Je leest:

Een verdedigingspact in het regenwoud

Een verdedigingspact in het regenwoud

Auteurs: en | 30 januari 2001

Gaat het bij diersoorten die gemengde groepen vormen om bescherming tegen vijanden of om samenwerking bij het zoeken naar voedsel? Tot voor kort was niet duidelijk welke verklaring de juiste is. In het tropische regenwoud van Ivoorkust sluiten twee apensoorten, de rode colobus en de dianameerkat, een verdedigingspact tegen de chimpansees.

Ochtend in het Taï National Park in Ivoorkust. Een grote groep rode-colobusapen komt in beweging om een ontbijt bij elkaar te scharrelen. Plotseling klinkt, dwars door de roep van een blauw gevederde toerako, vanuit de verte het luide gekrijs en getrommel van chimpansees. De rode colobussen staken hun activiteiten. Een paar mannetjes laat een kort ‘aaow’ horen. Van de andere kant klinkt, veel luider dan de toerako, nu ook de roep van de aanvoerder van een andere groep apen: dianameerkatten. Weer reageren een paar rode colobussen met een korte roep, maar daarin lijkt nu opluchting door te klinken. Ze zetten zich in beweging in de richting van hun vertrouwde wachters, de dianameerkatten met hun witte bef en hun zwarte, driehoekige gezichten, en weg van de chimpansees. Achter hen vermengen zich luide, joelende kreten met het getrommel en geschreeuw.

Veel diersoorten leven in gemengde groepen van twee of meer soorten. Ze zoeken elkaar op om bescherming te vinden tegen vijanden of vanwege een verbeterde efficiëntie bij het voedselzoeken, bijvoorbeeld omdat de ene soort een voedselbron vlotter weet op te sporen dan de andere. Groepen van diersoorten die een langdurige relatie zijn aangegaan, bestaan bijvoorbeeld uit Thompson- en Grantgazellen, zebra’s en oryxantilopen, giraffen en impala’s of verschillende wadvogels.

Aan het samenleven in gemengde groepen kleven ook nadelen. Roofdieren krijgen een groep eerder in de gaten als die groter is. Gemengde groepen zijn groter dan iedere groep op zich. Bovendien hebben de soorten doorgaans afwijkende patronen van foerageren. Dieren die bescherming bij elkaar zoeken kunnen daardoor minder efficiënt voedsel zoeken. Voor soorten die elkaar opzoeken, wegen deze nadelen kennelijk niet op tegen de voordelen.

Klopt deze redenering wel? Tot voor kort lukte het onderzoekers niet om te bewijzen dat apen in groepen leven om zich zo tegen roofvijanden te beschermen. Ronald Noë, een van de auteurs van dit artikel, en Redouan Bshary zijn erin geslaagd om voor gemengde groepen van rode colobussen en dianameerkatten duidelijkheid te verkrijgen.

Taï Monkey Project

Taï National Park

Het Taï National Park ligt in het zuidwesten van Ivoorkust, tegen de grens met Liberia. Het heeft een oppervlak van 4540 vierkante kilometer en herbergt het grootste bewaard gebleven stuk primair regenwoud van West-Afrika. Jaarlijks valt er iets meer dan 1800 millimeter regen, het meest in september, oktober en november. December tot en met februari zijn naar verhouding droog. Het studiegebied van het ‘Taï Monkey project’ bevindt zich ongeveer twintig kilometer ten zuidoosten van het stadje Taï, bij het veldstation van het Centre de Recherche en Ecologie (CRE) binnen de grenzen van het park.

In het park komen naast chimpansees acht apensoorten voor. Net als chimpansees leven rode colobussen in groepen waarin meerdere mannetjes zitten, die hun leven lang in de groep blijven. Bij dianameerkatten blijven, net zoals bij vrijwel alle ander apen van de oude wereld, de vrouwtjes in hun geboortegroep en trekken de mannetjes weg. De twee voor het onderzoek belangrijkste groepen van colobussen bestaan uit ongeveer 75 individuen, waaronder vijftien tot twintig mannetjes.

De ongeveer zestig chimpansees leven in een commune die bestaat uit kleine groepjes met een wisselende samenstelling. De dianameerkatten trekken op in haremgroepen met één volwassen mannetje en ongeveer 25 vrouwtjes en jonge dieren.

Het Taï Monkey Project, onder leiding van Ronald Noë, bestaat sinds 1991. Het project richt zich op het bestuderen van de evolutie van sociaal gedrag van apen in het natuurlijke milieu. Op het ogenblik lopen er diverse projecten waarin het verband tussen omgevingsfactoren, migratiepatroon en populatiegenetica wordt onderzocht.

Twee apensoorten

Hoewel de dianameerkatten (links) en de rode colobussen (rechts) het grootste deel van hun tijd in elkaars nabijheid doorbrengen, ziet men ze zelden samen in een boom. Melanie Krebs

De rode colobus heeft een fraaie, lange staart en is voor een aap die in de bomen leeft behoorlijk groot. De vrouwtjes wegen een kilo of acht, negen en de mannetjes zijn tussen de negen en elf kilo. De dianameerkatten wegen ongeveer de helft daarvan.

Beide soorten zijn luidruchtig. De rode colobus springt met veel gekraak door de bomen. De kleinere dianameerkatten gebruiken een aantal klanken met een min of meer vaste betekenis: hun alarmroep voor roofvogel verschilt duidelijk van hun waarschuwing voor luipaard. De roep van het mannetje draagt over meer dan een kilometer, wat ver is in het oerwoud. De rode colobussen hebben een beperkt aantal basisgeluiden, die ze in verschillende gradaties en met verschillende intenties gebruiken. Bijna alles klinkt als een variatie op de thema’s ‘aaow’ en ‘kwiek’.

Gemengde groepen

In de bomen van het Taï National Park leven de rode colobus en de dianameerkatten samen met de bruine en de West-Afrikaanse zwartwitte colobus, de West-Afrikaanse witneusmeerkat en de Campbellmeerkat. Deze zes apensoorten vormen regelmatig gemengde groepen in alle mogelijke combinaties. Ook de grijze mangabey, die meestal op de grond actief is, maakt soms deel uit van het gezelschap.

Een aantal combinaties komt zo vaak voor dat het geen toeval kan zijn. De kleine groepen van de bruine colobus volgen altijd hun vaste dianapartnergroep. Ook Campbellmeerkatten lopen meestal met een dianagroep mee. Groepen van rode colobussen en dianameerkatten zijn in meer dan de helft van de tijd bij elkaar. Als twee soorten veel meer bij elkaar zijn dan door toevallige ontmoetingen kan worden verklaard, dan is het vermoeden gerechtvaardigd dat ten minste één van beide daar voordeel van heeft. Het onderzoek van Noë en Bshary concentreerde zich op deze beide apensoorten, omdat zij zowel de rode colobussen samen met de dianameerkatten als elk van beide soorten afzonderlijk konden bestuderen.

Voedsel of Veiligheid

Efficiënt voedselzoeken is voor de rode colobussen geen reden om met hun kleinere bondgenoten op te trekken. De overlap tussen hun diëten is daarvoor te klein. Dianameerkatten eten rijp fruit en insecten, terwijl rode colobussen een voorkeur hebben voor jonge bladeren, bloemen en onrijp fruit. De beide soorten verschillen ook in hun manieren van voedselzoeken. De dianameerkatten zitten wat lager dan de colobussen en zoeken bovendien vrijwel altijd andere bomen op.

Het uitsluiten van een verhoogde efficiëntie bij het voedselzoeken betekent nog niet dat het de apen om bescherming te doen is. Het registreren van natuurlijke aanvallen op de gemengde groep apen is niet eenvoudig. Aanvallen van roofdieren komen te zelden voor om voldoende waarnemingen op te leveren. Bovendien kan de aanwezigheid van menselijke waarnemers de situatie vertekenen. Er zijn echter indirecte manieren om te meten of dianameerkatten en colobussen zich veiliger voelen in elkaars nabijheid. De richting van de blik duidt op de kant waar het gevaar wordt verwacht: op de grond van chimpansees, luipaarden of mensen, uit de lucht van kroonarenden. Het aantal keren dat de apen om zich heen kijken tijdens het foerageren is een bruikbare maatstaf voor hun gevoel van (on)veiligheid. Bovendien blijven apen die zich onveilig voelen beter in de dekking van het gebladerte.

Uit de waarnemingen in Taï blijkt dat rode colobussen rustiger eten met de kleinere dianameerkatten in de buurt. De verschillen ontstaan niet door het grotere aantal ogen en oren in de gecombineerde groep. Even grote groepen van louter colobussen houden hun omgeving grondiger in de gaten dan gemengde groepen. Ook wagen de colobussen zich in gezelschap van de dianameerkatten vaker op de grond om de aarde van termietennesten te eten. Die hebben zij nodig voor hun spijsvertering. Voor colobussen is zo’n uitstapje veelzeggend, want het risico door een luipaard gegrepen te worden maakt dat ze zich op de grond even slecht thuis voelen als een kat in het water. Voor de dianameerkatten maakt het weinig uit of de grotere colobussen in de buurt zijn. Ze kijken even vaak om zich heen. Wel zijn ze in de nabijheid van de veel grotere en talrijkere roodhuiden minder zorgvuldig in het zoeken van dekking.

Alarm

Gehuld in een luipaardvel besloop Redouan Bshary 31 gemengde apengroepen. Meestal sloegen de dianameerkatten als eerste alarm.

Om te weten te komen welke soort in een gemengde groep als eerste alarm slaat bij de nadering van een roofdier, besloop Redouan Bshary de groepen. Hij hulde zich daarvoor in een doek met het patroon van een luipaardvel. De apen houden zich bij de nadering van een mens namelijk stil, maar reageren luidruchtig op een luipaard. In totaal besloop Bshary 49 groepen, waarvan er elf achteraf uit slechts één soort bleken te bestaan. Zeven keer ging het mis omdat niet de apen maar een duiker, een kleine antilope, hem het eerst opmerkte. Bij de resterende benaderingen sloegen de dianameerkatten vaak als eerste alarm. Ze kwalificeren zich daarmee als de beste schildwachten van het bos. Als groep kunnen zij, onder andere door hun grote verspreiding tijdens het voedselzoeken, een rover snel ontdekken. Wanneer Bshary groepen besloop die uit louter rode colobussen bestonden, lukte het hem die dichter te benaderen dan gemengde groepen.

Ontdekken

Een model van een kroonarend, dat op het pad door de bomen van een optrekkende groep apen was geplaatst, moest duidelijk maken welke soort als eerste deze roofvogel ontdekte. Dat de apen het model niet van het origineel onderscheidden, bleek uit het feit dat rode colobussen, West-Afrikaanse colobussen en dianameerkatten het soms aanvielen. Het model van de kroonarend liep doorgaans als eerste in de gaten bij de dianameerkattten, maar de rode colobussen ontdekten het ook snel.

De rode colobussen zijn niet de enige die voordeel hebben van het bondgenootschap. De dianameerkatten profiteren van het verdunningseffect dat optreedt door de grotere omvang van een gecombineerde groep. Daarnaast is de bereidheid van de colobussen om kroonarenden aan te vallen in hun voordeel en prefereren roofvijanden die naderen vanaf de grond (chimpansees, luipaarden en mensen) de colobus als jachtbuit boven de kleinere dianameerkatten. Chimpansees eten zowel absoluut als relatief meer colobussen dan dianameerkatten. Zo’n ‘favoriete-prooi-effect’ is eerder aangetoond voor associaties van Grant- en Thompsongazellen. Omdat cheeta’s een voorkeur hebben voor Tommies, houden de Grants zich bij voorkeur in hun buurt op. Een cheeta valt de grotere Grantgazelle alleen aan, als hij op een groep met louter Grants stuit.

Playback-experiment

Om te testen of rode colobussen en dianameerkatten elkaar werkelijk opzoeken bij angst, kregen ze bandopnamen te horen met het geluid van hun grootste vijanden, het luipaard en de chimpansee, en als controle een generator en een lege band. Het geluid startte als de groepen honderd meter uit elkaar waren en duurde dertig seconden. De grafiek geeft de toestand weer voor negen combinaties van twee groepen.

Worden de rode colobussen en de dianameerkatten daadwerkelijk door angst in elkaars armen gedreven? Om dat te testen kregen ze korte bandopnamen te horen van hun meest gevreesde roofvijanden, de chimpansee en het luipaard. Als controle dienden banden met opnamen van een dieselgenerator en lege banden.

De verwachting was dat vooral de rode colobus sterk op de chimpanseegeluiden zou reageren. Chimpansees jagen vrijwel uitsluitend op de drie colobussoorten en vrijwel nooit op meerkatachtigen. Over het hele jaar genomen verschalken de chimpansees minder dan een colobus per maand. Dat lijkt weinig, maar de dreiging is voor de colobussen groot genoeg om hun gedrag aan te passen. Daarbij moet men bedenken dat het aantal slachtoffers onder hen zonder die aanpassing veel groter zou zijn.

De jachtdruk op de colobus schommelt met het seizoen. Alleen als er genoeg voedsel is, jagen de volwassen chimpanseemannetjes in groepen op andere apen. In Taï is dat eigenlijk alleen in het lange regenseizoen van september tot december. Een eerste aanwijzing dat de rode colobus zich graag in de buurt van dianameerkatten ophoudt om ze als wachters tegen chimpansees te gebruiken, was dat de beide soorten tijdens het ‘jachtseizoen’ veel meer samen waren. Het initiatief hiertoe ging voornamelijk van de colobus uit.

Bij het onderzoek met de bandopnamen onderwierpen de onderzoekers de colobussen en dianameerkatten aan twee experimentele situaties. In de eerste hoorden ze de opnamen ’s ochtends vroeg, wanneer de groepen in elkaars buurt hadden geslapen. In het tweede geval gebeurde dat pas wanneer de partnergroepen zich ongeveer honderd meter van elkaar hadden verwijderd. In beide situaties hadden de chimpanseegeluiden effect. De colobussen bleven angstvallig in de buurt van de dianameerkatten of ze zochten die onmiddellijk op. Luipaardgegrom hield de groepen iets langer bij elkaar, maar had verder geen duidelijk effect. Op het zware brommen van een dieselmotor reageerden de apen totaal niet. Omdat een groep rode colobussen net zo reageert op mensen als op chimpansees, was de afspeelapparatuur met de lege band opgezet als controle. Van enige invloed van de onderzoekers was geen sprake.

Lijfwacht

Waarom vinden we een verschil in reactie van de colobussen op chimpansees en luipaarden? Grotere groepen van chimpanseemannetjes zijn maar af en toe in de buurt van een colobusgroep en bovendien alleen in bepaalde seizoenen. Zij kondigen hun aanwezigheid meestal aan met veel tamtam en geschreeuw. Alleen tijdens de eigenlijke jacht zijn ze muisstil. In zo’n situatie heeft het voor de colobus zin om de waarschuwende dianameerkatten op te zoeken. Zonder dat voordeel kost het alleen maar extra door de verlaagde efficiëntie bij het voedselzoeken. Tegen luipaarden, die net als kroonarenden te allen tijde onverwacht kunnen toeslaan, heeft het geen zin om een tijdelijke verdediging op te bouwen.

De gegevens ondersteunen het idee dat rode colobussen veiliger zijn voor roofdieren in gemengde groepen met dianameerkatten. De groepen blijven in elkaars buurt, voorzover hun menu’s dat toelaten. Ze mijden gevaarlijke situaties, zoals het bezoeken van een termietenheuvel of het zoeken van voedsel boven in het kronendak als ze alleen zijn.

Het is duidelijk waarom de rode colobus zoveel tijd en aandacht besteedt aan het opzoeken of volgen van de dianameerkatten. In de eeuwige evolutionaire wedloop tussen roofdier en prooi heeft de rode colobus de kleinere dianameerkat als persoonlijke lijfwacht aangesteld. Dat heeft de chimpansee dermate ontmoedigd, dat alleen het horen van de dianameerkat doorgaans al doet afzien van een jachtpartij.

Waarom samen leven?

Waarom leven veel dieren in permanente groepen? Dat is een van de basisvragen voor evolutionair-ecologen. Waarom zoekt een individu vrijwillig soortgenoten op, die immers de grootste concurrenten zijn bij het zoeken naar voedsel, schuilplaatsen en seksuele partners?

Van de vele verklaringen die zijn opgesteld, hebben er twee de meeste aandacht gekregen. Ten eerste verhoogt het leven in groepen de efficiëntie van het voedselzoeken, in de tweede plaats is een individu veiliger in een groep. De eerste verklaring kan gelden als het vangen van prooi (pelikaan, wolf, leeuw) of het verdedigen van voedsel (leeuw, hyena) beter gaat met z’n allen dan alleen. De tweede verklaring gaat op voor dieren die niet geheel verborgen kunnen leven en ook niet zo groot zijn dat ze geen vijanden meer hebben. Zij zijn in groepen bijna altijd veiliger dan als individu.

De meeste apensoorten vormen groepen die in de eerste plaats dienen om hun leden tegen vijanden te beschermen. Groepen kunnen echter niet eindeloos groeien. Zijn ze te groot, dan is de concurrentie om voedsel zo sterk dat de nadelen daarvan niet opwegen tegen de verhoogde veiligheid.

Waarom leven sommige soorten in gemengde groepen in plaats van in even grote groepen van één soort? Evolutionair-ecologen zoeken ook het antwoord op deze vraag door het afwegen van zowel de kosten als de baten voor het individu. Soorten met een zeer verschillend dieet kunnen grote groepen vormen zonder de concurrentie om voedsel merkbaar te verhogen. Toch zal vaak minstens één van beide soorten moeten afwijken van het optimale voedselzoekpatroon. De ene soort kan ook van de andere profiteren bij het vinden van voedsel. Een apensoort met een groot gebied kan de meer gedetailleerde kennis over de vindplaats van rijpe vruchten van een soort met een klein gebied gebruiken of, beter, misbruiken.

Bij het onderzoek naar een evolutionaire verklaring voor het leven in groepen bieden gemengde groepen, zoals die van rode colobus en dianameerkat, grote voordelen. Onderzoekers kunnen twee essentieel verschillende toestanden met elkaar vergelijken; die waarin de soorten alleen zijn en die waarin ze één grote, gemengde groep vormen.

Taï en Gombe

In het Gombe National Park in Tanzania, bekend door het werk van chimpansee-onderzoekster Jane Goodall, leven een (onder)soort van rode colobussen en chimpansees. De plaats van de dianameerkatten wordt er door geheel andere soorten meerkatten ingenomen.

In plaats van rustig te blijven of weg te sluipen, zoeken de colobussen in Gombe juist de confrontatie met de chimpansees. Vanwege de heuvels en het dunnere bladerdek in Gombe hebben de strategieën die in Taï werken daar minder zin. Bovendien naderen de chimpansees in Gombe openlijk en met veel lawaai. De colobussen hebben de hulp van de waarschuwende dianameerkatten daarom niet nodig. Bij het naderen van de chimpansees kiezen de mannelijke colobussen een lagere positie in de bomen en maken het de vijand lastig met geschreeuw en schijnaanvallen. Ze kunnen dat doen omdat zij zwaarder zijn dan hun soortgenoten van Taï, terwijl de chimpansees van Gombe juist wat kleiner zijn dan die van Taï. De colobussen kunnen zich dus aanpassen aan verschillende omstandigheden en, waarschijnlijk in een evolutionaire wedren met de chimpansees, verschillende verdedigingsstrategieën ontwikkelen.

Literatuur

Dit artikel is een publicatie van Natuurwetenschap & Techniek.
© Natuurwetenschap & Techniek, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 30 januari 2001

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.