Je leest:

Een inhoudelijke kijk op lijken

Een inhoudelijke kijk op lijken

Auteurs: en | 30 november 2001

Na het veroorzaken van een dodelijk ongeluk rijdt een automobilist door. De politie schakelt het Nederlands Forensisch Instituut in. NFI-specialisten onderzoeken de kleding van het slachtoffer, auto-onderdelen en verfresten. Binnen 24 uur leveren zij automerk, type, kleur en productiejaar. De zoektocht naar de dader kan beginnen.

Het gebouw heeft wat weg van een gevangenis. Boven de kleine ingang hangt een grote camera die ons goed in de gaten houdt. Binnen zit een portier achter dubbel glas. Pas als hij ons paspoortnummer heeft opgeschreven, krijgen we een legitimatiepas. Er ligt bij het Nederlands Forensisch Instituut zoveel bewijsmateriaal opgeslagen, dat ze wel voorzichtig moeten zijn. Om veiligheidsredenen blijven de personen in deze reportage ook anoniem. Een glazen sluis leidt ons naar de centrale hal. Eenmaal voorbij de portier, kunnen we niet verder.

Koelkast met bewijsmateriaal. Voor het zakenonderzoek komen per jaar 50.000 bewijsstukken binnen, variërend van een koffiekopje tot een lijk. In deze koelkast liggen bewijsmaterialen zoals een krat bier en een fles frisdrank opgeslagen waar vermoedelijk gif in zit. Mieke Schlaman

We zijn afhankelijk van het pasje van één van de toxicologen met wie we een afspraak hebben. Na de laatste sluis vertelt hij dat onze tweede afspraak van die dag met de patholoog niet kan doorgaan: er zijn plotseling twee lijken binnengekomen.

Het Nederlands Forensisch Instituut, of kortweg NFI, is opgericht in 1945. Het verricht topniveauonderzoek op natuurwetenschappelijk, medisch-biologisch en technisch gebied, uitsluitend toegespitst op strafzaken. In Europa is het uniek dat zowel pathologen (medici die inwendige en uitwendige schouwingen verrichten om een doodsoorzaak vast te stellen) als forensische – gerechtelijke – sporenonderzoekers onder één dak zitten. In de meeste landen – ook in België – is forensische pathologie verbonden aan universitaire ziekenhuizen.

Opdrachtgevers

Het openbaar ministerie en de politie zijn de voornaamste opdrachtgevers. Werknemers van het NFI houden zich voornamelijk bezig met drie gebieden. Zij doen zakenonderzoek, waarbij slachtoffers en sporen worden onderzocht. Zo behandelen zij dertienduizend zaken per jaar, variërend van moord tot vingerafdrukonderzoek. Per jaar zijn zeshonderd secties nodig. Daarnaast worden nieuwe meet- en opsporingsmethoden ontwikkeld. De verschillende afdelingen doen zelfstandig aan onderzoek en ontwikkeling. Tot slot is het NFI een expertisecentrum waar politie en justitie terechtkunnen voor forensische en technologische vragen. Het NFI geeft niet alleen antwoord, maar adviseert ook. Een voorbeeld is het adviseren van het openbaar ministerie (OM) bij de aankomende veranderingen in de wetgeving rond het rijden onder invloed. In dit geval moet het NFI aangeven wat reële grenzen zijn en binnen welke marges gecontroleerd kan worden.

Na het vinden van een stoffelijk overschot moet een arts een overlijdensverklaring invullen waarin staat dat het slachtoffer op natuurlijke wijze is overleden. Als de arts twijfelt aan een natuurlijke dood tekent hij niet, en mag het lijk niet worden begraven. De officier van justitie beslist dan of er wel of geen sectie nodig is. Zo ja, dan neemt justitie het lijk in beslag en gaat het naar het NFI. De familie heeft hierin geen inspraak; het lichaam van de overledene is nu eigendom van de staat.

Lijkenonderzoek

De arts hoort zeker een half uur uit te trekken voor het bekijken van het lijk. Helaas onderzoeken artsen de overledene niet altijd even goed. “Zo werd een jonge offshoremedewerker thuis dood aangetroffen met allemaal bloed om zijn mond”, vertelt een patholoog “Het slachtoffer had een flinke slok op. De arts dacht daarom aan een leveraandoening die zich uit in een opengesprongen ader in slokdarm. Eenmaal in het mortuarium valt het de lijkschouwer op dat de man een groot gat in zijn hoofd heeft en stuurt het lijk door naar het NFI. Dit bleek achteraf een duidelijk geval van onnatuurlijk overlijden.”

Bij een sectie zijn een patholoog, een assistent-patholoog en minstens één persoon van politie aanwezig. Iedereen moet meedenken, elke suggestie is welkom. Stapje voor stapje kijkt de patholoog wat hij uitwendig en inwendig kan vinden. Hij werkt een protocol af dat in de loop der jaren op basis van veel ervaring is opgesteld. De forensisch patholoog: “Ik kon de schedel van de offshoremedewerker aan de achterkant gemakkelijk indrukken. Hij was goed verbrijzeld. In de huid onder het haar van het slachtoffer zat een gat in de vorm van een winkelhaak. Ik heb nog nooit zo’n verwonding gezien als gevolg van een val. Een scherp voorwerp moest de oorzaak zijn.” Uiteindelijk leidden sporen als verfresten en de specifieke vorm van de verwonding tot de conclusie dat het moordwapen een bijl was.

Het voorstellingvermogen voorbij

Een patholoog moet oppassen dat hij niet te snel conclusies trekt. De patholoog: “Wij kregen een keer een skelet binnen met een gat door beide slapen van zijn schedel. De eerste gedachte die bij veel mensen opkomt, is dat deze persoon met een kogel door het hoofd is vermoord. Dat hoeft echter niet zo te zijn; misschien is hij wel met een scherp lang voorwerp gedood. Zijn doodsoorzaak hoeft niet eens bij die gaten te liggen; de afwijking aan de schedel is misschien aangeboren. Als een mogelijkheid iemands voorstellingsvermogen voorbij gaat, mag je haar nog niet verwerpen. Het enige wat je kunt doen, is goed kijken en alle mogelijkheden afgaan.”

Toen de patholoog de gaten eens goed van dichtbij onderzocht, zag hij dat de randen glad waren. Dit duidt op langzaam herstel, wat een schotwond (met directe dood tot gevolg) uitsluit. Het bleken de littekens te zijn van een vroegere operatie. De man was een psychiatrisch patiënt. Om hem rustiger te maken had een chirurg enkele jaren geleden enkele zenuwbanen naar de voorkwab van de hersenen doorgeknipt.

Het werk zelf vindt de patholoog niet leuk: “Het snijden is een vervelende handeling. Ik doe het als ondersteuning bij het pakken van een dader, of soms juist om iemand vrij te spreken. Af en toe vliegen en kruipen de beestjes door de sectiekamer heen. Daar moet je tegen kunnen. Het is belangrijk je niet op het gezicht van het slachtoffer blind te staren tijdens de sectie. Je kunt beter puur naar de anatomie van het lichaam kijken; dat maakt het minder persoonlijk en meer wetenschappelijk.”

“Wat nog veel erger is dan het aanzicht en de geur van oude lijken, zijn zaken waarbij jonge mensen zijn betrokken”, vertelt een assistent-patholoog. “Bij zaken als Marianne Vaatstra of Nikki Verstappen (twee ernstige zedenmisdrijven) zetten we ons voor duizend procent in. Iedereen verdient een zo goed mogelijke analyse, maar deze zaken raken me net iets meer. Ik heb zelf een dochter van vijftien. Wij zijn geen zware jongens, maar wel nuchter.”

Identificatie

Sectietafel. Het binnenwerk van de sectietafel is 210 bij 70 centimeter. Onder de tafel zit een afzuiging die door de gaten geuren en stofdeeltjes wegzuigt. De afzuiging zit onder het gedeelte zonder gaten, anders wordt het bloed ook meegezogen. Mieke SchlamanM

De assistent leidt ons rond in de sectiekamer. Hij heeft net alles klaar gelegd voor de volgende sectie. Alles is brandschoon en steriel. “Elke patholoog heeft zijn eigen voorkeur voor gereedschap. Sommigen doen alles met één soort mesje, en anderen gebruiken tien verschillende instrumenten”, vertelt de assistent terwijl hij de verschillende werktuigen toont.

Soms proberen misdadigers de slachtoffers onherkenbaar te maken door ze te verminken. Justitie bracht eens een vrouw binnen zonder hoofd en handen. In zo’n geval moet de patholoog zoeken naar andere uiterlijke kenmerken voor de identificatie. Haren in de nek verraden bijvoorbeeld de haarkleur. Vervolgens gaat de patholoog op zoek naar meer algemene kenmerken, zoals zwangerschapsstriemen of littekens. Voetzoolprofielen helpen ook vaak bij de herkenning van slachtoffers. De patholoog: “Er is zelfs een keer een lijk binnengebracht zonder vel; het was compleet gevild. Alle uiterlijke kenmerken waren weggenomen. Dan moeten we overgaan op innerlijke kenmerken, zoals littekens van een blindedarmoperatie of een andere chirurgische ingreep.”

Bij elke sectie snijdt de patholoog plakjes van orgaanweefsel. De plakjes wegen vijf gram en komen meestal van zeven organen: lever, hersenen, longen, hart, alvleesklier, bijnier en milt. De patholoog stuurt het materiaal door naar collega’s die de lichaamsdelen op microscopisch niveau bestuderen. Daarna gaan de plakjes naar de afdeling toxicologie, waar toxicologen op zoek gaan naar drugs en gifstoffen.

Hoe erg een lichaam ook is vergaan, er blijft bijna altijd wel wat weefsel over. Bij een skelet kan de patholoog haren of beenmerg laten onderzoeken. Daar valt ook veel uit af te lezen. Op de afdeling toxicologie meten toxicologen concentraties van lichaamsvreemde stoffen in de weefselplakjes. Drugs treffen ze het meest aan. Slaappillen zijn erg populair om iemand (of jezelf) mee te doden, omdat ze relatief gemakkelijk verkrijgbaar zijn. Als voorbeeld geeft een toxicoloog een zelfmoord waarbij de maag vol zat met tablet X. Die stof was alleen nergens anders in het lichaam te traceren. Een andere stof, stof Y, zat echter wel overal in het lichaam, maar weer niet in de maag. Stof X bleek heel langzaam op te lossen en het tablet zat daarom nog als geheel in de maag. De zelfmoordpoging mislukte door deze oploseigenschap. Stof Y loste snel op en was doeltreffender. De zelfmoordpoging slaagde dus in tweede instantie wel.

Vergiftiging

Bloedanalyse. De analist bekijkt of er een bepaalde stof, in dit geval amfetaminen, in het bloed zit. Hij scheidt deze dan van de rest van het bloed met een vacuümmanifold. Dit apparaat bestaat uit twaalf extractiekolommetjes waardoor de analist twaalf bloedmonster tegelijk kan testen. Voor de scheiding gaat er wat bloed in een kolom en vervolgens absorbeert een chemische stof de amfetamines. Er zit nog wel wat vervuiling bij, maar die wordt later met water weggewassen. Mieke Schlaman

“De dosis maakt giftig. Zelfs water is giftig, als je maar genoeg inneemt; zo’n vijf liter moet voldoende zijn”, vertelt de toxicoloog tijdens een rondleiding langs zijn afdelingen. “De dosis die iemand kan verdragen hangt onder andere af van het lichaamsgewicht. Vergiftigingen zijn helaas moeilijk te traceren, omdat de kleine hoeveelheid zich over het hele lichaam verspreidt. In dertig procent van de gevallen vinden we helemaal niets.”

Wanneer een toxicoloog niets in het lichaam kan vinden, kunnen haren een goede uitkomst bieden. Alle drugs en medicijnen die het slachtoffer heeft gebruikt zijn in de haren terug te vinden. Drugs komen in het bloed en worden dan overgegeven aan de schilfers die het haar vormen. Deze haarschilfers bevatten dus sporen van de drugs. Het is bekend dat haren ongeveer één centimeter per maand groeien. De toxicologen knippen het haar daarom in stukken van een centimeter. Elk gebruikt aspirientje is daarin principe in terug te vinden. De stukjes worden vermalen tot poeder en opgelost in methanol. Methanol neemt de chemische stoffen in het haar op en niet het haar zelf. Spectrometers analyseren de oplossing. Elke stof absorbeert en reflecteert andere golflengten licht – ook onzichtbaar licht zoals UV – en dit vormt een spectrum. Dit wordt vergeleken met een bibliotheek waarin de spectra van alle bekende stoffen staan. Op deze manier zijn alle bekende drugs en medicijnen te herkennen. Levert het onderzoek niets op, dan hebben de toxicologen nog meer analysemethoden zoals de massaspectrometer ter beschikking.

In het forensisch onderzoek is niets honderd procent zeker. Sporen kunnen bewust zijn achtergelaten om de politie te misleiden, maar ook toevallig op de plaats van het misdrijf belanden. De NFI-onderzoekers kunnen dus nooit met volledige zekerheid zeggen dat een spoor van een bepaald persoon is. In sommige gevallen kunnen zij er wel zeker van zijn dat een stof niet aanwezig is, of dat een spoor niet van de verdachte afkomt. Een conclusie van het NFI kan een verdachte vrijpleiten of schuldig verklaren. De onderzoekers zijn dus bijzonder voorzichtig.

Dit artikel is een publicatie van Natuurwetenschap & Techniek.
© Natuurwetenschap & Techniek, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 30 november 2001

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.