Je leest:

Een model voor schizofrenie

Een model voor schizofrenie

Auteur: | 1 januari 2004

Ze zijn te herkennen aan hun karakteristieke uiterlijk, een gespleten verhemelte en aangeboren hartafwijkingen. Eenderde van hen ontwikkelt op volwassen leeftijd een psychose. Voor psychiaters vormen patiënten met het velocardiofaciaal syndroom dan ook een buitenkans voor onderzoek naar het ontstaan van psychoses en schizofrenie.

Het velocardiofaciaal syndroom is een vrij vaak voorkomende, maar nog relatief onbekende aandoening. Kinderen met deze genetische afwijking zijn voor hun lichamelijke klachten meestal onder behandeling van een arts. De aandoening heeft echter ook een psychische component – eenderde van de patiënten ontwikkelt op volwassen leeftijd een psychose – die dikwijls ondergesneeuwd raakt. Doorverwijzing naar een psychiater is dus geen overbodige luxe, vindt Thérèse van Amelsvoort. Zij is psychiater van de Adolescentenkliniek AMC/De Meren en onderzocht voor haar promotieonderzoek de hersenstructuur en de cognitieve functies van deze bijzondere patiëntengroep.

Mensen met het velo(verhemelte) cardio(hart) faciaal(aangezicht) syndroom (VCFS) verraden zich door een karakteristiek uiterlijk: een neus die bij de tip breed uitloopt, diepliggende ogen en een kleine mond met dunne lippen. Een gespleten verhemelte en aangeboren hartafwijkingen zijn de meest frequent voorkomende fysieke afwijkingen waar zij mee kampen. Daarnaast kunnen ze een keur aan aandoeningen hebben: een te lage calciumspiegel, een slecht aangelegde thymus en afwijkingen aan de (bij)schildklier. Meestal is er ook sprake van lichte zwakzinnigheid en gedrags- en psychiatrische problemen, waarbij ADHD, autistische stoornissen en angststoornissen voorkomen.

Dit heterogene beeld wordt veroorzaakt door één gemeenschappelijke fout in het erfelijk materiaal. De patiënten missen allemaal een stukje van chromosoom 22, op band q11. Een andere benaming is daarom ook wel het 22q11-deletiesyndroom.

Deze set chromosomen is getest op aanwezigheid van q11.23 op chromosoom 22. Mensen die dit stukje chromosoom missen (deleties) hebben het velocardiofaciaal syndroom. Bron: UKE Hamburghttp://ihg.uke.uni-hamburg.de

Uniek model

Voor de patiënten die er aan lijden is het een aangrijpend syndroom, voor psychiaters een buitenkans om meer te weten te komen over het ontstaan van psychoses en schizofrenie. Dertig procent van de patiënten ontwikkelt namelijk op volwassen leeftijd een psychose, op basis waarvan meestal de diagnose schizofrenie wordt gesteld. ‘Daarmee is het één van de grootste risicofactoren voor het krijgen van schizofrenie’, vertelt Van Amelsvoort. ‘Alleen kinderen waarvan beide ouders de psychiatrische stoornis hebben of kinderen met een tweelingbroer of -zus die lijdt aan schizofrenie, lopen een nog groter risico. Bovendien zijn alle genen die op chromosoom 22 liggen bekend en weten we precies welke genen ontbreken bij patiënten met dit syndroom. Dat maakt het een uniek model voor onderzoek naar de biologische determinanten van schizofrenie.’

Van Amelsvoort bestudeerde de structuur van de hersenen van volwassenen met VCFS met behulp van de beeldvormende techniek MRI. Ze mat hersenvolumes en de hoeveelheid grijze en witte stof. Daarnaast testte ze het cognitieve functioneren van de patiënten: het IQ, het geheugen, visuospatiële functies (zoals ruimtelijk inzicht en het herkennen van objecten), het vasthouden van aandacht en het vermogen om te plannen en problemen op te lossen.

Patiënten met het syndroom vergeleek ze met gezonde proefpersonen met hetzelfde intelligentieniveau. Daarnaast analyseerde ze de verschillen tussen VCFS-patiënten met psychose en zonder psychose.

Frontale hersenen

Van Amelsvoort: "Het totale hersenvolume van psychotische patiënten met VCFS is significant kleiner dan dat van VCFS-patiënten zonder psychose en dat van gezonde proefpersonen. Vooral de frontale hersengebieden zijn aangedaan. Hetzelfde beeld zien we bij patiënten met schizofrenie. Het is nog speculatie, maar het vermoeden bestaat dat er iets mis gaat in de ontwikkeling, bij de rijping van de hersenen. De frontale hersenen zijn de laatste delen die rijpen. In de adolescentie verandert de hoeveelheid grijze en witte stof en vindt er verfijning plaats van verbindingen tussen zenuwcellen. En de adolescentie is precies de periode waarin psychoses zich openbaren bij VCFS en in de algemene populatie.’

De psychiater stuitte echter ook op verschillen. Bij schizofreniepatiënten is vooral de grijze stof aangedaan. Op de MRI-plaatjes van haar patiëntengroep met en zonder psychotische verschijnselen waren vooral afwijkingen in de witte stof te zien, naast een toename van de hersenvloeistof. Uit de cognitieve testen die ze deed, bleek dat VCFS-patiënten met psychoses meer problemen hadden met het spatiële werkgeheugen en aandacht. Het verbale vermogen en het geheugen zijn niet gestoord, terwijl die functies bij schizofreniepatiënten juist vaak achteruit gaan. “Daarom denk ik dat schizofrenie en psychose bij VCFS niet helemaal vergelijkbaar zijn. In vakkringen is de discussie of psychose bij VCFS wel schizofrenie genoemd mag worden dan ook nog volop aan de gang.”

Kandidaatgenen

Sinds het bestaan van de fluorescentietechniek FISH, waarmee de chromosoomafwijking in beeld kan worden gebracht, is de ziekte gemakkelijk op te sporen. Voor een erfelijke aandoening blijkt het 22q11-deletiesyndroom relatief vaak voor te komen. Bij naar schatting 1 op de 4000 pasgeborenen ontbreekt het stukje chromosoom. ‘Misschien is dit getal zelfs nog een onderschatting’, vermoedt Van Amelsvoort. ‘Het syndroom uit zich op zeer uiteenlopende manieren en niet alle dragers van dit defect bezoeken een arts. Als mensen zonder behandeling kunnen functioneren, komen ze niet snel in het medische circuit terecht.’ In Nederland zijn ongeveer 200 families bekend waarin het probleem zich voordoet.

Op het ontbrekende stukje chromosoom liggen dertig tot vijftig genen. Van een aantal daarvan bestaat het vermoeden dat ze verband houden met de toegenomen kans op schizofrenie. De belangrijkste kandidaat is het gen dat codeert voor catechol-O-methyltransferase (COMT), het enzym dat dopamine (een boodschapperstof in de hersenen die signalen doorgeeft) afbreekt. Van Amelsvoort: ‘Deze neurotransmitter speelt een rol bij allerlei psychiatrische aandoeningen. Zeker bij psychoses gaat men er van uit dat de dopaminehuishouding verstoord is. Het ligt dus voor de hand dat daar een link ligt met schizofrenie. Het enzym is bovendien vooral van belang in de frontale hersendelen. Daar komt zestig procent van de afbraak van dopamine voor rekening van COMT.’

Een ander kandidaatgen is dat voor prolinedehydrogenase. Dit enzym speelt mogelijk een rol bij het filteren van informatie in de hersenen. Muizen zonder dit gen reageren afwijkend op een test waarbij een schrikreactie wordt opgewekt. Diezelfde afwijkende reactie zie je bij mensen met schizofrenie.

Behandeling

Het wetenschappelijk onderzoek naar VCFS staat nog in de kinderschoenen. De aandoening is dan ook nog niet zo lang als zodanig bekend: de Amerikaan Shprintzen beschreef het syndroom voor het eerst in 1978. Vooralsnog heeft alle opgedane kennis nog niet geleid tot een nieuwe en betere behandeling van psychoses. Ook haar eigen onderzoek, waarop ze op 20 januari hoopt te promoveren, geeft volgens Van Amelsvoort niet direct aanleiding tot een andere therapie: ‘Ik ben zelf vooral geïnteresseerd in de biologische achtergrond, de mechanismen die tot de ziekte leiden. Dat basale onderzoek moet gedaan worden, want je kunt pas gericht op zoek gaan naar een behandeling als je begrijpt hoe iets ontstaat. Om COMT als voorbeeld te nemen: als we meer leren over hoe dit enzym zich gedraagt bij mensen met en zonder psychose, kunnen we die kennis gebruiken om de ontwikkeling van psychofarmaca te verfijnen. De huidige antipsychotica grijpen vooral aan op dopamine-receptoren, terwijl er theoretisch meerdere mogelijkheden zijn. Onderzoek naar de rol van COMT bij het ontstaan van psychose kan ons veel leren.’

Haar cognitieve studies hebben echter wel degelijk een klinisch belang: ‘Behandelaars moeten beseffen dat VCFS-patiënten vooral nonverbaal ernstige beperkingen hebben. Mensen met VCFS uiten zich verbaal relatief sterk en daardoor worden de beperkingen op andere gebieden niet direct gezien. Maar ze zijn bijvoorbeeld niet zo goed in het oppikken van signalen die belangrijk zijn voor sociale interactie. Dat moet je onderkennen. Inzicht in het cognitieve functioneren helpt therapeuten om te beslissen waar ze aandacht aan moeten besteden.’ Ook is de kennis over het 22q11deletie-syndroom belangrijk om patiënten en hun ouders goed voor te lichten over risico’s. Eén van de consequenties van een psychose is dat patiënten vaak hun leven lang begeleiding nodig hebben en medicatie moeten slikken.

‘Vaak zijn deze kinderen vanwege hun klachten wel onder behandeling bij verschillende specialisten, zoals de keel- neus- en oorarts, cardioloog of plastisch chirurg. In Nederland worden echter nog weinig patiënten naar de psychiater doorgestuurd. Hierdoor blijven de gedrags- en emotionele problemen onderbelicht.’ In Londen, aan het Maudsleyziekenhuis waar Van Amelsvoort haar opleiding tot psychiater volgde en het grootste deel van haar promotieonderzoek deed, zag ze wel veel volwassenen met VCFS. Ook in het AMC wil ze speciale aandacht gaan besteden aan deze groep. ‘Via de patiëntenvereniging heb ik gehoord dat er een behoefte is aan begeleiding bij de psychiatrische problematiek. Daar ligt een taak voor de psychiatrie,’ vindt Van Amelsvoort.

Dit artikel is een publicatie van AMC Magazine.
© AMC Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 januari 2004
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.