Je leest:

Een ongewenste vreemdeling

Een ongewenste vreemdeling

Auteur: | 3 maart 2003

Van alle exotische soorten die in Nederland voorkomen, is de Japanse oester een opvallend voorbeeld. Dit weekdier heeft zich in korte tijd met veel succes weten te verspreiden in de Zeeuwse Deltagebieden en is nu in opmars naar het Noorden. Het grote succes van deze exoot is met name te danken aan het gebrek aan natuurlijke vijanden, de hoge groeisnelheid en zijn bestendigheid tegen ziekten. Door zijn leefwijze, in uitgestrekte riffen, en zijn scherpe, onregelmatige randen, vormt deze nieuwkomer een probleem voor zwemmers, duikers en binnenkort mogelijk zelfs wadlopers.

Al sinds het begin van de ontdekkingsreizen over zee, eeuwen geleden, brengen reizigers diersoorten mee van ver weg. Deze zijn bewust verzameld, aan de schepen gegroeid, of bijvoorbeeld net als de larven van schelpdieren en borstelwormen, met het ballastwater het schip ingekomen. De introductie van exoten (soorten in een ecosysteem die er oorspronkelijk niet voorkwamen) is dus al eeuwenlang aan de gang. Voor veel van deze ‘nieuwe’ soorten is ons klimaat ongeschikt, maar het aantal dat zich aanpast en definitief vestigt neemt toe. De laatste tijd is bij wetenschappers zelfs het vermoeden gerezen, dat soorten uit warmere streken zich hier ook kunnen vestigen, vanwege de hogere kustwatertemperatuur in de winter, veroorzaakt door opwarming van de aarde.

Niet te eten voor vogels

Een voorbeeld van zo’n exoot, nog niet zo lang geleden bewust geïntroduceerd in de Nederlandse wateren, is de Japanse oester ( Crassostrea gigas), ook wel Creuse genaamd.

In de strenge winter van 1963 vond een grote sterfte plaats onder de platte Zeeuwse oesters ( Ostrea edulis). Omdat de gehele oesterkweek, die toen ook al plaatsvond in Oosterschelde en Grevelingen (Zeeland), plat lag door gebrek aan oesters, werden oesters uit het buitenland geïmporteerd. Bij deze import is later, waarschijnlijk met de Bretonse oesters, de ééncellige Bonamia ostraeameegekomen. Dit is een parasiet die de ziekte Bonamiasis veroorzaakt bij de platte oester en die in de jaren tachtig om zich heen greep. Oesterkwekers zochten daarom hun heil in andere kweeksoort namelijk: de Japanse oester.

De Japanse oester is namelijk beter bestand tegen ziekten zoals Bonamiasis dan de platte oester. Daarnaast groeit de Japanner sneller dan de Zeeuwse, waardoor hij eerder geslachtsrijp is en zich sneller voort kan planten. Zo is de Nederlandse oester pas na vier á vijf jaar geschikt om te eten en de Creuse al na twee jaar. Verder heeft C. gigas zo goed als geen natuurlijke vijanden, want hij is door de scherpe, golvende, schelprand niet te eten voor vogels. Nog een voordeel voor de kwekers, is dat de Japanse oester veel groter kan worden dan de maximale tien centimeter lengte die de platte bereikt.

Voedselconcurrentie

Door zijn snellere geslachtsrijpheid en snelle groei, gecombineerd met de goede weerstand tegen ziekten, was het te voorspellen dat de Japanse oester de Zeeuwse, ook buiten de kweekpercelen, bijna geheel zou verdringen.

Maar de Japanse oester heeft niet alleen zijn Nederlandse familie verdrongen. Hij heeft zich uitgebreid tot de meest dominante schelpdiersoort in de Oosterschelde. Volwassen Creusen leven namelijk van hetzelfde plankton als andere schelpdieren, zoals de kokkel en de mossel. Het zijn dus voedselconcurrenten. De schattingen zijn dat de Japanse oestersoort mogelijk driekwart van het beschikbare plankton in de Oosterschelde nodig heeft. Er blijft dus minder over voor andere consumenten van fytoplankton.

Verdere verspreiding

Vanuit de Oosterschelde kruipt de Japanse oester langzaam naar het noorden. Was de Japanse oester omstreeks 1980 in de Waddenzee nog een bijzondere verschijning, nu ligt met name het westelijk gedeelte (voor Texel) er al vol mee. De voorspelling is dat het niet lang meer gaat duren voordat C.gigas de Oostelijke Waddenzee ook de baas gaat zijn: er zijn al oesters ter hoogte van Noord Duitsland gesignaleerd.

Afb. 1: Japanse oesterrif klik op de afbeelding voor een grotere versie

Als de Japanse oester zich massaal in de Waddenzee zou vestigen, zou wadlopen wel eens lastig kunnen worden, aangezien ze de neiging hebben een soort rif te vormen (zie afbeelding 1), met plekken zand ertussen waarin je in wegzakt en waar je verwondingen op kunt lopen aan de scherpe randen van de oester.

Afb. 2: Japanse oestereieren

Levensloop

Oesters zijn tweeslachtig. Ze zijn eerst mannelijk maar veranderen naarmate ze ouder en groter worden, meestal in vrouwtjes. In het paaiseizoen, in Nederland rond juli en augustus, scheiden de oesters zaad- of eicellen (gameten) af in de waterkolom (het zogenaamde ‘paaien’). De oesters hebben voor hun voortplanting wel een minimum temperatuur nodig: het water moet minstens 18°C zijn. De waterkolom boven een oester, waarin de bevruchting moet plaatsvinden, is relatief groot. Daarom zijn er veel gameten nodig. Ook een goede timing van de verspreiding is vereist.

Afb. 3: Oester trochophoor (2 dagen oud)

De larven die zich uit de bevruchte eitjes (zie afbeelding 2) ontwikkelen leven gedurende drie weken in de waterkolom. Vanuit het trochophore stadium (zie afbeelding 3), de fase waarin het larfje nog maar een klompje cellen is, dat leeft van de oorspronkelijke reserves in de eicel, ontwikkelt het embryo zich tot een D-larve (zie afbeelding 4). Deze heeft al een echt schelpje in de vorm van de hoofdletter D. Van alle larven die geproduceerd worden, sterft echter het grootste gedeelte af gedurende hun verblijf in de waterkolom.

Afb. 4: Oester D-larve

De larven beginnen vanaf het veliger stadium planktonalgen te eten. Hun zwemorgaan is ook bedoeld om mee te eten. Dit orgaan, velum genoemd, is een soort rad met kleine haartjes (cilia) erop die allemaal in fase bewegen. Hierdoor zorgt de larve dat het water rondom hem beweegt waardoor het zich niet alleen kan verplaatsen maar er ook een stroom water met algen langs zijn eetorgaan wordt bewogen. De larven, veligers geheten, groeien hard door, totdat de tijd komt dat ze rijp zijn voor het leven op de bodem. Op dat moment hebben ze naast hun zwem- en eetorgaan een voet ontwikkeld en heten ze pediveliger (pedi is Latijn voor voet). Die voet is een driehoekig stuk spier, waarmee ze zich over de bodem kunnen voortbewegen of zich (in het geval van een kokkellarve) kunnen ingraven in het sediment.

Afb. 5: 15-20 dagen oude Japanse oesterlarve

Nu moeten de pediveligers een geschikte plek zoeken om hun leven op door te brengen. Vestiging op een gunstige plaats is noodzakelijk want als ze eenmaal vastzitten is het voor altijd. De larve metselt zich op een harde ondergrond vast, door zich met een soort ‘cement’ vast te zetten. Het middel waarmee ze zich vastlijmen, is afkomstig uit een klier aan de basis van de net ontwikkelde voet. Oesterkwekers zorgen voor een harde ondergrond op hun percelen door mosselschelpen te zaaien als aanhechtingsplek voor de jonge oesters Als de jonge oester eenmaal vastzit kan het opgroeien tot volwassen oester beginnen.

Afb. 6: Oesterlarve klaar voor bevestiging

Larven kunnen volwassen oesters waarnemen door de stoffen die de volwassen oesters afscheiden aan het water. Aangezien jonge oesters een voorkeur hebben voor plekken waar al oesters zitten, kunnen op deze manier kleine oester riffen gemakkelijk veranderen in grote.

Zorgen voor de toekomst

De Japanse oester mag dan een gemakkelijke kweekoester zijn, maar de verspreiding buiten de oesterpercelen begint dusdanige vormen aan te nemen, dat over een plaag gesproken kan worden. De oesters vormen een scherp rif wat gevaar oplevert voor de recreatie in de Oosterschelde. Denk bijvoorbeeld aan het openhalen van voeten en benen van zwemmers en duikers of beschadigingen aan duikpakken. Het oesterrif kan zo hoog en onregelmatig worden dat er niet meer overheen te lopen is. Een ander probleem van de grote aantallen oesters is hun grote filter capaciteit, ze filteren larven van andere schelpdieren uit het water. Bovendien zijn ze voedselconcurrenten van andere schelpdieren. Welk gevolg dit op langere termijn zal hebben voor de Oosterschelde is onduidelijk maar het is erg zorgwekkend dat de populatie oesters maar blijft toenemen.

Een pot (exotisch) nat

Succesvol geïntroduceerde soorten zijn vaak snelle groeiers die beter bestand zijn tegen vervuiling of ziektes dan de lokale soorten. De Japanse oester voelt zich bijvoorbeeld ook goed thuis op door de mens gecreëerde harde oppervlakken zoals kades en dijken. De overheersing van één of enkele soorten in een ecosysteem resulteert in één pot nat:de introductie van exoten dreigt wereldwijd te verzanden in een vervlakking en uniformering van mariene flora en fauna. Dat gaat zeker op in het geval van de Japanse oester die het beeld van de Oosterschelde al aardig begint te bepalen.

Bronnen:

Fish J.D. and Fish S. A. (1996) Student’s Guide to the Seashore. Cambridge University Press, 2nd edition

The Eastern Oyster. In: Kenedy V.S., Newell R.I.E., Eble A.F.A (Eds.) (1996) Maryland Sea Grant Book

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI).
© Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI), sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 03 maart 2003

NEMO Kennislink Agenda

NEMO Kennislink vertoont op deze plaats normaal gesproken wetenschappelijke activiteiten uit heel Nederland. Door de maatregelen tegen het nieuwe coronavirus zal daarvan een groot gedeelte worden afgelast. Omdat we geen achterhaalde informatie willen verspreiden, laten we voorlopig geen activiteiten zien.
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.