Je leest:

Een tikje autistisch met een snufje bèta-talent

Een tikje autistisch met een snufje bèta-talent

Auteur: | 24 juni 2008

Autisme is niet alleen een ziekte die je hebt of niet, autistische klachten heb je in alle soorten en maten. Er zijn ook mensen die zich in het grensgebied bevinden en daar variërend mee kunnen functioneren. Recent onderzoek door Rosa Hoekstra laat zien dat in lichte mate aan autisme verwante eigenschappen ook in de gewone populatie veel voorkomen. Ze gaat dit onderzoek verder uitbreiden aan het Autism Research Centre in Cambridge. Voor haar plannen kreeg ze een Rubiconbeurs van NWO.

Hoekstra’s onderzoek is een vervolg op een deel van haar promotieonderzoek bij het Nederlands Tweelingen Register aan de Vrije Universiteit. Daar verdiepte ze zich onder meer in de ‘trek autisme’. "De laatste jaren wordt aangenomen dat autistische klachten in een spectrum voorkomen: van zwaar autistisch, tot mensen met autistische klachten die daardoor wat moeilijker functioneren, maar nog vrij goed kunnen meekomen in de maatschappij.

Ik wilde kijken naar de variatie van autistische trekken in de gewone bevolking. Autisme als persoonlijkheidskenmerk dus, maar wel een trek waarin verschillende aspecten aan bod komen, zoals problemen met sociale interactie en beperkte interesses. Dan gaat het om mensen die goed telefoonnummers kunnen onthouden, snel details opmerken, maar moeite hebben om op feestjes snel van gesprekspartner te wisselen. Ook hebben ze vaak moeite met plotselinge veranderingen. Misschien herkennen sommigen zich daar wel in."

Een verder gezond persoon kan toch wat autistische persoonlijkheidstrekken hebben. Zo iemand heeft bijvoorbeeld moeite om op een feestje snel van gesprekspartner te wisselen.

We zijn allemaal wel een beetje autistisch

In Engeland is een vragenlijst ontwikkeld om het vóórkomen van autistische trekken te meten, de autisme-spectrumquotient (aq). Deze lijst is zowel bij autisten als bij mensen uit de gewone populatie afgenomen en daaruit bleek dat de variatie van die autistische trekken in de gewone populatie normaal verdeeld is. De vragenlijst is in het Nederlands vertaald en in haar promotieonderzoek heeft Hoekstra er een validatiestudie naar gedaan.

De lijst blijkt ook in Nederland goed te werken. Behalve bij een kleine groep mensen met autismespectrumstoornis, heeft ze hem afgenomen bij mensen met een sociale-angststoornis en obsessief compulsieve stoornis. “Ik wilde kijken of een hoge aq-score specifiek is voor mensen met autisme, of dat je dat kunt generaliseren naar groepen met andere psychiatrische problematiek. We vonden dat de laatste twee groepen hoger scoorden dan de gewone populatie, maar weer lager dan de autisten. Dat is goed te verklaren, want iemand met een sociale-angststoornis heeft moeite met sociaal gedrag en iemand met obsessief compulsieve stoornis laat repetitief gedrag zien. En dat zijn beide ook symptomen van autisme.”

Als wetenschappers zeggen dat een eigenschap ‘normaal verdeeld’ is, bedoelen ze daarmee dat de variatie lijkt op deze grafiek. In het midden van de x-as, waar de grafiek het hoogst is, vind je de gemiddelde score op een bepaalde eigenschap (zoals lengte of autistische trekken). De grafiek is daar het hoogst omdat de meeste mensen gemiddeld scoren. Links en rechts liggen de meer extreme scores: bijvoorbeeld links de hele kleine en rechts de hele lange mensen. Omdat daar veel minder van zijn, is de grafiek hier veel minder hoog. Een normaalverdeling heeft altijd de vorm van een klok, vandaar dat het in het Engels ook wel een Bell Curve wordt genoemd. Veel eigenschappen zijn (ongeveer) normaal verdeeld. Niet alleen lengte, maar ook dingen als politieke voorkeur en bepaalde persoonlijkheidstrekjes.

Vervolgens nam Hoekstra de lijst af bij de tweelingen uit het tweelingregister en hun broers en zussen, die allemaal uit de gewone populatie komen. Haar conclusies: mannen scoren hoger dan vrouwen (wat overeenstemt met het feit dat autisme vaker voorkomt bij mannen). En eeneiige tweelingen lijken meer op elkaar dan tweeeiige tweelingen, wat een indicatie geeft dat genetische factoren een rol spelen bij het verklaren van individuele verschillen in autistische trekken. Het was al bekend dat autismespectrumstoornissen onder sterke genetische invloed staan. Het huidige onderzoek laat zien dat variatie in autistische trekken in de algemene bevolking ook deels door genetische effecten kan worden verklaard.

Gezonde mannen hebben vaker autistische trekjes dat gezonde vrouwen. Dat is niet erg vreemd: onder de ‘echte’ autisten zijn mannen ook zwaar oververtegenwoordigd. De Britse onderzoeker Baron-Cohen denkt dan ook dat een autistisch brein eigenlijk een extreem mannelijk brein is. Dat verklaart volgens hem ook waarom zowel autisten als mannen vaak een voorkeur voor technische of exacte beroepen hebben.

Systemen versus gevoelens

Met de Rubicon-beurs gaat ze nu aan het autismeonderzoekscentrum in Cambridge onderzoek doen en wil ze zich onder meer gaan richten op autisme en cognitieve vaardigheden. Onder autisten is een grote spreiding in iq te zien. Maar Hoekstra wil zien of er aan mensen met een hoge aq-score een bepaald cognitief profiel te hangen is. Zijn mensen met veel autistische trekken goed in bepaalde cognitieve taken en zwakker in andere?

Hoekstra: “Het idee is dat mensen met een autismespectrumstoornis slechter zijn in empathizing, ze zouden zich moeilijker in anderen kunnen verplaatsen en hebben er moeite mee te raden wat iemand voelt. Maar ze zouden goed zijn in systemising, in het doorgronden en voorspellen van systemen.” Opvallend is verder dat mensen met een bèta-opleiding hoger scoren op de autismeschaal dan mensen met een opleiding in de sociale wetenschappen of letteren.

Volgens Hoekstra zijn (licht) autistische mensen niet erg empathisch, maar wel erg goed in het doorgronden van allerlei systemen. Eerder onderzoek lijkt dat idee te ondersteunen: mensen met een bèta-opleiding (waar het analyseren van systemen bijzonder belangrijk is) hoger scoren op de autismeschaal dan mensen met een opleiding in de sociale wetenschappen of letteren. Enige voorzichtigheid is echter wel geboden: zulk onderzoek kan niet vaststellen wat oorzaak en wat gevolg is. Je kunt dus niet zomaar zeggen dat autisme leidt tot meer bèta-interesse.

Uit eerder onderzoek is al gebleken dat mensen met een autismespectrumstoornis beter scoren op de technische bloklegtaak, terwijl ze op de verbale vloeiendheidstaak juist lager scoren. Hoekstra wil het onderzoek nu in de gewone populatie voortzetten. “Ik wil weten of ik diezelfde trend in de gewone populatie terugvindt: zijn mensen met relatief veel autistische trekken relatief beter in technische taakjes zoals de bloklegtaak en juist minder goed in andere taken? Omdat het onderzoek in een groep tweelingfamilies wordt gedaan, kan ik vervolgens ook onderzoeken of het mogelijke verband genetisch is of juist komt door omgevingsfactoren.”

Hoop voor de toekomst

Uiteindelijk hoopt ze meer te weten te komen over de variabiliteit in autisme. “Mensen met een autismespectrumstoornis vormen een heterogene groep. De ernst van de stoornis kan erg verschillen, ook kan de aard van de klachten erg verschillen. Sommige mensen uit deze groep hebben veel sociale beperkingen en laten juist minder repetitief gedrag zien. Ten slotte is ook het cognitief functioneren van autisten erg variabel. Ik hoop dat mijn onderzoek bijdraagt aan het beter begrijpen van de heterogeniteit van de stoornis.”

Uiteindelijk hoopt ze dat haar onderzoek kan helpen bij het verhelderen van het diagnostisch proces. En mogelijk, als de DSM-IV weer wordt geüpdatet, kan haar onderzoek bijdragen aan het bijstellen van de definities van autismespectrumstoornissen.

Dit artikel is een publicatie van De Psycholoog.
© De Psycholoog, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 24 juni 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.