Je leest:

Een klein land met een grote ambitie

Een klein land met een grote ambitie

In de eerste helft van de 20e eeuw, als de wereld in brand staat door twee wereldoorlogen, ontstaat de idee dat de wereldgemeenschap van wetenschappers een voorbeeld zou kunnen zijn voor een betere en vreedzamere samenleving. Dr. Geert Somsen, universitair docent wetenschapsgeschiedenis aan de Faculteit der Cultuur- en Maatschappijwetenschappen, is uitermate geïnteresseerd in deze wereldgemeenschap van wetenschappers en zijn idealen. In zijn onderzoek kijkt hij naar hoe dit ideaal van een betere wereldgemeenschap in deze periode geformuleerd en concreet uitgewerkt wordt en dan vooral in Nederland. In september doet hij op twee congressen (in Londen en in Krakov) verslag van zijn onderzoek naar het internationalisme van deze ‘brotherhood of scientists’ in de eerste helft van de 20e eeuw.

De eerste Solvay Conferentie

De eerste helft van de 20e eeuw is voor Somsen zo interessant omdat Nederland in deze periode een grote wetenschappelijke bloei kende en op het wetenschappelijke wereldtoneel een belangrijke rol als bemiddelaar speelde. ‘Die bemiddelaarsrol kun je aannemen als je wetenschappelijk belangrijk bent, maar politiek en economisch onbelangrijk. Grootmachten als Engeland en Amerika zijn te bedreigend om als bemiddelaar op te kunnen treden. Dus zie je landen als Nederland, maar ook België, Zweden en Zwitserland, hun kans grijpen om als klein land internationaal toch een grote en belangrijke rol te spelen. Zweden is niet voor niets het land waar de Nobelprijs wordt uitgereikt, in Zwitserland vestigen zich allerlei internationaal wetenschappelijke instituten en België is de organisator van de beroemde Solvay Conferenties, waarin onder andere Einstein en Bohr samenkwamen om te discussiëren over de relativiteitstheorie en de kwantummechanica.’

Juist in het begin van de 20e eeuw (de tijd van oorlogen, economische crisis en opkomend facisme) ontstaat het ideaal van een vredelievende gemeenschap van wetenschappers die de wereld tot voorbeeld kan dienen. ‘Natuurlijk is het niet zo dat wetenschappers beter of vredelievender zijn dan andere mensen, maar zo wilden de wetenschappers zich wel presenteren. Dat ideaal leefde echt heel sterk. Ik heb me verdiept in hoe zij dit ideaal geformuleerd hebben. En dan stuit je bijvoorbeeld op iemand als Pieter Eijkman, een medicus die een heel bouwplan klaar had voor een wereldhoofdstad voor de wetenschap in Den Haag. Allerlei wetenschappelijke instituten zouden hier gevestigd moeten worden en het centrale plein zou ’plein voor de verbroedering der mensheid’ gaan heten. Je ziet in die tijd, en niet alleen bij Eijkman een enorme manifestatiedrang om de idee van een wetenschappelijke wereldgemeenschap te concretiseren. Het ideaal van het internationalisme van de wetenschap, van de idee van één grote wereldgemeenschap van wetenschappers was niet puur idealistisch. Het gaf Nederland en Nederlandse wetenschappers de kans zich meer te profileren op het wereldtoneel.’

De wereldgemeenschap van wetenschappers verenigde zich in die jaren in één groot overkoepelend orgaan, de ICSU (International Council of Scientific Unions), tot de Eerste Wereldoorlog voorafgegaan door de IAA (International Association of Academies) van 1919 tot 1931gevolgd de IRC (International Research Counsil). ‘Dat was dé plek waar ze zich ideologisch konden presenteren. En je ziet dat vanaf 1910 tot vlak na de Tweede Wereldoorlog Nederlandse wetenschappers als Hendrik Lorentz en later H.R. Kruyt belangrijke posities binnen deze organisatie bekleden.’

Hendrik Lorentz

Olympisch en socialistisch internationalisme

Het onderzoek van Geert Somsen is nog in volle gang. Het eerste deel, waarin hij de ideeën over de wereldgemeenschap van wetenschappers in de eerste helft van de 20e eeuw onderzoekt, is net afgerond en vastgelegd in twee artikelen die binnenkort zullen verschijnen.

Somsen beschrijft hierin onder andere hoe er in deze periode een omslag plaatsvindt in de ideeën over het internationalisme van de wetenschap. ‘Die omslag loopt van wat ik noem een Olympisch internationalisme naar een socialistisch internationalisme. Het Olympische internationalisme van rond de eeuwwisseling is gebaseerd op nationalisme; juist in de internationale vergelijking kan een natie zegevieren. Het internationalisme dient ter versterking van het nationalisme. Wetenschappelijke successen zijn niet zozeer persoonlijke successen maar onderstrepen vooral het belang en karakter van een land. De wereldgemeenschap van wetenschappers bestaat niet meer zozeer uit individuen (zoals dat bestond in het idee uit de 18e eeuw van een Republiek der Letteren) maar uit landen. Nog steeds zijn we trots wanneer een Nederlander de Nobelprijs wint.’ Dit Olympisch idee van internationalisme werd sterk gekoppeld aan het pacifisme: wetenschap zal vrede brengen want alleen door (internationale) samenwerking werkt wetenschap.

Aanhangers van het Olympisch internationalisme waren in Nederland belangrijke wetenschappers als onder andere Hendrik Lorentz (natuurkunde, 1902 Nobelprijs), Ernst Cohen (chemie) en Frederik Went (biologie). Via de Unions van hun vakgebied, verenigd in de IRC, speelden ze internationaal een belangrijke, bemiddelende rol.

In de jaren ’20 en ’30 verandert dit Olympisch internationalisme geleidelijk in een socialistisch internationalisme. Wetenschappers willen de wetenschap dan meer met politiek verbinden. ’Zo rond de Tweede Wereldoorlog geloofden veel mensen dat de wetenschap model kon staan voor een soort van wereldregering. Socialistische wetenschappers vonden dat er wetenschappelijk instituten opgericht moesten worden om beleid te maken.

Maatschappelijke problemen als werkeloosheid, armoede en dergelijke konden wetenschappelijk opgelost worden. Het regeren kon men beter aan experts, oftewel wetenschappers overgelaten. Dit gedachtegoed had in die tijd de wind mee. In Nederland leidde het bijvoorbeeld tot de oprichting van het Centraal Planbureau en TNO (de Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek).’ Belangrijke vertegenwoordigers van deze stroming in Nederland waren J.M. Burgers (natuurkunde) en H.R. Kruyt (chemie) die ook zeer actief waren binnen de ICSU. Kruyt was betrokken bij de oprichting van TNO en in 1945/’46 voorzitter van de ICSU.

A. Einstein, A.S. Eddington, P. Ehrenfest, H.A. Lorentz, en W. de Sitter in Leiden (1920).

Work in progress

De volgende stap in Somsens onderzoek is om te kijken hoe wetenschappers het ideaal van die betere wereldgemeenschap aan de buitenwereld presenteerden. Somsen wil hierbij gebruik maken van het concept van de ‘imagined communities’.

‘Het begrip ’imagined communities’ komt van de historicus Benedict Anderson die daarmee wil zeggen dat het idee van een volk, bijvoorbeeld het Nederlandse, geen feit is, maar eigenlijk een soort van fictie. De meeste Nederlanders zullen elkaar nooit kennen en toch hebben ze het gevoel bij elkaar te horen. Voor nagenoeg alle huidige volkeren is dat idee ooit actief gepromoot door nationalisten. Zij creëerden het idee van een gezamenlijke cultuur en herkomst, zoals ‘de Batavieren die bij Lobith de Rijn af kwamen zakken.’ Zo kun je de wereldgemeenschap van wetenschappers ook zien als een ‘imagined community’. Je ziet dan ook in de eerste helft van de 20e eeuw veel boekjes verschijnen over het universele karakter van de wetenschap. Er worden geschiedenissen van de wetenschap geschreven waarin wetenschappers voorgesteld worden als een soort volk dat van de Grieken afstamt, vergelijkbaar met de Nederlanders die van de Batavieren afstammen.’

Om te zien hoe die ‘imagined community’ van de wereldgemeenschap van wetenschappers een gezicht krijgt, wil hij onder andere de congressen van de ICSU bestuderen: de uitspraken die men daar als gemeenschap deed, de manier waarop zij de achterban representeren, maar ook de foto’s en dergelijke. ‘Als je naar congresfoto’s uit die tijd kijkt, dan zie je een cliché, een soort voetbalelftal, al die sjiek geklede mannen; de belangrijkste zitten in het midden op stoeltjes. Als een club van wijze mannen, zo zag die wereldgemeenschap er toen uit. En dat zie je nog steeds op congressen, de wetenschap blaast zichzelf daar een beetje op. ‘Hotemetoten’ houden nietszeggende welkomstpraatjes die vooral tot doel hebben om te zeggen: ‘Hier zijn wij, wij zijn belangrijk’ Dat lijkt me nou leuk: om het in september op het congres over congressen te hebben.’

Dr. Geert Somsen is als universitair docent wetenschapsgeschiedenis verbonden aan de Faculteit der Cultuur- en Maatschappijwetenschappen van de Universiteit Maastricht.

Literatuur

A History of Universalism: Conceptions of the Internationality of Science, 1750-1950 – Geert J. Somsen verschijnt najaar 2006 in het internationale tijdschrift Minerva

Reframing ‘the Brotherhood of Scientists’: Olympic an Socialist Internationalism between the Great War and the Cold War– Geert Somsen verschijnt als hoofdstuk in Pursuing the Unity of Science: Scientific Practice and Ideology between the Great War and the Cold War, redactie: Harmke Kamminga en Geert Somsen. Verschijnt waarschijnlijk in 2007 bij Aldershot: Ashgate Publishing.

Dit artikel is een publicatie van Research Magazine Universiteit Maastricht.
© Research Magazine Universiteit Maastricht, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 13 november 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.