Je leest:

Een heldenrol voor Floris van Hall

Een heldenrol voor Floris van Hall

Hoe Nederland in 1844 net niet failliet ging

Auteur: | 22 juli 2011

Nederland stond in de jaren 1840 aan de financiële afgrond. De oorzaak hiervoor lag bij de opgebouwde schuldenlast van decennia terug en bij de hoge uitgaven van koning Willem I (1772-1843). Met name zijn weigering de afscheiding van België te accepteren kostte geld: jarenlang stond een leger paraat aan de grens. Toen Willem I in 1840 aftrad, erfde zijn zoon een troon die wankelde onder een gigantische schuldenlast. Nederland was slechts een stap verwijderd van een staatsbankroet.

Nederland stond in de jaren 1840 aan de financiële afgrond. De oorzaak hiervoor lag bij de opgebouwde schuldenlast van decennia terug en bij de hoge uitgaven van koning Willem I (1772-1843). Met name zijn weigering de afscheiding van België te accepteren kostte geld: jarenlang stond een leger paraat aan de grens. Toen Willem I in 1840 aftrad, erfde zijn zoon een troon die wankelde onder een gigantische schuldenlast. Nederland was slechts een stap verwijderd van een staatsbankroet.

Willem I was in 1813 koning geworden van een financieel onstabiel land. Door de oorlog tegen de Fransen, de inlijving in het rijk van Napoleon Bonaparte en de handelsblokkade met Engeland was de staatsschuld opgelopen van 4 miljoen gulden in 1788 tot 1,8 miljard in 1810. De jaarlijkse rente op die schuld was nauwelijks af te lossen. Terwijl in het zuiden de industrie zich voorzichtig ontwikkelde, was het economisch klimaat in de noordelijke Nederlanden door de ingezakte handel weinig hoopgevend. Omschrijvingen van het noorden als ‘een wat vermoeide natie van conservatieve kooplieden, bezadigde renteniers en een grote massa paupers’ tekenen de deprimerende toestand.

Geen wonder dat Willem, voorzien van een blakende werklust en een grote eigenzinnigheid, het economisch herstel vanaf zijn aantreden daadkrachtig wilde aanpakken. Enerzijds verzwaarde hij de staatsschuld door regelmatig miljoenenleningen uit te schrijven. Anderzijds ontplooide hij een veelvoud aan initiatieven om industrie, nijverheid, handel en transport te bevorderen.

Zijn bijnaam ‘kanalenkoning’ had evengoed ‘industrievorst’ of ‘handelsmonarch’ kunnen zijn. Onder zijn leiding werden onder meer De Nederlandsche Bank, het Fonds van Nationale Nijverheid en de Nederlandsche Handel-Maatschappij opgericht, waardoor de mijnbouw, de industrialisatie en de handel met Nederlands-Indië een flinke prikkel kregen.

De financiële basis voor deze acties moest echter deels in het geheim worden gezocht. Het merendeel van de bestuurlijke elite, vooral in het noorden, was nauw verbonden met oude handelsfamilies en de zogeheten haute finance, die vooral bestond uit Amsterdamse bankiersgeslachten. Zij wilden een conservatief beleid, gericht op het herstel van de handel. Om hen te omzeilen construeerde Willem I een alleen voor hemzelf begrijpelijk geheel van leningen, transacties en potjes, waarbij de staatskas en privégelden volledig door elkaar heen liepen.

Toen de staatsschuld tijdens de afscheidingsprocedure van België alleen maar op leek te lopen en Willem geen openheid van zaken wilde geven, kwamen de bezitters van staatspapieren en de haute finance (groepen die elkaar deels overlapten) in opstand. Het uitkeren van de rente op het door hen uitgeleende geld werd regelmatig ‘uitgesteld’ en niemand behalve de koning had nog greep op de staatsfinanciën.

Een stroom van publicaties, petities en adressen illustreert de onrust. Zo stelde Floris Adriaan van Hall, telg uit een vooraanstaand Amsterdams geslacht, dat het tijd werd voor meer openbaarheid en dus meer invloed van de elite op het staatsbeleid. Hij waarschuwde de vorst: ‘Uwe Majesteit kent het spreekwoord: de liefde gaat de deur uit, wanneer de armoede het vengster inkomt.’

Toen duidelijk werd dat de koning volhardde in zijn eigengereide koers, en zelfs na het verdrag met België in 1839 toch nog een flinke lening uitschreef, zette de Tweede Kamer haar hakken in het zand en keurde het voorstel af. De maat was helemaal vol toen bleek dat Willem het geld al gebruikt had om schulden van de Handel-Maatschappij te dekken en gaten in de begroting te dichten. De begroting voor 1840 werd dan ook, voor het eerst in de geschiedenis, unaniem door de Kamer verworpen. Teleurgesteld over zoveel onbegrip over zijn goedbedoelde economische en financiële beleid, en over de kritiek op zijn voorgenomen huwelijk met een katholieke gravin, trok Willem I zich gedesillusioneerd terug.

‘ Moeijelijk en hatelijk’

Zijn zoon Willem II erfde de kroon van een land dat nagenoeg bankroet was en waarover hij, sinds de grondwetsherziening van 1840, niet meer op autocratische wijze kon regeren. Ondertussen waaide er op het ministerie van Financiën een nieuwe wind. Minister Jan Jacob Rochussen trachtte de financiële chaos voortvarend aan te pakken. Alle staatsfinanciën werden openbaar, het geduchte Amortisatie-Syndicaat – het financiële fort van Willem I – werd opgedoekt en de rente over staatspapieren werd niet meer ‘uitgesteld’ maar netjes uitbetaald aan de ‘rentenierende couponknippers’, zij het tegen een lager percentage.

Jan Jacob Rochussen (1839). Hij was een typische vertegenwoordiger van de Amsterdamse handelswereld, die zowel onder Willem II als Willem III minister was.

Deze maatregelen zorgden voor een vermindering van de staatsschuld en enige rust onder de geldschieters en de bestuurlijke elite. Maar met een geschatte staatsschuld van 1300 miljoen gulden en staatsinkomsten die ruim 70 miljoen gulden bedroegen, waarvan 44 miljoen opging aan de uitbetaling van de rentelasten, was het iedereen duidelijk dat ingrijpender maatregelen nodig waren.

Een belasting op inkomen, zoals Groot-Brittannië in 1842 had ingevoerd, zou een uitkomst hebben kunnen zijn, maar minister Rochussen voelde er niets voor. Zulk soort heffingen waren volgens hem ‘uit haren aard moeijelijk en hatelijk’. Wel beloofde hij de bestaande belastingen te hervormen zodat er ‘meer gelijkmatigheid’ zou komen. Nieuwe heffingen waren volgens de minister niet nodig vanwege de ‘genoegzame’ koloniale baten, die vooral vanaf de jaren 1840 weldadig de Nederlandse schatkist in stroomden.

Rochussen zag de oplossing vooral in een conversie, een vrijwillige vermindering van het rentepercentage, waartoe hij een wetsvoorstel indiende. Critici betitelden deze conversie als een ‘rentebelasting’. Ook de Kamer vond het te veel naar een directe heffing zwemen en keurde het voorstel af, waarop de minister zijn ontslag indiende.

Rochussens opvolger J.A. van der Heim componeerde een gelijksoortig wetsvoorstel om het dreigend bankroet af te wenden. Niet wijs geworden door de ervaringen van zijn voorganger, stelde Van der Heim ook nieuwe heffingen voor, onder meer op de renten van binnenlandse effecten. Ook hem viel een storm van protest ten deel, en ook hij trad af. Ondanks de koloniale baten stond het land in de herfst van 1843 nog steeds aan de rand van een financiële afgrond.

Sluw staaltje

Hierop werd Floris van Hall tot ad interim minister van Financiën benoemd. Deze handig opererende politicus had stevige banden met de Amsterdamse financiële wereld. Zijn benoeming was echter ook controversieel. De gouverneur van Noord-Holland rapporteerde dat Van Hall ‘ettelijke vijanden en meerdere onvrienden’ had. Deze groep zou dankzij de oplossing die Van Hall bedacht om het land uit de financiële crisis te halen, alleen maar toenemen.

Floris Adriaan van Hall (1791 – 1866). Door een slimme financiële politiek te voeren en hechte banden met de Amsterdamse financiële wereld wist Van Hall de Nederlandse schuldenberg terug te dringen.

Tijdens de begrotingsdebatten werd algauw duidelijk dat een meerderheid van de Kamer geen nieuwe belastingen zou accepteren. Op de toch al geringe overheidsuitgaven kon Van Hall nauwelijks bezuinigen. Intussen meldde de gouverneur: ‘Bij de hoogere standen is men zeer gespannen over de finantiëlen zaken. De loop der deliberatiën in ’s-Hage wekt bekommering.’ De minister moest dus in actie komen.

Van Halls voorstel bleek een sluw staaltje financiële politiek. Hij schreef een vrijwillige geldlening van 150 miljoen gulden uit tegen een lage rente, waarmee eerdere leningen met een hoog rentetarief konden worden afbetaald. Natuurlijk wist de minister dat de financiële elite hier niet om stond te springen. Met deze maatregel sneden ze in hun eigen vingers, aangezien zij veelal de ontvangers waren van de rentebetalingen.

Om hen over de streep te trekken voegde Van Hall dan ook een buitengewone belasting op de bezittingen aan het voorstel toe, die 35 miljoen zou moeten opleveren. Deze heffing fungeerde echter vooral als stok achter de deur: wanneer de lening werd vol getekend, zou de belasting niet doorgaan.

Een storm van kritiek barstte los: dit voorstel was een ‘Monsterwet’, die ‘spookt in elk gemoed’ en ‘jammer voort[bracht] in elk huis’. Verontrust meldde de gouverneur dat de indruk van de wet ‘niet gunstig’ was, terwijl de lening ‘niet aannemelijk’ werd geacht. Niet alleen het voorstel, maar ook de minister moest het ontgelden. Hij ontving anonieme dreigementen, terwijl de koning weigerde het voorstel openlijk te steunen.

Ondanks het protest nam de Kamer met een kleine meerderheid de wet toch aan, maar pas nadat het bedrag voor de lening was verlaagd van 150 naar 127 miljoen. Nu spande het erom: waren er in Nederland nog voldoende financiers te vinden om de omstreden heffing te voorkomen? Zoals de zwager van Van Hall zich afvroeg: ‘Welk kunstmiddel zal men bij de hand nemen, om dan toch de belasting te vermijden?’

Sluitende begroting

Die twijfel was terecht, want ook al was de wet aangenomen, de tegenstand bleef groot. Kamerleden die voor hadden gestemd, kregen dreigbrieven of vonden zelfs een ‘opgehitste menigte’ voor hun huis. De minister zette dan ook alles op alles om de lening vol te krijgen. Hij haalde persoonlijk welgestelde Amsterdammers en Rotterdammers over om deel te nemen, kreeg de koning zover dat hij voor een half miljoen intekende en verlengde de inschrijftermijn. April 1844 kon het verlossende woord worden gesproken: de verafschuwde belasting op de bezittingen was van de baan.

Met het slagen van de lening kon de begroting voor 1844-1845 sluitend worden gemaakt. Ook werden vroegere schulden afgedaan, waardoor in drie jaar tijd de jaarlijkse rente op de staatsschuld van 44 naar 36 miljoen daalde. En, misschien nog wel belangrijker, het vertrouwen in de staat was hersteld aangezien de afspraken met de geldschieters konden worden nagekomen. De ‘weldadig’ stromende baten uit Indië droegen daar vanzelfsprekend belangrijk aan bij.

Minister Van Hall vestigde met de Monsterwet zijn naam als redder van het vaderland. En wederom kreeg hij anonieme post, maar deze keer anders van toon:

‘Toen Neêrlands Staatscrediet schrikbarend ging bezwijken, Verscheen Van Hall, gereed dien ramp te doen ontwijken, Veel vroeg hij, maar men bouwde op zijne schranderheid, En zag den staat gered door Moed, Trouw en Beleid.’

De sanering van de overheidsfinanciën zorgde niet alleen voor een pluim voor de minister en de broodnodige financiële zekerheid, maar schiep tevens politieke ruimte voor andere zaken. De groeiende liberale oppositie profiteerde hiervan en cruciale politieke veranderingen zouden enige jaren later gestalte krijgen in de grondwetsherziening van 1848. De Monsterwet van Van Hall, die het gevaar van een staatsbankroet definitief had afgewend, was hiervoor onontbeerlijk geweest.

Zie ook:

  • Christianne Smit, Omwille der billijkheid. De strijd over de invoering van de inkomstenbelasting in Nederland, Wereldbibliotheek, 2002
  • Jannie de Jong, Van batig slot naar ereschuld. De discussie over de financiële verhouding tussen Nederland en Indië en de hervorming van de Nederlandse koloniale politiek, 1860-1900 (proefschrift), Rijksuniversiteit Groningen, 1989
  • J.C. Boogman, Rondom 1848. De politieke ontwikkeling van Nederland 1840-1858, Unieboek, 1978_

Christianne Smit doceert politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Zij promoveerde in 2002 op een onderzoek naar het politieke debat rondom de inkomstenbelasting in Nederland in de 19de eeuw. Op dit moment doet ze onderzoek naar stedelijke problematiek en sociale oplossingen tussen 1870 en 1914.

Dit artikel is een publicatie van Geschiedenis Magazine.
© Geschiedenis Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 22 juli 2011

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.