te genieten, waardoor toegang voor publiek een belangrijk aspect is, als ook de mogelijkheid voor het publiek om dieren te zien. Dit verschaft ook een economische basis onder rewilding: een toename van toerisme. Een andere economische pijler is het idee dat extensief beheer goedkoper zal zijn dan bijvoorbeeld hooilandbeheer door loonwerkers, zeker in grote gebieden.

Een belangrijke voorwaarde is dan wel dat de betrokken grote grazers als wilde dieren worden gezien en niet als landbouwhuisdieren. Nu staat de wet dat alleen nog maar toe in natuurgebieden van 5.000 hectare en groter. Doordat de grazers in kleine gebieden als landbouwhuisdieren worden gezien, met alle noodzakelijke veterinaire en beheersmaatregelen die daarbij horen, is begrazingsbeheer in die gebieden per saldo nog niet veel goedkoper dan beheer met de maaimachine.

Bij overlast door dieren, waterpeil of andere factoren, kunnen beheerders ingrijpen. In onze drukbevolkte delta zal rewilding een balans moeten vinden tussen wat moet en wat kan in de mens-gedomineerde context. Daarom zou je wellicht zelfs van urban rewilding kunnen spreken: een compleet ongerepte wildernis is niet mogelijk in dichtbevolkte gebieden, maar meer ruimte voor, en begrip en waardering van natuurlijke processen in heel veel gevallen wel.

Historici zijn soms bezorgd dat rewilding sporen van menselijk gebruik in het landschap zal uitwissen en daarmee het lezen van het menselijk verleden in het landschap tenietdoet. In principe is dat waar, deze vorm van beheer beoogt niet de menselijke sporen in het landschap te behouden, maar de sporen die rivieren of dieren achterlaten. Daarmee is het niet zo dat rewilding niet om landschappen geeft; het werkt juist op landschapsschaal, alleen waardeert zij een landschap dat is vormgegeven door natuurlijke elementen in plaats van door de mens.

Lees het volgende artikel van het thema ‘Natuur in Nederland’

‘De damherten eten de biodiversiteit op’

Rob Buiter
Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 31 oktober 2018

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.