Je leest:

Een vrouwelijk gebaar

Een vrouwelijk gebaar

Het Romeinse Rijk had niet alleen mannelijke weldoeners

Auteur: | 1 september 2014

‘Weldoen’ loonde in de Romeinse Oudheid. Wie bereid was uit eigen middelen een theater, badhuis of banket te financieren, kon rekenen op aanzien en respect, wat essentieel was voor het verwerven van een politieke functie. Aangezien alleen mannen voor dergelijke functies in aanmerking kwamen, lijkt het vanzelfsprekend dat weldoeners altijd mannen waren. Maar dat is niet zo: in sommige Romeinse steden was 10 tot 20 procent van de weldoeners vrouw. Hadden zij andere motieven dan mannen?

Minia Procula uit Bulla Regia (huidige Tunesië), priesteres van de keizercultus in de 2e eeuw na Christus, werd geëerd met dit standbeeld.
Emily Hemelrijk

‘Junia Rustica, dochter van Decimus, permanente en eerste priesteres van Cartima, herstelde de publieke zuilenhallen van de stad, die door ouderdom vervallen waren, schonk land voor een badhuis, betaalde de openbare belastingen [die de stad aan Rome verschuldigd was], plaatste een bronzen beeld van Mars op het forum, bouwde zuilenhallen bij het badhuis op eigen grond samen met een zwembad en een beeld van Cupido, gaf een banket en publieke spelen, alles van eigen geld, en schonk en wijdde de standbeelden, waartoe de stadsraad van Cartima had besloten voor haarzelf en haar zoon Gaius Fabius Junianus, nadat ze de kosten had overgenomen, en voegde daaraan toe, eveneens op eigen kosten, een standbeeld van haar man, Gaius Fabius Fabianus. Ze schonk deze beelden [aan de stad] nadat ze gemaakt waren.’

Deze inscriptie op de basis van een standbeeld in de Romeinse stad Cartima, het huidige Cártama bij Málaga in Zuid-Spanje, beschrijft de schenkingen van de lokale weldoenster Junia Rustica. Het standbeeld zelf is verloren gegaan, maar de inscriptie vertelt ons dat Junia Rustica een zeer vermogende vrouw was. Een deel van haar geld besteedde zij aan de verfraaiing van haar stad. Dit bracht haar in contact met de stadsraad, die verantwoordelijk was voor de openbare ruimte. In de inscriptie worden de onderhandelingen gepresenteerd als een beleefde uitwisseling van giften en eerbewijzen.

Dankbaar voor haar vele weldaden besloot de raad standbeelden op te richten voor Junia Rustica en haar zoon. Zij liet de beelden op eigen kosten maken en schonk ze aan de stad. Door een standbeeld van haar man toe te voegen maakte zij er een familiegroep van, in overeenstemming met het ideaalbeeld van de Romeinse matrona. De vermelding van haar naam in grote letters aan het begin van de inscriptie maakt echter duidelijk wie aanspraak maakte op de grootste eer.

In wetenschappelijke discussies over weldoen in de antieke wereld staat de mannelijke weldoener centraal. Zijn motieven waren eer en macht. Het aanzien dat hij verwierf door zijn weldaden bevorderde zijn politiek-bestuurlijke carrière. Hier stond tegenover dat hij de stad verfraaide en het leven van de stadsbevolking veraangenaamde. De vrijgevigheid van de stedelijke toplaag hielp zo sociale spanningen met de bevolking te verlichten. Hoewel de laatste verklaring vrouwen insluit, worden weldoensters meestal gezien als uitzonderingen. Daarbij zouden ze niet streven naar eer voor zichzelf, maar voor hun mannelijke familieleden. Bovendien zouden ze vooral relatief goedkope weldaden financieren, zoals banketten en uitdelingen van geld of levensmiddelen. Deze deels tegenstrijdige verklaringen gaan uit van het traditionele ideaalbeeld van de Romeinse vrouw. Dat schreef een kuis, bescheiden en teruggetrokken leven voor gericht op huis en familie. Wie de vele inscripties op steen leest, krijgt echter een heel ander beeld van de Romeinse weldoenster.

Aantallen vrouwelijke weldoensters verdeeld over het Romeinse Rijk en door de eeuwen heen.
Geschiedenis Magazine

Romeinse huwelijksvorm

Inscripties voor Romeinse weldoensters in het westelijk deel van het Romeinse Rijk vinden we vooral in de rijkste en meest verstedelijkte gebieden. In Italië vanaf eind 1ste eeuw voor Christus en in Zuid-Spanje, Noord-Afrika en Zuid-Frankrijk, waar de verstedelijking later inzette, vanaf de 1ste tot de vroege 3e eeuw na Christus. Vrouwen vormden hier 10 tot 20 procent van de stedelijke weldoeners. In armere en minder verstedelijkte delen van het Romeinse Rijk vinden we hen niet of nauwelijks. Deze beperking hangt samen met de basisvoorwaarde voor weldoen: de beschikking over eigen vermogen.

Een boog, opgericht in Pula door Salvia Marcellina, ‘moeder’ van een vereniging.
Emily Hemelrijk

In de Romeinse huwelijksvorm waren vrouwen na de dood van hun vader sui iuris (eigen rechtig). Ze vielen dus niet onder het gezag van hun echtgenoot; de vermogens van echtelieden waren strikt gescheiden. De wetgeving van keizer Augustus (27 v.Chr.-14 n.Chr.) stelde vrouwen die sui iuris waren en drie of meer kinderen hadden gebaard, bovendien vrij van voogdij. Samen met het Romeinse erfrecht leidde dit ertoe dat een aanzienlijk deel van het privévermogen van de elite in handen kwam van vrouwen, die er onafhankelijk over konden beschikken. De opkomst van weldoensters in de provinciale steden hangt dus nauw samen met de verspreiding van het Romeinse burgerrecht.

In kosten en vorm van hun weldaden onderscheidden weldoensters zich niet wezenlijk van hun mannelijke tegenhangers. Hun donaties waren vaak van de kostbaarste soort: openbare bouwwerken. Hierin legden ze wel een eigen accent: vrouwen schonken badhuizen, (amfi)theaters, aquaducten, markthallen en vooral tempels, maar geen senaatshuizen of stadsmuren. En in hun uitdelingen, banketten en stichtingen ter ondersteuning van kinderen (alimenta) betrokken ze vaker dan mannelijke weldoeners ook vrouwen en meisjes als begunstigden. Zo vermaakte Fabia Agrippina, een vrouw van senatoriale rang, een miljoen sestertiën aan Ostia, waarvan de rente onder andere besteed moest worden aan maandelijkse uitkeringen voor honderd meisjes uit de stad.

Niet alleen moderne, maar ook antieke auteurs hadden weinig oog voor het ‘weldoen’ van rijke vrouwen. In een brief aan een vriend beschrijft Plinius de Jongere het leven en karakter van Ummidia Quadratilla die zojuist op 79-jarige leeftijd overleden was. Hij prijst haar sterke gestel en strikte opvoeding van haar kleinzoon een vriend van Plinius, maar is kritisch over haar mondaine levenswijze. Zo besteedde zij ‘de vele vrije uren van haar sekse’ aan het damspel en vertoonde zij een voorliefde voor pantomimespelers die ‘niet paste voor een vooraanstaande vrouw’, maar haar wel buitengewoon populair maakte bij het volk. Plinius vermeldt niet dat er ook andere redenen waren voor haar populariteit. In haar woonplaats Casinum (Cassino) betoonde zij zich een zeer genereuze weldoenster. Bouwinscripties laten zien dat zij op eigen kosten een tempel en een amfitheater liet bouwen; bovendien herbouwde zij het lokale theater. Bij de inwijding van dit theater gaf zij een groot banket ‘voor de senaat, het volk en de vrouwen’ van Casinum. Plinius duidde haar met recht aan als princeps femina (‘first lady’) van haar stad, een titel die associaties oproept met de keizerlijke titulatuur (princeps).

Altruïsme of eigenbelang?

De beschikking over eigen vermogen verklaart niet waarom sommige vrouwen hun geld aanwendden ten bate van de stad. Deden ze dat, zoals moderne onderzoekers beweren, alleen om de carrière van hun mannelijke familieleden te bevorderen? De inscripties suggereren het tegendeel: weldoensters lijken vooral uit te zijn op persoonlijke eer en vereeuwiging.

Eer speelde een rol in verschillende stadia. Allereerst deed de weldoenster een belofte (pollicitatio) een weldaad te verrichten. Deze werd in het openbaar gedaan en was juridisch bindend. Hiermee stond de weldoenster meteen in het centrum van de publieke aandacht. Het leverde vaak ook al concrete eerbewijzen op. Zo deed Annia Aelia Restituta de belofte een theater te bouwen waarop de stadsraad van Calama in Noord-Afrika vijf standbeelden voor haar oprichtte.

Tijdens de bouw kreeg een gebouw vaak al de naam van de donor. Bij de inwijding verhoogde de weldoener de feestelijkheid met een banket of door een uitdeling van geld of voedsel. Een inscriptie op het bouwwerk hield de herinnering aan de weldaad levend. De toekenning van een standbeeld verhoogde het prestige van de donor nog verder. Door aan te bieden de kosten zelf te dragen, stimuleerden weldoensters de oprichting van hun beelden. Sommigen stelden zelfs een standbeeld als voorwaarde voor hun gift. In tegenstelling tot hun veronderstelde ingetogenheid stelden vrouwen dus veel prijs op het openbare aanzien dat hun gift hun opleverde.

Veel standbeelden van weldoensters zijn verloren gegaan. De inscripties op de bases zijn vaker bewaard gebleven. Deze hoort bij een standbeeld van Aelis Procula, een weldoenster uit de 2e eeuw uit Manigua (Zuid-Spanje). De tekst vermeldt haar ‘verdiensten’ voor de stad. Onderzoek naar inscripties als deze heeft licht geworpen op de weldaden en waardering van Romeinse weldoensters. Allienae T(iti) f(iliae) / Berenice. / C(aius) Vettius Polus / uxori / sanctissim(ae) et / C(aius) Vettius Polus / matri / pi(i)ssimae, patr(onae) / col(legii) fabr(um) et cent(oniariorum) / l(ocus) d(atus) d(ecreto) d(ecurionum) ‘Voor Alliena Berenice, dochter van Titus. C. Vettius Polus [heeft dit beeld opgericht] voor zijn zeer onberispelijke echtgenote en C. Vettius Polus voor zijn zeer toegewijde moeder, patrones van het collegium van timmerlieden en textielwerkers. De plaats [van het beeld] is toegekend op besluit van de stadsraad.’
Emily Hemelrijk

Dit betekent niet dat weldoensters uitsluitend hun eigen belang dienden. Hun weldaden verhoogden ook het aanzien van hun familieleden en bevorderden zo hun politieke carrière. Vrouwen maakten geregeld gebruik van het recht standbeelden op te stellen van hun familie in de gebouwen die zij financierden. Daarbij vergaten zij zichzelf echter nooit. Zo plaatste Mineia, een weldoenster in Paestum in de 1ste eeuw voor Christus, zes standbeelden in de basilica die ze aan de stad schonk. Te midden van haar echtgenoot, zoon, kleinzoon en twee broers heeft zij zichzelf laten afbeelden. Het moderne onderscheid tussen persoonlijke eer en aanzien voor de familie is dus misleidend. Zowel mannelijke als vrouwelijke weldoeners verhoogden het prestige van zichzelf én van hun families.

Hun motieven waren echter complexer en varieerden met hun stand, rijkdom, familie en persoonlijkheid. Voor vrouwen van senatoriale rang die een groot deel van hun leven in Rome doorbrachten, was eer in een provinciestad niet zo belangrijk. Wat wel een rol speelde, waren religieuze gevoelens, zoals bij de bouw van een tempel, of de wens of morele verplichting om hun vaderstad te begunstigen, een soort noblesse oblige. Ook een familietraditie van vrijgevigheid kon vrouwen van hoge stand ‘verplichten’ vrijgevig te zijn. Dit gevoel van verplichting kon dwingend zijn. Aemilia Pudentilla, een rijke weduwe in Oea in Noord-Afrika (het huidige Tripolis), vierde haar bruiloft met Apuleius op een van haar landgoederen om het stadsvolk te ontlopen dat van haar een gelduitdeling verwachtte.

Zelfpromotie

Weldoensters uit de stedelijke elite hadden wél belang bij lokaal aanzien. Tussen hen bestond een onderlinge rivaliteit om eer en standbeelden. Tot slot kan een interessante groep rijke weldoensters genoemd worden die zich buiten de elite bevond. Voor hen bood vrijgevigheid een van de weinige mogelijkheden voor sociale erkenning. Omdat openbare standbeelden voorbehouden waren aan de elite, moesten zij andere wegen bewandelen om zichzelf te vereeuwigen.

Cassia Victoria was priesteres van de Augustales, een college van vooral rijke vrijgelatenen die zich onder andere bezighielden met de keizercultus. Zij financierde de bouw van de kostbare marmeren voorhal van hun tempel in Misenum en liet kolossale portretten van haarzelf en haar man in de gevel aanbrengen. Deze imiteerden de keizerportretten die meestal de voorgevels van tempels van de keizercultus sieren, wat hen impliciet gelijkstelt aan de vergoddelijkte keizerlijke familie. Deze extreme vorm van zelfpromotie, bijna zelfvergoddelijking, is misschien te begrijpen als uiting van loyaliteit door een symbolische associatie met de keizerlijke familie. Doordat Cassia Victoria het portret van haar overleden man toevoegde, betoonde zij zich een goede echtgenote. Zo bleef haar publieke eer binnen het traditionele ideaalbeeld van de Romeinse matrona.

Weldoenster Cassia Victoria en haar overleden echtgenoot in de gevel van de tempel van de Augustales in Misenum. Hij is afgebeeld met de haardracht van de vorige keizer, terwijl zij het model volgt van zijn dochter, de huidige keizerin. De inscriptie vermeldt: ‘Cassia Victoria, priesteres van Augustales, schonk de voorhal met zuilen en architraaf in haar eigen naam en die van haar echtgenoot, Lucius, Laecanius Primitivus. Bij de inwijding gaf ze een banket en aan ieder 12 sestertiën.’
Emily Hemelrijk

Met tien tot twintig procent van de inscripties hadden Romeinse weldoensters een structureel aandeel in het stedelijk leven van de keizertijd. Verre van zich te beperken tot kleine giften, schonken de meeste weldoensters kostbare bouwwerken die het aanzien van hun stad veranderden. Hun weldaden leverden hen publieke eer en erkenning op, waarin zij vaak hun familie betrokken. Zo gaven weldoensters een nieuwe invulling aan het traditionele ideaalbeeld: een Romeinse matrona die haar huiselijke deugdzaamheid combineerde met haar publieke verantwoordelijkheid als burgeres van haar stad.

Bron
Emily Hemelrijk

Emily Hemelrijk is hoogleraar Oude Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

Begin november 2015 komt haar boek Hidden Lives-Public Personae. Women and Civic Life in Italy and the Latin West during the Roman Principate (Oxford University Press) uit in Nederland.

Het boek gaat over de publieke rol van vrouwen in het Romeinse Rijk, waaronder ook priesteressen en patronessen van steden en verenigingen.

Verder lezen

• E.A. Hemelrijk en G. Woolf (red.), Women and the Roman City in the Latin West, Leiden/Boston (Brill, 2013) • A. Zuiderhoek, The politics of munificence in the Roman Empire: Citizens, Elites and Benefactors in Asia Minor (Cambridge University Press, 2009) • H.C. van Bremen, The Limits of Participation. Women and civic life in the Greek East in the Hellenistic and Roman periods (Gieben, 1996)

Dit artikel is een publicatie van Geschiedenis Magazine.
© Geschiedenis Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 september 2014

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.