Je leest:

Een Groene Revolutie aangepast aan de kleinschalige landbouw

Een Groene Revolutie aangepast aan de kleinschalige landbouw

Auteur: | 16 juni 2016

In Afrika is een unieke Groene Revolutie nodig. Waarom moet die aanpak voor Afrika zo anders zijn dan voor andere continenten? Hoe komt het dat de technologieën die elders wel een grote impact hadden in Afrika mislukten? Hoe komt het dat opties waarvan verwacht werd dat ze bepaalde problemen konden oplossen in de praktijk niet werkten?

Het was toenmalig VN-baas Kofi Annan die als eerste opriep tot een Groene Revolutie die uniek moest zijn voor Afrika. Met geld van de Rockefeller Foundation, de Bill & Melinda Gates Foundation en ook de eigen Kofi Annan Foundation, leidde deze oproep in 2006 tot de oprichting van de Alliance for a Green Revolution in Africa, AGRA. Maar waarom moet die aanpak voor Afrika zo anders zijn dan voor andere continenten? Om deze vraag te beantwoorden is het goed om even stil te staan bij een aantal redenen voor het stagneren van de landbouwopbrengsten in Afrika. Hoe komt het dat de technologieën die elders wel een grote impact hadden in Afrika mislukten? Hoe komt het dat opties waarvan verwacht werd dat ze bepaalde problemen konden oplossen in de praktijk niet werkten?

Daarvoor bestaan verschillende verklaringen. Als eerste is er een grote mate van heterogeniteit. Er bestaat niet zoiets als ‘dé Afrikaanse landbouw’, ‘hét kleinschalig Afrikaans landbouwbedrijf’ of ‘dé Afrikaanse boer’. Landbouwsystemen in Afrika zijn enorm divers, en deze diversiteit situeert zich op verschillende schaalniveaus. Binnen landen en streken kunnen grote verschillen in bijvoorbeeld klimaat of markttoegang ook grote verschillen in gewaspatronen met zich meebrengen, zelfs over kleine afstanden. Binnen gemeenschappen zien we vaak een ongelijke verdeling van rijkdom, met relatief veel arme huishoudens en weinig rijke huishoudens. Hierbij wordt rijkdom ingeschat op basis van de grootte van de boerderij of van de kudde vee, de beschikbaarheid van werkkrachten en het inkomen.

Naast deze fysieke bezittingen, verschillen boeren ook in hun streefdoelen en houding. Tot slot is er zelfs binnen de boerderijen sprake van heterogeniteit, bijvoorbeeld in de bodemvruchtbaarheid die vaak sterk afneemt met de afstand tot de hoeve. Deze diversiteit leidt ertoe dat er geen wondermiddelen bestaan die overal toepasbaar zijn. Zo blijkt een typisch zogenaamd ‘wondermiddel’ van de Groene Revolutie, zoals kunstmest, het soms gewoon niet te doen in Afrikaanse bodems die door permanente cultivatie verarmd zijn en geen organische stof of micronutriënten zoals ijzer, koper of mangaan meer bevatten. Die zijn, naast de macronutriënten uit kunstmest (zoals stikstof, fosfor en kalium), noodzakelijk voor plantengroei.

Kleinschalige mechanisatie kan een goede oplossing zijn om een tekort aan arbeidskracht op te vangen.
Huib Hengsdijk, Biowetenschappen en maatschappij

Aanpassingen van de technologieën aan de specifieke context zijn dus noodzakelijk. Een goed begrip van deze context laat ook toe om beperkingen en barrières te ontdekken die kleine boeren ervan weerhouden om bepaalde technologieën toe te passen. Steeds terugkerende belemmeringen zijn bijvoorbeeld slechte toegang tot markten en de gebrekkige beschikbaarheid van zogenoemde agro-inputs als zaaigoed, pesticiden, meststoffen. Zo ligt het gebruik van vlinderbloemige voedergewassen zeer laag in gebieden waar boeren slechte afzetmogelijkheden hebben voor melk of vlees, ook al bieden deze gewassen naast voeder van hoge kwaliteit ook het belangrijke voordeel dat ze stikstof uit de lucht vastleggen in de bodem. Verder bemoeilijkt de beperkte toegang tot kredieten de aanschaf van dure bedrijfsmiddelen. Boeren investeren ook niet in bedrijfsmiddelen of verbeterde technologie, wanneer er onzekerheid heerst over grondbezit en dus over wie de vruchten plukt van een investering. In Afrikaanse rechtssystemen is die juridische onzekerheid eerder regel dan uitzondering.

Tot slot bepaalt risico of boeren een technologie zullen toepassen of niet. Risico kan te maken hebben met de variabiliteit en onvoorspelbaarheid van het weer, maar ook met het risico dat een bepaalde investering niet genoeg oplevert. Dit laatste is een veelvoorkomend probleem in arme bodems waar verbeterde variëteiten van planten en het toedienen van kunstmest niet het beoogde resultaat opleveren, met financieel verlies tot gevolg.

De realiteit van de kleine boer in ontwikkelingslanden is dus behoorlijk complex. Enkel de opties die goed zijn aangepast aan deze context zijn voor de boeren aantrekkelijk en kunnen bijgevolg een rol spelen bij de duurzame intensivering van de landbouwsystemen. In wat volgt belichten we enkele opties die, mits goed aangepast aan de context, veelbelovend zijn.

Geïntegreerd beheer van bodemvruchtbaarheid

Lage bodemvruchtbaarheid is een wijdverspreid probleem. In Afrika hangt het vaak samen met de ouderdom en verweerde toestand van de bodem, en met permanente landbouw, waarbij de onttrekking van nutriënten aan de bodem jarenlang groter was dan de teruggave. Slechte bodemvruchtbaarheid ligt aan de basis van lage gewasopbrengsten, voedselonzekerheid en armoede.

Geïntegreerd beheer van bodemvruchtbaarheid poogt hierin verandering aan te brengen, door het gebruik van de juiste middelen in combinatie met het toepassen van de principes van goede landbouwwetenschap. Het gaat hierbij dus niet om het toedienen van enkel kunstmest, wat zonder de juiste randvoorwaarden kan leiden tot ongewenste effecten. Kunstmest geeft vaak betere resultaten, wanneer het wordt gecombineerd met dierlijke mest, het toedienen van compost, of andere bronnen van organische stof, zoals gewasresten. Deze organische stof is net zo belangrijk als de stikstof, fosfor en kalium uit kunstmest. Immers, organische stof zorgt voor een goede bodemstructuur, die essentieel is voor een goede beworteling, de infiltratie van regenwater in de bodem en een degelijke vasthouding van dat water. Ook is de organische stof een bron van micronutriënten die nodig zijn voor plantengroei. Het grote voordeel van gebruik van dierlijke mest en compost is dat ze meestal beschikbaar zijn op de boerderij. De boer hoeft ze dus niet te kopen, waardoor hij minder afhankelijk is van ‘agrodealers’ en schommelingen in de kostprijs.

Kousenband en andere vlinderbloemigen leggen stikstof uit de lucht vast.
Katrien Descheemaeker, Biowetenschappen en maatschappij

Net als mest en gewasresten, zijn ook vlinderbloemigen een goedkope optie om de bodem te verbeteren. Dankzij de symbiose met Rhizobium-bacteriën, leggen vlinderbloemigen stikstof uit de atmosfeer vast in de bodem. Bonen, erwten en linzen zijn voorbeelden van dergelijke gewassen. Naast de positieve effecten op de bodemvruchtbaarheid zijn ze ook nog eens een goede bron van eiwitten voor mens en dier. Er zijn dan ook veel vlinderbloemige voedergewassen die een rol kunnen spelen bij een betere voeding en dus hogere productiviteit van de dieren.

Gemeten naar kilogrammen per hectare ligt de opbrengst van vlinderbloemigen in de praktijk meestal wat lager dan die van graangewassen. Het gebruik van deze gewassen is dan ook vaak beperkt, omdat boeren in de eerste plaats willen zorgen voor de voedselvoorziening van het huishouden. Wanneer de ruimte voor rotaties (afwisseling in het verbouwen van verschillende gewassen) met vlinderbloemigen te beperkt is, zijn er oplossingen denkbaar in de vorm van mengteelt. Daarbij worden graangewassen gemengd met vlinderbloemigen in afwisselende rijen, of wordt de aanplant van beide gewassen op een ander tijdstip gepland. Met deze technieken is het vooral belangrijk om de competitie voor licht, water en voedingsstoffen tussen beide gewassen zo klein mogelijk te houden, en zo opbrengstverliezen te minimaliseren.

De inbreng van nutriënten komt het best tot zijn recht als ook aan andere randvoorwaarden is voldaan. Zo is het belangrijk om ‘waterstress’ te vermijden, door een goede keuze van gewassen en variëteiten. In semi-aride, dus gemiddeld wat drogere gebieden, zoals in de Sahelzone, kan het daarom nuttig zijn te kiezen voor een gemiddeld iets minder productief graangewas als sorghum of millet. Die gewassen zijn beter bestand tegen periodes van droogte dan een potentieel hoger productief gewas als maïs. Stress door ziekten en plagen moet zoveel mogelijk worden vermeden, en ook hiervoor zijn duurzame, biologische opties voorhanden die niet noodzakelijk veel kosten. Het behoud van voldoende biodiversiteit, zowel op de boerderij als in het omliggende landschap, is hierbij essentieel.

Tenslotte hebben grote gebieden in Afrika te kampen met erosie en landdegradatie, wat leidt tot het verlies van vruchtbare bodem. Een goed bodembeheer voorziet in bodembescherming en -conservering om dit fenomeen tegen te gaan. In de praktijk gaat dit vaak samen met behoud van water.

Betere opname van beter beschikbaar water

Met de verhoogde vraag naar voedsel door een groeiende bevolking, neemt ook de vraag naar water steeds meer toe. Ongeveer twee derde van het wereldwijde waterverbruik komt voor rekening van de landbouw. Reeds nu kampen grote gebieden van de wereld met waterschaarste. In het deel van Afrika ten zuiden van de Sahara gaat het met name om ‘economische waterschaarste’. Dit wil zeggen dat er fysisch gezien genoeg water aanwezig is om te voorzien in het levensonderhoud van de bevolking, maar dat er door problemen van infrastructuur, waterverdeling en waterbeheer toch tekorten optreden.

Sorghum is minder productief, maar beter bestand tegen droogte dan veel andere gewassen.
Katrien Descheemaeker, Biowetenschappen en maatschappij

De voedselproductie zal dus moeten stijgen zonder veel meer water te gebruiken. Voor zo’n stijging van de waterproductiviteit is duurzame intensivering opnieuw de aangewezen strategie. Waterproductiviteit meet de hoeveelheid die geproduceerd wordt, bijvoorbeeld een kilogram graan, per volume water dat daarvoor wordt gebruikt.

Oplossingen die waterproductiviteit verhogen, kunnen worden ingedeeld in twee categorieën. Boeren kunnen de opnamecapaciteit van het gewas verhogen, en ze kunnen de beschikbaarheid van het water verbeteren. Ze kunnen deze doelstellingen behalen door maatregelen die gericht zijn op bodem-, gewas- en waterbeheer.

Een boer kan de opnamecapaciteit van water verhogen door ervoor te zorgen dat plantenwortels goed kunnen doordringen in diepere bodemlagen waaruit ze water onttrekken. Dit is een van de redenen waarom boeren hun land ploegen. Verder zijn er technieken die de verdamping van water uit de bodem verminderen, zoals het gebruik van mulch om het bodemoppervlak te bedekken. Mulch is een bodembedekking die bijvoorbeeld kan bestaan uit houtsnippers of andere organische stof. Wanneer er minder water verloren gaat door verdamping, is er meer beschikbaar voor plantengroei, wat de productiviteit ten goede komt. Wanneer gewasresten niet voor andere doeleinden nodig zijn, zoals veevoeder, brandstof of bouwmateriaal, zijn deze een geschikte bron van mulch.

De opnamecapaciteit kan je ook positief beïnvloeden door de keuze van de juiste gewassen en variëteiten, zodat deze aangepast zijn aan de heersende (klimaats)omstandigheden. Planten die resistent zijn tegen droogte, die een diepe beworteling kennen en een goede bodembedekking bieden, zijn duidelijke troeven wanneer het over water gaat. Voor de boeren is het dan van belang dat ze zaaigoed van deze gewassen en variëteiten kunnen vinden en kunnen betalen. Die laatste vereisten zijn bepaald niet vanzelfsprekend. Om die redenen worden boerencoöperaties opgezet die zaaigoed produceren, of zogenoemde waardeketens die een beter contact tussen agrodealers en boeren mogelijk maken.

‘Mulch’ beschermt de bodem tegen uitdroging.
Imageselect, Biowetenschappen en maatschappij

Ook voor het verbeteren van de waterbeschikbaarheid zijn verschillende technieken voorhanden. Onkruidverdelging bijvoorbeeld, zorgt ervoor dat het water dat anders door onkruid gebruikt zou worden, beschikbaar komt voor de gewassen. Daarmee leidt onkruidverdelging tot een hogere productie bij eenzelfde hoeveelheid beschikbaar water. Op kleinschalige landbouwbedrijven gebeurt het wieden van onkruid nog vaak met de hand. Dat vraagt veel tijd! Armere boeren zijn vaak genoodzaakt om op andermans velden te werken, om daarmee wat geld te verdienen om extra eten te kopen. Daardoor lopen de taken op de eigen velden vertraging op, en krijgt onkruid meer kans zich te ontwikkelen. Een vicieuze cirkel van lagere opbrengsten en nog meer armoede en voedselonzekerheid is het gevolg. Om het tekort aan arbeidskrachten te ondervangen, kan kleinschalige mechanisatie, soms met heel eenvoudige, goedkope en makkelijk te onderhouden werktuigen, soelaas bieden.

Erosie bestrijden om bodem én water te sparen

In veel gebieden is de natuurlijke bodembedekking sterk verlaagd, bijvoorbeeld door de uitbreiding van het landbouwareaal, het kappen van bomen en struiken voor brandhout, of begrazingsdruk van het vee. Hierdoor wordt de bodem blootgesteld aan de krachten van water en wind, met erosie en landdegradatie tot gevolg. Niet enkel gaat zo kostbare bodem, inclusief de waardevolle bodemnutriënten verloren, ook wordt de infiltratie van water bemoeilijkt. Bodem- en waterconservering kunnen dan een oplossing bieden via verschillende mechanismen. Ten eerste zijn er maatregelen die de bodem beschermen tegen de directe impact van water en wind, zoals een bladerdek of het eerder genoemde mulch. Ten tweede zijn er manieren die de stroom van het water vertragen zodat het minder erosief wordt, en meer tijd krijgt om te infiltreren. Stenen muurtjes, grasstrips, bomen en struiken en greppels zijn goede voorbeelden. Ten derde kan de verbetering van de bodemstructuur door een verhoging van het organischestofgehalte een rol spelen bij een betere infiltratie, zodat meer water beschikbaar komt voor gewasgroei.

Met behulp van greppels of muurtjes kan uitspoeling van vruchtbare grond worden tegengegaan.
Imageselect, Biowetenschappen en maatschappij

Tot slot kan een boer de waterbeschikbaarheid verhogen door water te verzamelen wanneer het regent en dan te gebruiken om korte periodes van droogte te overbruggen. Wanneer hij voldoende water verzamelt, kan een boer tijdens het droogseizoen gewassen irrigeren. Daarmee gaat een overschot aan water tijdens een bepaalde periode niet verloren, maar wordt het opgeslagen om later aan te wenden in periodes van schaarste.

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 16 juni 2016

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.