Je leest:

‘Een vreemde in eigen land’

‘Een vreemde in eigen land’

Boze autochtone burgers over nieuwe Nederlanders en de overheid

Auteurs: en | 30 juni 2011

Veel burgers zijn boos en ontevreden. Over de buurt, over de politiek, maar vooral over de ‘buitenlanders’. Het Verwey-Jonker Instituut deed onderzoek naar de oorsprong van deze ‘witte woede’. De buurtbewoners voelen zich vooral miskend. Wellicht dat dit inzicht aanknopingspunten biedt voor de toekomst.

In oude volksbuurten, maar ook in vrij nieuwe steden als Almere en Zoetermeer is steeds vaker een geluid hoorbaar van onvrede en wantrouwen. Het is de stem van de boze autochtone burger die geen vertrouwen meer heeft in de overheid en die boos is op ‘buitenlanders’. Waar komt deze ‘witte woede’ vandaan? Dat was de leidende vraag voor ons onderzoek naar angst en onbehagen van autochtone Nederlanders. We wilden van deze mensen zelf horen: wat maakt ze eigenlijk zo boos?

Neem bijvoorbeeld mevrouw Smit. Zij is 74 jaar en weduwe. Zij woont al 32 jaar in Buytenwegh, Zoetermeer. Ze heeft haar straat zien veranderen, zegt ze. Nu wonen er veel mensen die het niet zo nauw nemen met het onderhouden van de tuin. Ze vindt de overheid te soft. “Als overtreders en profiteurs zwaarder gestraft worden, hadden we toch niet zo’n ellende met ze? Dan keken ze wel uit!” Of: John (30) uit de Sterrenwijk in Utrecht. Hij vindt dat er te veel allochtonen in de buurt wonen die voor een achteruitgang van de buurt zorgen. “Dat komt doordat de woningcorporatie er allemaal buitenlanders in zet.”

De namen zijn fictief, maar de casussen niet. Ook uit de literatuur blijkt dat snelle veranderingen in de buurt de mate van ontevredenheid beïnvloeden. Mensen gaan daardoor anders met elkaar om. Een respondent vertelt: “Het sociale vlak onder elkaar is minder geworden. Als je zegt: ‘Hoi!’, dan niks groeten, lachen of een praatje maken.”

“Het sociale vlak onder elkaar is minder geworden.”
Michel MD

Vanwaar die ontevredenheid?

We voerden ons onderzoek uit in vier buurten met een (snel) veranderende bevolkingssamenstelling en een gemiddeld laagopgeleide, deels afzijdige bevolking. Het gaat om Doornakkers (Eindhoven), Sterrenwijk (Utrecht), Blerick-Midden (Venlo) en Buytenwegh (Zoetermeer). We hielden interviews met sleutelinformanten en namen korte straatinterviews af met bewoners. De mensen die we spraken, zijn goeddeels tevreden over het eigen leven, maar in toenemende mate ontevreden over de buurt, de samenleving, de overheid en de politiek. Dit verschijnsel, dat ook wel ‘the optimism gap’ wordt genoemd, heeft het SCP treffend samengevat als “Met mij gaat het goed, maar met ons gaat het slecht” (Dekker e.a.).

Uit onze verkenning bleek dat de multi-etnische samenleving in deze buurten een ‘cumulatiepunt voor onbehagen’ is (Yerden, Hallich en Kautrik). Met andere woorden: mensen brengen ontevredenheid over snelle veranderingen in de buurt in verband met de (dreigende) komst van en overlast door allochtonen. Ook het wantrouwen tegenover de overheid en maatschappelijke instituties wordt in verband gebracht met de multi-etnische samenleving.

Om de wereld achter dat wantrouwen te leren kennen, hielden we 24 diepte-interviews met buurtbewoners die (zeer) ontevreden zijn over het multi-etnische karakter van onze samenleving. We wilden weten wat hun ervaringen zijn in de buurt en in hun persoonlijk leven. Ook vroegen we naar de rol van de overheid. Wat voor problemen ervaren bewoners en door wie worden die veroorzaakt? Wat zien ze als oplossing?

Het viel niet mee om buurtbewoners bereid te vinden met ons te spreken. Buurtbewoners die aan ons ‘profiel’ voldeden, koesteren veel wantrouwen tegenover de overheid, instellingen en professionals. Onderzoekers lijken onderdeel van deze ‘elite’. Verder bleek dat buurtbewoners bang zijn om over hun onvrede te spreken. “Mensen zijn bang om te praten. Kijk maar naar Wilders. Die trekt zijn mond open, en wat gebeurt er? Kijk maar naar Pim Fortuyn. Kijk naar Theo van Gogh. Wat gebeurt er? Je kan hier gewoon niets meer zeggen. Daar zijn de mensen bang voor.”

Spandoek in de Sterrenwijk, Utrecht, een van de onderzochte wijken.

Overlast en aanpassing

Overlast, zo zeggen geïnterviewden, is een eerste probleem. Geluidsoverlast, verloedering van de openbare ruimte, hangjongeren, confrontaties in het verkeer: bronnen van ergernis. Dat verkeer omvat rijgedrag, maar ook het menselijk verkeer, bijvoorbeeld de omgang in de publieke ruimte. “Dan loop je op een stoep en dan moet je de stoep af. Het is hún stoep. Ze gaan ook niet voor je opzij of zo. Je voelt je eigenlijk een vreemde in je eigen land. Misschien denken die mensen: nee, jij hoort opzij te gaan. Om een ruzie te voorkomen, doe je dan toch die stap opzij. Maar ik vind het niet prettig. Want je loopt in je eigen land.”

Opvallend is dat de respondenten nadrukkelijk zeggen dat ze er helemaal niet tegen zijn met mensen met een verschillende etnische herkomst samen te leven. Het gaat erom hoe dit samenleven uitpakt in de praktijk: “In het algemeen heb ik er geen problemen mee, als ze ons ook met rust laten. Onze waarden en normen respecteren en naleven. Maar dat doen ze niet.”

Deze opstelling – zo argumenteren de geïnterviewden – vrijwaart hen van eventuele beschuldigingen van xenofobie of racisme. Ze hebben immers in principe geen bezwaar, maar de ‘buitenlanders’ passen zich onvoldoende aan. En dan werkt multi-etnisch samenleven in de praktijk niet. Dat ‘niet aanpassen’ zit ’m volgens de respondenten in een onwil om te integreren in de Nederlandse samenleving: in het niet willen (leren) spreken van de Nederlandse taal, maar ook in een afwijkende opvoeding van de kinderen. “In de avond lopen die kinderen zomaar tot tien uur buiten. Dan heb ik zoiets van: sorry, die kinderen horen in bed op die leeftijd. Ze kijken er niet naar om. Want je ziet daar nooit een ouder bij of zo, alleen maar kinderen. Ik heb altijd het idee: als ze buiten de deur zijn, is het voor ons. Dan mag de maatschappij oppassen.”

Overheid als opponent

Problemen in de multi-etnische samenleving zijn volgens de respondenten dus op het conto te schrijven van allochtonen die niet willen, of niet kunnen. Maar daarnaast houden onze respondenten vooral de overheid hiervoor verantwoordelijk. Als het gaat om het functioneren van de overheid in het algemeen, valt vooral de grote afstand op die ze tot de overheid ervaren. Ze zien overheidsfunctionarissen, gezagsdragers en politici als bevoorrechte mensen die geen idee hebben hoe de gewone man leeft. Men komt niet in aanraking met problemen van de multi-etnische samenleving of andere sociale of economische problemen. Dit is voor de geïnterviewden een bron van wrok. “Misschien moeten ze, waar die politieke hoogstandjes zitten, eens wat probleemgezinnen neerzetten. Laat hun ook eens zien hoe het werkt in zo’n buurt. Die wonen niet in zo’n buurt waar die mensen wonen, dus ze weten ook niet wat voor uitwerkingen dat heeft op een wijk. Laat ze daar eens voor een paar maanden een huisje nemen, net zoals de Frogertjes.”

Sommige respondenten stellen dat de overheid bevolkt wordt door profiteurs, wier prioriteit vooral ligt bij het in stand houden van de bestaande machtsverhoudingen. “Ze zitten met hun krent op dat pluche; warm en comfortabel. Eens in de vier jaar, vlak voor de verkiezingen, paaien ze hun achterban op de markt met stickertjes en speldjes. Dat voelen de mensen dondersgoed. Dan zijn ze nodig, en verder niet zeuren. Als je praat over je onvrede over de politiek, dan heb je daar de essentie.”

Wat betreft de multi-etnische samenleving is de belangrijkste kritiek dat de overheid ‘niets’ voor ze doet, passief is. De voor hen zo evidente problemen in de buurt – overlast, verloedering, een voortdurende instroom van kansarmen die de taal niet spreken – worden door de overheid al dan niet moedwillig genegeerd. De geïnterviewden verwachtten traditioneel veel van de overheid, maar voelen zich nu hevig in de steek gelaten.

Overlast, zo zeggen geïnterviewden, is een eerste probleem. Geluidsoverlast, verloedering van de openbare ruimte, hangjongeren, confrontaties in het verkeer: bronnen van ergernis.
Berend B.

Brandstof voor wrok

De wrok tegenover de overheid wordt nog groter, omdat de respondenten menen dat de overheid voor allochtonen wél actief op de bres springt. Voor allochtonen zouden uitzonderingen worden gemaakt, subsidies worden verstrekt, andere regels gelden. Kortom: een sterk gevoel van krenking ontstaat als bewoners denken dat de overheid wel allochtonen met hun problemen en bijzonderheden erkent en kent, terwijl hún problemen worden genegeerd.

Onze respondenten voelen zich machteloos. Ze vinden dat niet alleen de overheid zich schuldig maakt aan het negeren, of zelfs discrimineren van ‘Nederlanders’, ook instellingen werken hieraan mee. In de buurten die we onderzochten, is vooral de woningtoewijzing door de corporatie een doorn in het oog. Terwijl de eigen kinderen jarenlang op een wachtlijst staan, lijken er moeiteloos huizen beschikbaar te komen voor allochtonen die niet uit de buurt afkomstig zijn. “Laat ik het zo zeggen: óf je moet met een kilo goud naar de woningbouw óf je moet met een hoofddoek naar de woningbouw. Het is één van die twee. Of je bent van het kamp en asociaal, of je bent buitenlands en zegt: ‘Ik versta niet’. Nou dán krijg je meteen een huis. Dan wel.”

Over waaróm de overheid of instellingen allochtonen systematisch zouden bevoordelen, verschillen de meningen. De overheid is bang van discriminatie te worden beschuldigd en legt allochtonen daarom in de watten. En ‘buitenlanders’ hebben een speciaal talent om voordeeltjes te regelen en de overheid laat zich hierdoor in de luren leggen. “Ze krijgen alles voor elkaar. Ze weten feilloos waar de boekjes liggen van de bijstand. Terwijl Nederlanders vaak voor hun eigen ding moeten opkomen. En als Nederlanders bij een voetbalclub komen, moeten ze de contributie zelf betalen. Vaak wordt het dan voor die mensen gefinancierd. Dat is niet altijd goed, denk ik. Volgens mij krijgen ze het té makkelijk.”

Ook vindt men dat de overheid zich in het verleden veel te lankmoedig heeft opgesteld tegenover allochtonen door geen eisen te stellen aan integratie. De gevolgen van dit ‘slappe’ beleid werken nog steeds door. “De overheid had veel strenger moeten toezien op het inburgeren. Dat mensen na dertig jaar de taal nog niet spreken, vind ik volkomen onbegrijpelijk.”

De geïnterviewde bewoners voelen zich sterk gekrenkt: ze denken dat de overheid wel allochtonen met hun problemen en bijzonderheden erkent, terwijl hún problemen worden genegeerd.
Photocapy

Wat nu?

Tot zover de ontevredenheid vanuit het perspectief van de bewoners. Welke oplossingen zien zij? Niet verbazingwekkend willen de respondenten dat de overheid minder passief is en ‘streng’ gaat optreden. Het moet afgelopen zijn met de tolerantie tegenover degenen die zich niet aanpassen. “Kijk naar wat er is gebeurd met die buschauffeurs in de buurt van Gouda. Ik denk dan: jongens, waarom wordt dat allemaal toegelaten? Laat die mariniers er een keer op losslaan, dan weten ze waar ze aan toe zijn. Want anders hebben we, als dat zo doorgaat, niks meer te vertellen in ons eigen land. En nogmaals, ik ben niet haatdragend tegenover andere mensen, als ze zich maar aanpassen.”

Alleen als de ‘buitenlanders’ zich aanpassen, kunnen zij aanspraak maken op dezelfde behandeling als autochtonen. De respondenten hebben zich ook uitgelaten over ‘de politiek’ bij het oplossen van de problemen. Velen noemen hierbij de persoon van Geert Wilders. Ze kwalificeren zijn standpunten en ideeën als streng en ‘hard’. Juist dit zijn – zo benadrukken sommigen – noodzakelijke ingrediënten om de huidige politieke verhoudingen te doorbreken en om andere politici bij de les te houden. “Geert Wilders durft de waarheid in de mond te nemen. Anderen zwijgen die liever dood of vinden dat te lastig.”

Toch hebben de meesten er weinig vertrouwen in dat stevigere maatregelen werkelijk zullen bijdragen aan een oplossing. Zij hebben geen hoge pet op van de daadkracht van de overheid en denken bovendien dat de gevestigde politieke elite er alles aan zal doen om veranderingen tegen te gaan.

Pessimisme en de roep om erkenning

Om kort te gaan: onder deze bewoners heerst een overwegend pessimistische stemming, met weinig vertrouwen als ondergrond. Het lukt lokale bestuurders niet om met ze in gesprek te gaan. Het onderzoek laat zien dat er geen panklare oplossingen zijn om de gesignaleerde problemen in de multi-etnische samenleving weg te nemen. Wat bieden teleurstelling, wantrouwen in gezag en bestuur en een schamel vertrouwen in de eigen oplossingen aan houvast?

Een aanknopingspunt is dat de respondenten graag behandeld willen worden – door de overheid, de woningcorporaties en andere organisaties in het publieke domein – zoals zij dénken dat allochtonen behandeld worden. Men wil gezíen worden – niet als iemand met een ‘woonvraag’ of een overlastprobleem – maar als mens met al zijn bijzonderheden. Uiteindelijk hebben onze respondenten toch hoge verwachtingen van de overheid. Wellicht kan dit een startpunt vormen voor een hernieuwde dialoog.

Bronnen

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van TSS - Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.
© TSS - Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 30 juni 2011
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.