Je leest:

Eén wonder is alvast de wereld uit

Eén wonder is alvast de wereld uit

Als het bloed van San Gennaro niet gaat vloeien, ziet het er voor de stad Napels somber uit. Gelukkig voor de Napolitanen vloeit het bloed meestal wel. Het is een wonder waarvoor geen natuurlijke verklaring zou zijn. Of toch?

Elk jaar op 19 september wacht Napels met spanning op het schouwspel. In de Duomo, de Napolitaanse kathedraal, stromen duizenden gelovigen samen. Via de Italiaanse radio en televisie volgen miljoenen de gebeurtenis. Het gaat om een zilveren reliekhouder die de aartsbisschop uit een kapel te voorschijn haalt. In deze houder bevinden zich twee kleine, glazen ampullen. Beide ampullen bevatten een vaste, roodbruine substantie. Volgens de kerk is dit het gestolde bloed van San Gennaro, de beschermheilige van Napels.

In een schrijn die staat opgesteld in een kapel van de Napolitaanse kathedraal bevindt zich een reliekhouder met daarin het gestolde bloed van San Gennaro. Op bepaalde dagen van het jaar voltrekt zich een wonder. Het gestolde bloed wordt plotseling weer vloeibaar. Het vloeibaar worden van het bloed is in het verleden ook wel eens waargenomen bij reparatiewerkzaamheden van de schrijn. Dit bracht Italiaanse onderzoekers ertoe naar een stof te zoeken die door trillingen of door schudden verandert van een vaste stof in een vloeistof.

De aartsbisschop houdt een mis ter herdenking van de sterfdag van de heilige. Vervolgens vraagt hij iedereen hardop te gaan bidden. Na een soms wel uren durend gebed gebeurt er iets vreemds. Het gestolde bloed begint te vloeien.

Eerst zijn er alleen maar een paar druppels te zien. Maar dan zwaait de aartsbisschop met de reliekhouder. Vervolgens begint de substantie te schuimen. Dan, plotseling, wordt de gehele inhoud vloeibaar. Als de reliekhouder nu wordt heen en weer gezwaaid, kan iedereen het geklots van het bloed duidelijk volgen.

Het vloeibaar worden van het gestolde bloed van San Gennaro wordt hier getoond door de reliekhouder schuin te houden.

Het is een wonder! San Gennaro (in het Nederlands de heilige Januarius) was volgens een zevende-eeuwse heiligenbeschrijving bisschop van Benevento, een stad in de bergen achter Napels. Hij was een van de slachtoffers van de christenvervolgingen onder keizer Diocletianus. In 305 kwam hij naar Napels om de christenen daar te bemoedigen. Daar werd hij met zes gezellen opgepakt en voor de wilde dieren gegooid. De legende wil dat de dieren zich aan zijn voeten legden en zijn handen gingen likken. Boos liet de Romeinse prefect hem onthoofden. Dat was op 19 september. Naar men zegt ving een vrome vrouw het bloed op dat van het schavot afdroop.

Al in de vijfde eeuw werden de stoffelijke overblijfselen van San Gennaro in Napels vereerd. In 831 werden zij over overgebracht naar Benevento en in 1154 naar een klooster in Pozzuoli. In 1497 werden zij tenslotte naar Napels teruggebracht.

Op 17 augustus 1389 voltrekt zich tijdens een processie voor het eerst het wonder. Later gebeurt dat regelmatig twee keer per jaar: op 19 september, de dag van San Gennaro’s onthoofding, en op de zaterdag voorafgaande aan de eerste zondag in mei, waarop de overbrenging van de stoffelijke resten van Pozzuoli naar Napels wordt herdacht. Weer later kwam daar nog een derde dag bij: 16 december. Op die dag werd het bloed namelijk ook vloeibaar, toen in 1631 een processie werd gehouden om de bescherming van San Gennaro af te smeken. Na vijf eeuwen van rust was de Vesuvius opnieuw uitgebarsten.

St. Januarius bidt voor het einde van de pest van 1656

Al meer dan zeshonderd jaar lang geldt het vloeibaar worden van het bloed als een zegen voor Napels. Mocht het bloed in een bepaald jaar namelijk niet vloeibaar worden, dan staat de stad een ramp te wachten. Het wonder bleef bijvoorbeeld uit bij de inval van Napoleon in Napels. Ook werd het bloed niet vloeibaar als de pest of een andere epidemie was uitgebroken. In 1978 liet San Gennaro verstek gaan nadat de Napolitanen een communistisch stadsbewind hadden gekozen.

Volgens de bekende Encyclopedia Brittanica alsmede Nederlandse encyclopedieën, is er geen natuurlijke verklaring voor dit wonder. Het verschijnsel zou verscheidene keren wetenschappelijk zijn bestudeerd en moet daardoor als ‘echt’ worden aangemerkt. En inderdaad: toen in 1902 het vloeibaar geworden bloed met een prisma-spectroscoop werd onderzocht, meenden twee geleerden in het spectrum dezelfde karakteristieken te zien als in bloed.

Een bekend Nederlands wonder is het ‘Mirakel van Amsterdam’ dat elk jaar in de nacht van 21 op 22 maart wordt herdacht tijdens de ‘Stille Omgang’. Volgens de overlevering vond dit wonder plaats in 1345. Een stervende kreeg de laatste Sacramenten. Hij werd benauwd, onpasselijk en gaf alles op. Zijn verzorgster wierp het braaksel in het vuur. De volgende morgen zag de verzorgster ineens de hostie boven het vuur zweven. Zonder zich te verbranden haalde zij de hostie uit het vuur, wikkelde haar in een linnen doek en gaf die aan de priester mee. De volgende dag werd de hostie weer in het huis aangetroffen. Nogmaals werd de hostie naar de kerk gebracht, maar de derde dag kwam hij wederom terug naar het huis. Pas na een luisterrijke processie, waarbij de weerbarstige hostie van het huis naar de kerk werd gedragen, bleef hij daar definitief.

In 1989 voerde Pierluigi Baima Bollone, een medisch hoogleraar die ook de lijkwade van Turijn onderzocht, nogmaals hetzelfde onderzoek uit. In plaats van een kaars gebruikte hij een sterke lamp als lichtbron. Ook plaatste hij een camera achter de prisma-spectroscoop. Op de foto’s van de spectra waren absorptiebanen te zien van hemoglobine. Hemoglobine is het ijzerhoudende eiwit, dat een essentieel bestanddeel vormt van de rode bloedlichaampjes in bloed.

Toch kwamen in 1991 drie Italiaanse geleerden met een zeer aannemelijke verklaring voor het raadsel. Luigi Garlaschelli, scheikundige aan de universiteit van Pavia, en zijn Milanese collega’s Franco Ramaccini en Sergio Della Sala rapporteerden over hun resultaat in het Engelse wetenschappelijke tijdschrift Nature.

Luigi Garlaschelli, een van de Italiaanse onderzoekers, met een nagebootste reliekhouder waarin zich ook een soortgelijk ‘bloedwonder’ voltrekt.

Garlaschelli is een skeptisch wetenschapper. “Professor Baima Bollone heeft de uitkomst van zijn onderzoek heel slim geformuleerd,” zegt hij. “In zijn rapport schrijft hij niet dat er bloed in de ampullen zit, maar dat de inhoud ervan dezelfde optische eigenschappen vertonen als bloed. Ook schrijft hij dat hij in de spectra absorptiebanden van hemoglobine kan zien alsof zich in de reliekhouder echt bloed bevindt. De media hebben daar meteen van gemaakt dat er echt bloed in de ampullen zit. Maar in werkelijkheid kan het ieder ander materiaal zijn dat een dergelijk spectrum veroorzaakt. Ik heb de foto’s van de spectra gezien en die zien er gruwelijk onscherp uit. Bovendien: waarom heeft hij geen moderne, elektronische spectrofotometer gebruikt?”

Het beste zou natuurlijk zijn een monster van de substantie te onderzoeken. Maar de kerk staat dat niet toe uit angst dat de stof zou kunnen vervluchtigen. De ampullen zijn begin veertiende eeuw hermetisch afgesloten. Blootstelling aan de lucht zou de chemische samenstelling wel eens kunnen veranderen.

Volgens Garlaschelli en zijn collega’s is het niets anders dan een truc uit de middeleeuwen. In een oud Duits blad voor apothekers vonden zij een recept voor een gelatine-achtig mengsel, dat leek op gestold bloed en dat vloeibaar werd als je ermee schudde. In de zeventiende eeuw was er ook een Napolitaanse skepticus die het ‘wonder’ kon nabootsen ten aanschouwen van zijn gasten. Deze Raimondo van San Severo werd vervolgens door de kerk geëxcommuniceerd.

Wonderbaarlijke Genezingen

Een wonder of mirakel is iets dat afwijkt van de natuurwetten, een afwijking die teweeg wordt gebracht door een hogere macht.

Tegenwoordig is Lourdes een van de beroemdste centra voor wonderbaarlijke genezingen. Maar in de oude Griekse wereld waren de heiligdommen van Asclepius even populair en trokken grote aantallen pelgrims aan. Het bekendste heiligdom bevond zich in Epidaurus. Daar zijn, gegraveerd in zes stenen kolommen, lijsten van genezingen bewaard gebleven. Alcetus was bijvoorbeeld blind. Toen hij in de tempel sliep, droomde hij hoe Asclepius hem met zijn vingers de ogen opende. Alcetus ontwaakte, kon de bomen zien en vertrok de volgende dag genezen naar huis. Ook bewaard is het verhaal van Demostenes. Demosthenes was lam. Toen hem in zijn droom bevolen werd om vier maanden in de tempel te blijven, gehoorzaamde hij. Ook hij werd genezen.

Soortgelijke lijsten van genezingen zijn er voor Lourdes gepubliceerd. Slechts een paar van de beweerde genezingen worden door de rooms-katholieke kerk erkend. De criteria, die worden toegepast vóórdat iets als een wonder wordt erkend, zijn in 1738 door paus Benedictus XIV vastgelegd: de genezing moet ogenblikkelijk plaatsvinden, zonder tijd voor herstel of medische behandeling.

Verder moet de genezing blijvend en volledig zijn en medisch onverklaarbaar. Ook moet de oorspronkelijke diagnose, dat de toestand met natuurlijke middelen ongeneeslijk was, ondubbelzinnig vaststaan. Drie ‘rechtbanken’ bekijken elk geval te Lourdes: twee bij het heiligdom en een in het diocees waarin de patiënt woont. Hierbij zijn medische specialisten betrokken. Als resultaat hiervan wordt slechts een zeer klein aantal van de beweerde genezingen zelfs maar in overweging genomen. Het aantal uiteindelijk goedgekeurde gevallen bedraagt nog geen procent.

“Met die gegevens zijn wij aan de slag gegaan,” vervolgt Garlaschelli: “ik nam de taak van ‘alchemist’ op mij en ging allerlei thixotrope mengsels onderzoeken.” Thixotropie is de eigenschap van bepaalde mengsels om bij mechanische belasting plotseling van een visceuze toestand (gel) in een vloeibare vorm (sol) over te gaan. Het wordt praktisch toegepast in thixotrope verven (tixverven) die in de bus zeer ‘dik’ zijn, maar door roeren gemakkelijk strijkbaar worden.

Luigi Garlaschelli houdt een flesje omhoog met daarin zijn vaste, roodbruine substantie.

Met ijzer(III)chloride (een mineraal dat veelvuldig wordt aangetroffen op de hellingen van de Vesuvius), gewoon kalk, een snuifje keukenzout en water maakte Garlaschelli een thixotroop mengsel, dat precies dezelfde kleur had van gestold bloed, óók ijzer bevatte en vloeibaar werd als het werd geschud. Telkens nadat het vloeibaar was geworden, werd het na verloop van tijd vanzelf weer vast.

“In september 1991 ging ik nog naar de kathedraal van Napels om het bloedwonder bij te wonen,” gniffelt Garlaschelli. “De aartsbisschop begon met te zeggen dat geen scheikundige tot nu toe in staat was geweest het verschijnsel na te bootsen. En daar stond ik in een hoekje, bijna te stikken van de lach…”

Als het flesje even wordt geschud, wordt het namaakbloed óók dun vloeibaar. Na verloop van tijd stolt het weer tot een vaste substantie.

Toen op 10 oktober 1991 het verslag verscheen in Nature, sloeg het nieuws natuurlijk ook in Napels en de rest van Italië in als een bom. Een zegsman van de kathedraal verklaarde ‘dat men vrij is wel of niet te geloven in het wonder, maar dat niet getolereerd werd dat Garlaschelli de integriteit van de kerk betwijfelde: wij leiden tenslotte niemand om de tuin’.

Veel opvallender was echter dat het Vaticaan geen enkele reactie gaf. “Het officiële orgaan van het Vaticaan, de L’Osservatore Romano, heeft nooit één regel aan de kwestie verspild,” zegt Garlaschelli. “Dat is niet zo verwonderlijk, want het Vaticaan heeft zich altijd op het standpunt gesteld dat wonderen ook met valse relikwieën mogelijk zijn. Bovendien: omdat het Vaticaan nooit een concreet historisch bewijs voor het bestaan van San Gennaro heeft kunnen vinden, is deze heilige in de jaren tachtig officieel van de kalender geschrapt, samen met Sint George, de drakendoder, en Christoffel, de schutspatroon van de reizigers.”

Een close-up van een bloedend Mariabeeld. Bij de beelden die zijn onderzocht bleek al snel het bedrog. Er bleek bijvoorbeeld bloed in holten achter de ogen te zijn verstopt. Die waren bedekt door een waslaagje, dat pas smolt als kaarsen rondom het beeld werden aangestoken.

Inmiddels ben ik natuurlijk zéér nieuwsgierig geworden naar het thixotrope mengsel van Garlascheli. Omdat ik het namaakbloed wel eens met eigen ogen wil zien, vraag ik hem of het niet mogelijk is een hoeveelheid van de substantie toe te sturen. Nog geen twee dagen later arriveert per speciale koerier uit Italië een pakje. Daarin bevindt zich een klein flesje, voor de helft gevuld met een roodbruine substantie. “De eerste keer goed schudden,” schrijft Garlaschellli erbij. “Ik heb het mengsel zó gemaakt dat het na een paar minuten weer vast wordt, zodat je het ‘wonder’ al snel weer kunt herhalen.”

Vlak voor mijn ogen voltrekt zich vervolgens een ‘bloedwonder’. Eerst laat ik omstanders de vastheid van de substantie zien door het flesje ondersteboven te houden. Daarna, na even ongemerkt te schudden, klotst er vloeibaar ‘bloed’ in. Ieders mond valt open van verbazing. Eén van de toeschouwers maakt voor de grap bezwerende gebaren en roept ‘Vade retro Satanas!’ (Ga heen, Satan!). Wie het heeft gezien, en het onderzoek van Garlaschelli heeft doorgelezen, is overtuigd van de ‘alchemistische’ verklaring. “Wie het wil, kan het ook zelf proberen,” schrijft Garlaschelli in zijn PS. “Ik doe er het volledige recept bij, zodat iedereen met een klein beetje scheikunde-kennis voortaan zelf ‘Heilig Bloed’ kan namaken.”

Bronnen

Luigi Garlaschelli, Franco Ramaccini, Sergio Della Sala: Working bloody miracles; Nature, 10 oktober 1991.

James Hansen: Can science allow miracles?, New Scientist, 8 april 1982.

Mark Leijendekker: Schudden noch bidden helpt het wonder op gang; NRC Handelsblad, 4 februari 1992.

Dit artikel is een publicatie van Astronet.
© Astronet, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 28 november 2002

Discussieer mee

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE