Je leest:

Een wetenschappelijk begrip met verborgen idealen

Een wetenschappelijk begrip met verborgen idealen

Auteur: | 6 december 2012

Het begrip biodiversiteit is relatief jong. Het stamt uit 1985, toen het probleem van het uitsterven van soorten in de belangstelling kwam.

Rond die tijd kwamen cijfers beschikbaar over de toenemende snelheid waarmee soorten uitsterven, vergezeld van een veelheid aan argumenten waarom dit een probleem is. Niet alleen vanwege de economische en maatschappelijke waarde van biodiversiteit, ook speelde de ethische vraag of soorten een intrinsiek recht op bestaan hebben.

Toen ook ontstond de wetenschappelijke discipline conservation biology, de natuurbeschermingsbiologie, een subdiscipline van de ecologie. Wetenschappers gingen zich bezighouden met het in kaart brengen van de problemen rond biodiversiteit, het ontwerpen van oplossingen voor de duurzame instandhouding van biodiversiteit, en het onder de aandacht brengen hiervan bij beheerders, beleidsmakers en politici. Het produceren van kennis over biodiversiteit is dus vanaf het begin onlosmakelijk verbonden geweest met het ideaal van de duurzame instandhouding van biodiversiteit.

Voordat het begrip biodiversiteit in zwang kwam, gebruikte men termen als ‘natuur’, ‘bedreigde soorten’ en ‘wildernis’ om vergelijkbare begrippen aan te geven. Het woord biodiversiteit is een samentrekking van biologische diversiteit. Het was bedoeld als een verkorte schrijfwijze voor de stukken voor een congres over het thema, maar bleef al snel hangen.

Door het begrip ‘logisch’ weg te halen uit een wetenschappelijk concept ontstond ruimte voor emotie en waarden. Daarmee werd biodiversiteit een concept waarin zowel wetenschappelijke als maatschappelijke waardering en betekenis besloten liggen. Dit paste uitstekend bij het missiegedreven karakter van de wetenschappelijke discipline conservation biology, waarbinnen het begrip zou worden gehanteerd.

Is het de variatie aan soorten of de schoonheid die het de moeite waard maakt dit stukje natuur te behouden?
Mirjam van het Groenewoud-Groot, NWO, Den Haag

Biodiversiteit bestaat niet

Tot nu toe is het niet gelukt tot één sluitende en geaccepteerde definitie van biodiversiteit te komen. De definitie die in 1992 is vastgesteld op de Earth Summit in Rio de Janeiro is enorm breed en omvat de totale diversiteit van al het leven op aarde. De diversiteit van alle organismen die op de grond en in het water leven, zowel binnen soorten als tussen soorten, en van diverse ecosystemen. Bovendien weten we niet eens hoeveel soorten, ecosystemen en genen er op aarde bestaan.

Het gevolg daarvan is dat als je iets praktisch wilt doen met biodiversiteit, zoals het beschermen, beheren of meten, je altijd te maken hebt met een selectief en incompleet deel van de biodiversiteit. Het begrip wordt dus selectief gebruikt. Bovendien liggen aan de keuze van wat we onder biodiversiteit verstaan en hoe we het indelen en meten veronderstellingen en aannames ten grondslag die te maken hebben met de verschillende idealen die we nastreven in die praktijk van beschermen, beheren of meten. Van altijd al geliefde diergroepen, zoals vogels, is bijvoorbeeld veel meer kennis over taxonomie, ecologie en bescherming dan van pissebedden.

De ordening van biodiversiteit

Wetenschappelijke activiteiten rond biodiversiteit hebben in belangrijke mate betrekking op ordening en classificatie. Een wetenschapper in een natuurgebied zal de veelheid aan vormen en kleuren om hem heen willen omzetten in een geordend overzicht van wat is aangetroffen. Dit omzetten van chaos en complexiteit in ordening gaat niet vanzelf. De natuur vertelt niet zelf uit wat voor soort categorieën zij bestaat en hoe die zijn te herkennen.

Classificatiesystemen zijn niet waar of onwaar, maar een product van een bepaalde wetenschappelijke en maatschappelijke context. Een goed classificatiesysteem is door mensen ontworpen en toont niet zomaar willekeurige eigenschappen en verschillen, maar reflecteert specifieke categorieën en eigenschappen die relevant worden geacht voor bepaalde doeleinden. Een illustratie daarvan zie je hieronder.

Hoe zou je deze vitrine in het Natuurhistorisch Museum in Londen ordenen? Op het tekstbord staat: ‘Sorteren in groepen. Er zijn verschillende manieren om dingen te ordenen. Hoewel het ene classificatiesysteem niet per se meer of minder correct is dan het andere, zijn sommige wel bruikbaarder dan andere. Zou jij deze voorwerpen sorteren aan de hand van ouderdom? Vorm? Kleur? Schoonheid? Waarde?’
Dr. Esther Turnhout, Wageningen UR

Voor de vitrine kunnen diverse classificatiesystemen gehanteerd worden. Afhankelijk van de gekozen criteria (bijvoorbeeld vorm, kleur, grootte, functie) ontstaan verschillende indelingen waarbij bepaalde voorwerpen soms wel en soms niet bij elkaar horen. De classificatie van biodiversiteit kent een vergelijkbare dynamiek. Verschillende systemen van ordening vormen de reflectie van een specifieke maatschappelijke en wetenschappelijke context.

Recent is bijvoorbeeld de hele indeling van het planten- en dierenrijk veranderd op basis van inzichten over hun DNA. Planten en dieren die eerst bij elkaar hoorden, of veel op elkaar leken, zijn uit elkaar gehaald, terwijl planten en dieren waarvan we eerst dachten dat ze niets met elkaar te maken hadden nu worden gezien als nauw verwante familieleden. De nieuwe indeling op basis van DNA is niet dichter bij de werkelijkheid dan de oude morfologische indeling, maar onderstreept dat wetenschappelijke classificaties door mensen worden gemaakt en dat ideeën over hoe biodiversiteit het beste kan worden ingedeeld sterk kunnen veranderen in de tijd. Dit staat niet los van de maatschappelijke en politieke context waarin de classificaties worden ontwikkeld en gebruikt.

Missiegedreven discipline

Dat geldt bij uitstek de ontwikkeling van de ecologie en vooral van de conservation biology, die missiegedreven wetenschappelijke disciplines zijn. Dit is een belangrijke constatering, omdat we gewend zijn te denken over wetenschap als waardevrij en objectief. Vaak gaat dit ideaal niet op in de praktijk, omdat beleid en politiek invloed uitoefenen op de agenda en de financiering van het onderzoek, of omdat wetenschappers sterk gemotiveerd zijn om een bijdrage te leveren aan maatschappij, milieu en natuur.

Wat betreft de biodiversiteit vinden wetenschappelijk gefundeerde classificatiesystemen hun weg naar beleidsdoelstellingen en prioriteiten en omgekeerd, worden beleidsdoelstellingen en prioriteiten onderwerp van wetenschappelijk onderzoek. Deze coproductie van wetenschap en beleid bewerkstelligt een nauwe afstemming tussen beide. Criteria en aspecten uit wetenschappelijke classificatiesystemen en meetmethoden zijn van invloed op wat we op dat moment verstaan onder biodiversiteit en krijgen een voorkeursbehandeling in beleid, beheer en bescherming. Omgekeerd krijgen de categorieën en criteria die worden gehanteerd in beleid, beheer en bescherming een voorkeursbehandeling in de financiering van wetenschappelijk onderzoek.

Sterf virus, sterf!

Op 8 mei 1980 werd het pokkenvirus uitgestorven verklaard. Er was in 25 jaar tijd geen enkel ziektegeval gemeld, terwijl het virus tot halverwege de vorige eeuw jaarlijks miljoenen mensen de dood in dreef. Na het pokkenvirus heeft de Wereld Gezondheidsorganisatie de aanval ingezet op andere ziekteverwekkers. Op de lijst staan: Dracunculus medinensis, een nematode worm die zich ophoopt in lymfeknopen en onderhuids bindweefsel; het gele koortsvirus, dat wordt overgedragen door tropische muggen en een ernstige ziekte veroorzaakt die gepaard gaat met bloedingen; Plasmodium falciparum, de eencellige veroorzaker van malaria die overgedragen wordt door de malariamug; en het Poliovirus, de veroorzaker van kinderverlamming, een ontsteking van de grijze stof in het ruggenmerg. De uitroeiing van Dracunculus lijkt op korte termijn de meeste kans te maken.

Weinig mensen zijn er rouwig om, maar de gerichte uitroeiing van het pokkenvirus en de plannen voor het laten uitsterven van andere ziekteverwekkers laat zien dat de waardering van biodiversiteit een mensgericht concept is. De afkeer begint bij virussen en parasieten, maar ook grotere organismen die veel slachtoffers maken kunnen niet rekenen op ons mededogen. Van giftige planten, gevaarlijke spinnen, schorpioenen en gifslangen tot tijgers. Waar ligt de grens? Het voor mensen meest schadelijke dier is overigens de mens zelf!

Ideeën verweven met idealen

De schaduwkant van deze coproductie is uiteraard dat wat niet wordt geclassificeerd en gemeten ook niet wordt meegenomen in het beleid en ook geen prioriteit krijgt in de onderzoekfinanciering. Zo kunnen wetenschappelijke ideeën over wat biodiversiteit is, waaruit het bestaat en waar het goed voor is, worden tot idealen over wat we moeten behouden en beschermen. Biodiversiteit als concept wordt gekenmerkt door deze verwevenheid van idee en ideaal. Dat dit in de praktijk ook zo kan werken, laten onderstaande voorbeelden zien.

In Nederland is lange tijd het systeem van zogeheten natuurdoeltypen gebruikt. Dit systeem was gebaseerd op wetenschappelijke kennis over hoe de aanwezigheid van verschillende planten- en diersoorten met elkaar samenhangt. De natuurdoeltypen fungeerden ook als een systeem voor het beleid en beheer. Beheerders werden via vergoedingen aangemoedigd ambitieuze natuurdoeltypen te realiseren en te zorgen dat alle doelsoorten die bij het type hoorden ook aanwezig waren. Vervolgens werd via wetenschappelijk onderzoek vastgesteld of een bepaald gebied wel aan de doelstellingen voldeed en welke beheersmaatregelen genomen moesten worden, ofwel om dat zo te houden, ofwel om de doelen alsnog te halen. Zowel onderzoek als beleid richten zich selectief op bepaalde typen natuur en de doelsoorten die daarbij zijn geselecteerd. Andere typen en soorten krijgen minder aandacht.

De internationale natuurbeschermingsorganisatie Conservation International hanteert de term biodiversity hotspot. Gedetailleerde wetenschappelijke kennis over het voorkomen van soorten, waarbij in het bijzonder bedreigde en unieke soorten worden benadrukt en gewaardeerd, wordt gecombineerd met kennis over de mate waarin de gebieden en de soorten worden bedreigd. Dit leidt tot een lijst van prioritaire gebieden voor natuurbescherming: de biodiversity hotspots. Onderzoek en beleid richten zich bij uitstek op de geselecteerde hotspots, de soorten in die hotspots die als kenmerkend worden gezien, en de geïdentificeerde bedreigingen. Andere soorten en gebieden krijgen minder aandacht.

Bijen bestuiven bloemen en planten. Bestuiving wordt gezien als een systeemdienst die de natuur aan de mens levert en hem in staat stelt gewassen te telen.
Shutterstock

Recent is het begrip ‘ecosysteemdiensten’ in opkomst. Dit begrip legt de nadruk op het nut dat biodiversiteit oplevert. Wetenschappelijke kennis over de bijdrage van ecosystemen en de biodiversiteit die ze herbergen aan diensten als CO2-opslag, houtproductie, schoon drinkwater, en recreatie en natuurbeleving wordt hierbij gekoppeld aan maatschappelijke idealen over het belang om biodiversiteit te beschermen. Hier richten onderzoek en beleid zich op de ecosystemen die voor mens en economie waardevolle diensten leveren. Andere waarden en functies van natuur verdwijnen buiten beeld.

Liefdesverklaring aan een mijt

Door Nico van Straalen

Ik ken een mijt met de mooie naam Platynothrus peltifer, waar ik helemaal verkikkerd op ben. Hij ziet er heel schattig uit. Eigenlijk moet ik zeggen ‘zij’, want het zijn allemaal vrouwtjes. Ze lopen heel koddig, namelijk erg langzaam. Het lijkt wel of ze bij elke beweging van een poot (ze hebben er acht) eerst vijf minuten moeten nadenken. Dit beestje is niet eens een millimeter groot en alleen te zien onder een microscoop. Zelfs de meeste biologen kennen haar niet en bijna niemand kan de naam goed uitspreken. Nu ben ik bang dat mijn mijtje geen enkele functie in het ecosysteem heeft. Ze scharrelt gewoon rond, zoals al dat andere kleine grut, vreet schimmels en dode bladeren en legt her en der een ei. Maar als mijn mijt geen duidelijke functie heeft, mag ze dan uitsterven?

Sommige mensen voelen zich aangetrokken tot de mijt Platynothrus peltifer.

N.M. van Straalen, Vrije Universiteit, Amsterdam

De evolutietheorie laat zien dat wij in zeker mate verwant zijn aan die mijt. Wij zijn ontstaan uit een mensaapachtige voorouder, die weer is ontstaan uit een zoogdier, dat zijn wortels heeft in de reptielen, enzovoort. Alle dieren in de dierentuin hebben een evolutionaire relatie met ons, en als je wat verder teruggaat vind je zelfs in een mijt onderdelen die ook in ons eigen lichaam voorkomen.

De Amerikaanse ecoloog E.O. Wilson noemde het biofilie: de neiging die in elk mens aanwezig is om zich aangetrokken te voelen tot de natuur, in een mate die sterker wordt naarmate de evolutionaire afstand tussen ons en het dier kleiner is. Dat je iets voelt voor een mijt is de beste garantie voor behoud van de biodiversiteit.

Ondanks dominante ideeën over wetenschap als waardevrij en objectief, zijn wetenschappelijke ideeën over biodiversiteit vaak nauw verbonden met idealen over hoe we met biodiversiteit om moeten gaan in beleid, bescherming en beheer.

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 06 december 2012

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.