Je leest:

Eerlijk en open ondernemerschap

Eerlijk en open ondernemerschap

Auteurs: en | 7 december 2007

Maatschappelijke jaarverslagen geven geen objectief beeld van de invloed van bedrijven op sociaal en milieugebied. Er is daarom een roep om meer overheidsregulering. Het succes van sociale jaarverslagen ligt in de hand van sterke onafhankelijke intermediaire organisaties die de informatie verzamelen, verwerken en verspreiden.

Vandaag de dag wordt de wereld geconfronteerd met complexe sociale en ecologische vragen. De overheid schiet tekort om deze problemen adequaat te beantwoorden. Dit heeft geleid tot interesse in het zelfsturend vermogen van de markt in de vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), waarbij bedrijven zelf verantwoordelijkheid afleggen inzake de sociale en ecologische gevolgen van hun operaties aan diverse stakeholders (belanghebbenden).

MVO is nauw verbonden met transparantie. Een transparante organisatie biedt op adequate wijze inzicht in voor de stakeholders relevante aangelegenheden. Transparantie kan worden beschouwd als een integraal onderdeel van MVO. MVO zal een marginaal verschijnsel blijven als de maatschappelijk effecten van bedrijfshandelen intransparant blijven.

Teveel PR in maatschappelijke jaarverslagen

Uit een recent onderzoek van Ernst & Young (2007) blijkt dat bedrijven moeite hebben om hun maatschappelijke jaarverslagen de status van glossy pr-folder te laten ontgroeien. Deze bevinding staat niet op zichzelf. Experts op het gebied van sociale jaarverslagen hebben al veel eerder betoogd dat de transparantie in MVO tekort schiet. Walden en Schwarz (1997) tonen bijvoorbeeld aan dat het twijfelachtig is dat ondernemingen vrijwillig inzicht zullen geven in informatie die hun eigen winstmogelijkheden kunnen schaden.

Owen et al. (2000) beweren op basis van interviews dat het management sociale audits vooral gebruikt als instrument in hun public relations. Het management is geneigd voornamelijk goed nieuws naar buiten te brengen, maar is onwillig om slecht nieuws openbaar te maken. In een studie van Australische bedrijven die de milieuwet overtreden hadden, tonen Deegan en Rankin (1996) aan dat deze bedrijven desondanks voornamelijk positief nieuws naar buiten brachten. Het gemiddeld aantal woorden dat besteed werd aan het negatieve nieuws was slechts 5,5 woorden. Slechts een op de tien ondernemingen verwees in hun jaarverslag naar de overtreding van de milieuwet. Sterker nog: de vervolgde ondernemingen besteedden zelfs significant meer aandacht aan positief nieuws over hun MVO dan ondernemingen die niet vervolgd werden. Dit wijst erop dat bedrijven hun jaarverslag gebruiken om de aandacht van slecht nieuws af te leiden.

…geen relatie tussen de milieuprestaties die de ondernemingen presenteren in hun jaarverslagen en hun feitelijke milieuprestaties… (Bron afbeelding: MVO Belgie)

Ook Wiseman (1982) vindt voor ondernemingen in de VS dat er geen relatie is tussen de milieuprestaties die de ondernemingen presenteren in hun jaarverslagen en hun feitelijke milieuprestaties. Berthelot et al. (2003) refereren naar diverse andere onderzoeken die aantonen dat vrijwillige rapportage van milieueffecten geen betrouwbare indicatoren levert van de milieuperformance van bedrijven. Volgens Gray (2001) zijn sociale jaarverslagen zo incompleet dat men moet concluderen dat zij ofwel zonde van de tijd en het geld zijn of zelfs een weloverwogen poging vormen om de samenleving te misleiden aangaande de kwaliteit van MVO.

Hess en Dunfee (2007) stellen dat, omdat het niet mogelijk is om te weten of een bedrijf de waarheid vertelt of enkel goedkope praatjes verkoopt, stakeholders zich zullen afkeren van dit type informatie. Wat resulteert is een babbling equilibrium. In deze situatie kan een bedrijf het imago van MVO aannemen zonder daadwerkelijk zorg te dragen dat onverantwoorde zaken uitgebannen worden. Percepties worden beinvloed zonder dat er feitelijk iets verandert.

Wat is de rol van de overheid hierbij?

Als bedrijven zelf onvoldoende prikkel hebben om transparant te zijn over hun MVO-prestaties, rijst de vraag of de overheid deze situatie kan verbeteren door regulering. Moet de overheid het huidige beleid van zelfregulering verlaten en in plaats daarvan een strak controlerend beleid gaan voeren, waarbij bedrijven gedwongen worden om bepaalde informatie te leveren, zoals verschillende ngo’s bepleiten? Om deze vraag te beantwoorden, schetst Figuur 1 eerst het speelveld van actoren die momenteel betrokken zijn bij de informatiestroom rond MVO.

Figuur 1: Transparantiepolitiek van overheid: het speelveld

Wij onderscheiden vier typen actoren: individuele stakeholders in hun rol van consument, werknemer, investeerder en burger alsook hun representatieve organisaties zoals consumentenorganisaties, vakbonden en ngo’s; informatie kanaliserende intermediaire organisaties; de overheid; de individuele bedrijven en hun belangenorganisaties.

De individuele stakeholders of hun representatieve organisaties kunnen bedrijven direct benaderen en om meer transparantie vragen in sociale verslaggeving. Als drukmiddel kunnen zij hun keuzevrijheid in de vraag naar goederen en diensten respectievelijk investeringen in aandelen, interne protesten of in- of uitdiensttreding als werknemer of publieke meningsuiting gebruiken. Omdat individuele stakeholders beperkte macht hebben om bedrijven onder druk te zetten, zullen zij hun acties vaak coordineren door middel van hun belangenorganisaties.

Veel van deze screening organisaties zijn ontstaan uit ngo-initiatieven en waren aanvankelijk klein, maar zijn inmiddels geprofessionaliseerd zowel organisatorisch als methodologisch, met eigen professionele standaarden ten aanzien van de kwaliteit en methode van onderzoek. Hun rol beperkt zich niet tot het verzamelen en controleren van MVO-informatie, maar ook in de communicatie daarvan aan het publiek. Op webgebaseerde spelers zoals het Kauri-netwerk in Belgie en nieuwe bladen zoals P3 in Nederland of Alter Business in Belgie populariseren recente MVO-ontwikkelingen. De directe invloed van deze infomediares is evenwel beperkt. Overheden hebben tot nu weinig gedaan om hun ontwikkeling te steunen.

…ethische screeningorganisaties zoals EIRIS (Londen) of VIGEO (Parijs) verzamelen allerlei vormen van MVO informatie van bedrijven, construeren MVO -­profielen en verkopen deze informatie aan wie daarin geinteresseerd is… (Bron afbeelding: Eiris)

De derde actor is de overheid. De overheid heeft twee beleidsopties om transparantie in MVO te bevorderen: een strakke controle enerzijds en stimulering van zelfregulering anderzijds. Bij een strakke controle van hogerhand dwingt de overheid bedrijven informatie over de sociale en ecologische effecten van haar onderneming te publiceren in het jaarverslag. Een dergelijk beleid bestaat uit drie elementen. Allereerst is een set van regels nodig die aangeeft welke MVO-informatie bedrijven dienen te publiceren. Vervolgens dienen er procedures te zijn die de controle op deze informatie mogelijk maakt en sancties stelt op nalatigheid. Tenslotte dient de informatie verspreid te worden onder de relevante stakeholders.

De tweede strategie die de overheid kan volgen gaat uit van zelfregulering, waarbij de overheid diverse middelen inzet om de transparantie in MVO te vergemakkelijken. Deze strategie is in Nederland prominent. De Nederlandse overheid subsidieert het Global Reporting Initiative (GRI), prijzen voor best practices, labels, onderzoek naar transparantie, CSR-toolkits, duurzaamheidscans en de waakhondfunctie van ngo en verspreidt informatie via het Nationaal Contact Punt en verschillende websites. Verder heeft de Nederlandse overheid een MVO test die minimumvereisten definieert voor bedrijven die in aanmerking willen komen voor verschillende export- of investeringssubsidies. De Nederlandse overheid heeft ook het onderzoek naar een conceptueel raamwerk voor een sociaal verslag gefinancierd, resulterend in de publicaties over Richtlijn 400.

Zelfregulering bedrijven werkt niet voldoende

Ondanks al deze maatregelen blijft de transparantie van MVO beneden peil. De publieke beschikbaarheid van MVO-­informatie is mondjesmaat. De transparantiebenchmark van het Ministerie van Economische Zaken laat zien dat slechts vijf procent van de grote ondernemingen aan alle kwaliteitscriteria van transparantie voldoen.

Ngo’s hebben maar een beperkte toegang en capaciteit om het handelen van ondernemingen te monitoren. Informatie is vaak incompleet en niet erg relevant voor verschillende typen stakeholders. Teveel bedrijven bieden te weinig en te gefragmenteerde informatie over de keten van hun producten en over de arbeidsomstandigheden waaronder deze gemaakt worden. Voorts zijn de gegevens in de sociale verslagen vaak moeilijk vergelijkbaar over de tijd en tussen bedrijven onderling.

Of het bedrijf haar prestaties verbeterd heeft, is daarom niet na te gaan, zo constateert ook het recente rapport van Ernst & Young. Alhoewel bedrijven de richtlijnen van het GRI veelal zeggen te ondersteunen, doen zich in de praktijk grote verschillen voor in de toepassing daarvan. De conclusie is daarom dat de strategie van zelfregulering en facilitering onvoldoende vrucht afwerpt.

Command and control wel effectief?

Ngo’s pleiten daarom voor een command and control beleid. Wettelijk verplichte rapportering zal tot meer sociale verslagen leiden en tot meer objectieve informatie. Het creëert een level playing field tussen bedrijven die wel transparant zijn en bedrijven die dat niet zijn. In verschillende Europese landen tekent zich een trend af dat overheden een beleid van zelfregulering verlaten en experimenteren met verplichte vormen van rapportering, zoals Denemarken, Zweden, Noorwegen, het VK en Frankrijk. Ook in Nederland bestaat al een wettelijke verplichting voor grote bedrijven om in hun jaarverslag te rapporteren over arbeid en milieu. Deze verplichting vloeit voort uit Europese wetgeving (richtlijn 2003/51/EG). Echter, de wet biedt geen concrete richtlijnen ten aanzien van welk type informatie vereist is. Bedrijven houden daarom een grote mate van vrijheid in het toepassen van deze wet.

Aan het uitbreiden van de wettelijke verplichting kleven evenwel verschillende nadelen. Allereerst, alhoewel de informatietechnologie de verzameling en bewerking van informatie veel goedkoper heeft gemaakt, zijn er aan het verzamelen van informatie op het gebied van MVO nog steeds belangrijke kosten verbonden, zeker als deze informatie ook betrekking dient te hebben op alle leveringen die voorafgaan aan het eindproduct. Een tweede probleem is de begrensde rationaliteit van de stakeholders. De kennis van het complete productieproces is vaak beperkt. De informatie kan daarom ook makkelijk misbruikt of verkeerd geïnterpreteerd worden.

Een derde probleem is dat het vaak moeilijk is om de juiste mate van detail voor te schrijven. Teveel detail maakt de informatie complex en ontoegankelijk, maar te weinig detail bergt het gevaar dat de informatie inhoudsloos wordt. Een voorbeeld hiervan is de financiele bijsluiter voor bankproducten die de Autoriteit Financiele Markten verplichtte bij de verstrekking van complexe financiele producten als hypotheken, koopsompolissen en beleggingsfondsen.

De bijsluiter beoogde het inzicht in en de vergelijkbaarheid van deze producten te verbeteren om de financiele consument te beschermen. Uit een evaluatie bleek echter dat de bijsluiter onduidelijk en te complex is en nauwelijks wordt gelezen. Slechts zeven procent van de consumenten van een complex financieel product heeft meerdere bijsluiters met elkaar vergeleken en heeft enigszins baat daarvan gehad.

Tot slot zullen er ook veel kosten zijn aan het controleren van de informatiestroom. In dit verband is het veelzeggend dat in 2005 slechts vijftien procent van de bedrijven die wettelijk verplicht zijn te rapporteren over duurzaamheid daadwerkelijk indicatoren van hun duurzaamheidprestaties in hun jaarverslag presenteren. Al met al bestaat er gerede twijfel of een strikt command and control beleid wel tot het gewenste niveau van transparantie leidt.

…Wettelijk verplichte rapportering zal tot meer sociale verslagen leiden en tot meer objectieve informatie.(…), maar er bestaat gerede twijfel of een strikt command and control beleid wel tot het gewenste niveau van transparantie leidt… (Bron afbeelding: BVA)

Sleutel tot succes

Als aan zowel zelfregulering als command and control belangrijke nadelen verbonden zijn, hoe kan de overheid dan ervoor zorgen dat de transparantie in MVO verbetert? De sleutel ligt bij een versterking van de positie van de intermediaire organisaties. In dit verband is een vergelijking met de rapportering van financiele informatie nuttig. Historische studies laten zien dat rapportering van financiele informatie in eerste instantie op een vrijwillige wijze tot stand kwam, maar gekenmerkt werd door grote afwisseling in de mate van rapportering en de betrouwbaarheid van informatie. Het duurde meerdere decennia vooraleer een min of meer betrouwbaar systeem van financiele rapportering tot stand kwam.

Tegenwoordig is de financiele informatievoorziening een in grote mate zelfsturend subsysteem dat gekenmerkt wordt door een mix van zelfregulering en klassieke command and control, waarbij de rechtstreekse ingreep van de overheid gradueel toegenomen is, meestal als antwoord op een serie schandalen zoals recent nog gebeurde met de Sarbanes-Oxley wetgeving.

Financiele informatie wordt aangeleverd door bedrijven, maar gecontroleerd door onafhankelijke professionele organisaties. Rating organisaties zoals Moody’s of Standard & Poor’s vertalen de financiele informatie in duidelijke indicatoren voor gebruikers. Internationale accountantsorganisaties zijn constant bezig om de bestaande accountingtechnieken te evalueren en te verbeteren teneinde de kwaliteit en vergelijkbaarheid van de financiele informatie te bevorderen. Deze professionele organisaties worden zelf weer gereguleerd door een mix van zelfregulerende lichamen en stringente wettelijke regels.

In de kinderschoenen

MVO rapportering staat in vergelijking met financiele rapportering duidelijk nog in de kinderschoenen en is in die zin vergelijkbaar met de situatie in de jaren twintig van de vorige eeuw. Met het ontstaan van intermediaire organisaties en de standaardisering van financiele informatie werden belangrijke stappen vooruit gezet. Tot nu toe is de positie van de intermediaire organisaties op het gebied van MVO evenwel te zwak. Infomediares zoals Innovest Strategic Value Advisors bieden hun klanten informatie over de milieu en sociale prestaties van bedrijven, maar deze informatie is niet publiek beschikbaar.

Een van de vereisten is daarom bedrijven te verplichten MVO-informatie te verstrekken volgens de standaarden van deze onafhankelijke accountantorganisaties en deze informatie publiek beschikbaar te maken. Het versterken van de rol van infomediares zal tot een daling van de kosten van het aanbieden van MVO-informatie leiden. Intermediares zijn in staat om de ruwe data te verwerken tot hanteerbare indicatoren naar gelang de behoeften van verschillende stakeholders. Lagere kosten zijn cruciaal voor het proces van verdere professionalisering van MVO ­transparantie. Het vergroot het aantal bedrijven dat een positief belang heeft bij transparantiesystemen voor MVO.

Een beperkt wettelijk kader waarbij bedrijven verplicht worden informatie beschikbaar te stellen conform de standaarden van intermediaire organisaties kan hierbij nuttig zijn. Het kan een verdere standaardisering van de informatiestroom mogelijk maken en draagt bij tot een level playing field voor concurrentie op het gebied van MVO die de ondernemingen met best practices bevoordeelt. Als voldoende ondernemingen belang krijgen bij transparantie, zal dit een push geven voor verdere verbetering van de regelgeving.

…MVO-­rapportering staat in vergelijking met financiele rapportering duidelijk nog in de kinderschoenen en is in die zin vergelijkbaar met de situatie in de jaren twintig van de vorige eeuw…

Niet over een nacht ijs

Wij verwachten dat deze professionele standaarden bedrijven voldoende vrijheid zullen bieden in de wijze waarop zij MVO rapporteren, maar dat de scope en nauwkeurigheid van de standaarden geleidelijk zal verbeteren. In de VS duurde het immers vele jaren om het huidige niveau van geavanceerde accountantstandaarden te ontwikkelen na de introductie van de wettelijke verplichting van verstrekking van financiele informatie in 1934. Gedurende deze tijd was publicatie een wettelijke plicht, maar de precieze invulling van deze plicht ontwikkelde zich geleidelijk naargelang de behoeften en de mogelijkheden.

Intermediaire organisaties kunnen ook belangrijk bijdragen aan de kwaliteit van de informatie. Door de externe verificatie die infomediares bieden zal de betrouwbaarheid van de informatie verbeteren. Zij hebben er geen belang bij om negatieve informatie achter te houden. Dit komt de volledigheid en onpartijdigheid van de informatie ten goede. Ook zijn deze organisaties in staat om aan te geven welke mate van detail van informatie nodig is. Dit voorkomt dat jaarverslagen een hoog PR gehalte krijgen zonder veel controleerbare details.

De kennis van infomediares stelt hen ook in staat om geen onrealistische en kostbare details te eisen of complexe informatie die niet betrouwbaar is. Voorts zal standaardisatie de vergelijkbaarheid van de MVO informatie verbeteren. Al deze verbeteringen dragen ertoe bij dat de baten voor de vragers naar deze informatie hoger worden. Naarmate gebruikers meer baat hebben van MVO informatie, zal de kans dat deze informatie gebruikt wordt in de dagelijkse besluitvorming toenemen.

…door de externe verificatie die infomediares bieden zal de betrouwbaarheid van de informatie verbeteren…

Hoopvolle conclusie

Momenteel steunt het MVO transparantiebeleid van de overheid voornamelijk op zelfregulering en -facilitering. Dit biedt bedrijven te weinig prikkels om hun MVO prestaties naar buiten te brengen. Een stringent command and control beleid zal echter hoge kosten met zich brengen. Een verbetering van de transparantie in MVO kan alleen worden bereikt door een versterking van de rol van intermediaire organisaties, zoals ook heeft plaatsgevonden in de financiele informatiestroom.

Dit verzekert een kostenefficient proces van geleidelijke professionalisering van de MVO informatievoorziening, waarbij procedurele kwaliteitseisen zoals compleetheid, vergelijkbaarheid, onafhankelijke verificatie en onpartijdigheid steeds beter gerealiseerd zullen worden. Als het voor steeds meer aanbieders en vragers interessant wordt om deze kennis aan te bieden en te gebruiken, ligt een opwaartse spiraal van verdere professionalisering in het verschiet.

Literatuur

Bartels, W. (2006) Directieverslagen te mager, People Planet Profit, 5(1), 29. Barton, J. en G. Waymire (2004) Investor protection under unregulated financial reporting, Journal of Accounting and Economics, 38, 65-116. Berthelot, S., D. Cormier en M. Magnan (2003) Environmental disclosure research: review and synthesis. Journal of Accounting Literature, 22, 1-44. Deegan, C. en M. Rankin (1996) Do Australian companies report environmental news objectively? An analysis of environmental disclosures by firms prosecuted successfully by the environmental protection authority. Accounting, Auditing & Accountability Journal, 9(2), 50-67. Ernst & Young (2007) De balans opgemaakt. Kwaliteitsvergelijking maatschappelijke jaarverslagen 2006, http://www.ey.nl/?pag=788&nieuws_id=3113. Fung, A., D. Weil, M. Graham en E. Fagotto (2004) The political economy of transparency: What makes disclosure effective? Ash Institute for Democratic Governance and Innovation, Working paper OP-03-04. Graafland, J.J. en S. Eijffinger (2004) Corporate social responsibility of Dutch companies: Benchmarking, transparency and robustness. De Economist, 152(3), 403-426. Graafland, J. en B. van de Ven (2006) Strategic and moral motivation for corporate social responsibility, Journal of Corporate Citizenship, 22(juni), 111-123. Gray, R. (2001) Thirty years of social accounting, reporting and auditing: What (if anything) have we learned?. Business Ethics: A European Review, 10(1), 9-15. Hess, D. (2007) Social reporting and new governance regulation: The prospects of achieving corporate accountability through transparency. Business Ethics Quarterly, 17(3), 453-76. Hess, D. en T. W. Dunfee (2007) The Kasky-Nike threat to corporate social reporting: Implementing a standard of optimal truthful disclosure as a solution, Business Ethics Quarterly, 17(1), 5-32. Hooghiemstra, R. (2000) Corporate communication and impression management: New perspectives why companies engage in social reporting. Journal of Business Ethics, 27(1-2), 55-68. Kaptein, M. (2003) De open onderneming: een bedrijfsethisch vraagstuk, In: M. Kaptein en Wempe, J. De Open Onderneming. Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam. Kolk, A., Tulder, R. van en I. Sloekers (2001) Werken gedragscodes kinderarbeid?, ESB, 86(4295), 160-163. KPMG (2005) KPMG International Survey of Corporate Responsibility Reporting 2005. Amsterdam: KPMG. KPMG (2006) Carrots and sticks for starters. Current trends and approaches in voluntary and mandatory standards for sustainability reporting, www. unep.fr/outreach/reporting/docs/Public-UNEP-KPMG-Report-FIN.pdf. Jeurissen, R. (red.) (2000) Bedrijfsethiek. Een goede zaak. Assen: Van Gorcum. Ministerie van Economische Zaken (2004) Transparantie benchmark. Den Haag: Ministerie van EZ. Ministerie van Economische Zaken (2007) Terugblikken en vooruitzien. Voortgangsonderzoek Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (2001-2006). Den Haag: Ministerie van EZ. Overfelt, W. Van, M. Deloof, en A. Vanstraelen (2007) The quality of unregulated financial reporting: evidence from the early 20th century. Ongepubliceerd manuscript. Owen, D.L., T.A. Swift, C. Humphrey en M. Bowerman (2000) The new social audits: Accountability, managerial capture or the agenda of social champions? The European Accounting Review, 9(1), 81-98. Raad voor de Jaarverslaggeving (2003) Annual Report Guideline 400. Deventer: Kluwer. Ruhnka, J.C. en H. Boerstler (1998) Governmental incentives for corporate self-regulation. Journal of Business Ethics, 17(3), 309-26. Tapscott, D en D. Ticoll (2003) The naked corporation: How the age of transparency will revolutionize business. New York: Free Press. Walden, W.D. en B.N. Schwarz (1997) Environmental disclosures and public pressure policy. Journal of Accounting and Public Policy, 16(2), 125-54. Wiseman, J. (1982) An evaluation of environmental disclosures made in corporate annual reports. Accounting Organizations and Society, 7(1), 53-63.

Dit artikel is een publicatie van Economisch Statistische Berichten (ESB).
© Economisch Statistische Berichten (ESB), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 07 december 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.