Je leest:

Een einde aan olie

Een einde aan olie

Auteur: | 22 december 2008

Na 2020 verbruikt de wereld meer olie dan dat er wordt gewonnen. Het gevolg is een wereldwijde oliecrisis. Maatregelen zijn mogelijk, maar daar moet de overheid niet te lang mee wachten.

Het hoge woord is eruit: de jaarlijkse toename van de wereldwijde olieproductie komt binnen afzienbare tijd ten einde. Het Internationaal Energie Agentschap (IEA), dat overheden jarenlang gerust stelde met de boodschap dat de olieproductie waarschijnlijk tot 2030 blijft stijgen, publiceerde 12 november hun jaarlijkse World Energy Outlook. Hierin scheppen ze dit jaar een radicaal ander beeld aan de hand van een analyse van achthonderd olievelden. Een maand later, op 15 december, zei Fatih Birol, de hoofdeconoom van het IEA, in een interview met de Britse krant The Guardian dat de productie van conventionele olie rond 2020 zal stoppen met groeien. Hij vervolgde deze uitspraak met de woorden: “Wij [ de IEA ] vragen om een wereldwijde energie revolutie. Als deze revolutie niet plaatsvindt, dan gaan we een periode tegemoet die, in termen van prijsstijgingen, vele malen lastiger wordt dan de zomer van 2008.”

Fatih Birol, hoofdeconoom van het Internationaal Energie Agentschap, sprak halverwege december 2008 namens het IEA de voorspelling uit dat de wereldwijde olieproductie na 2020 niet meer toeneemt. De productie zou zelfs al eerder afnemen als de OPEC-landen niet tijdig investeren in betere methodes om de resterende olie uit de grond te halen.

Productie en consumptie

Aardolie is het levensbloed van de wereldeconomie. Olieproducten zoals benzine, diesel en kerosine zijn veruit de meest efficiënte brandstof voor auto’s, vrachtwagens, vliegtuigen en containerschepen. Simpel gezegd: zonder olie zouden paarden en zeilschepen waarschijnlijk de snelste vervoersmiddelen zijn. Het is daarom van vitaal belang voor de groei van de wereldeconomie dat de olie niet alleen blijft vloeien, maar dat ook de productie ervan blijft toenemen. Als die afneemt kunnen ontwikkelende landen zoals China en India niet hetzelfde welvaartsniveau bereiken als het rijke Westen. Tenminste, niet tenzij wij onze huidige welvaart op willen geven.

Helaas is aardolie een eindige brandstof, dus er komt een moment waarop het dagelijks verbruik groter is dan de productie. Dat moment noemen deskundigen Peak Oil, of Piek Olie. En zoals we zullen zien brengt Piek Olie wereldwijd hele nare gevolgen met zich mee. Het IEA zet Piek Olie nu tussen 2015 en 2020, maar sommige deskundigen denken dat het binnen nu en vijf jaar al plaatsvindt. De vraag is dus, tot hoe lang kunnen we Piek Olie uitstellen?

Wil de olieproductie blijven stijgen, dan moet OPEC, de federatie van twaalf olieproducerende landen waaronder Saoedi Arabië, Irak en Venezuela, volgens het rapport van de IEA de komende paar jaar stevig investeren in boorplatforms. Alleen dan kan de belofte worden waargemaakt van een wereldwijde olieproductie van 95-96 miljoen vaten per dag in 2015. Als OPEC deze investering niet doet, dreigt de productie volgens het IEA te zakken naar 88-89 miljoen vaten per dag, een tekort van 7 miljoen oftewel het dagelijkse olieverbruik van China.

Deze voorspellingen zijn gebaseerd op de verwachtingen van de Wereldbank dat de wereldeconomie in 2010 met 4,5 procent is gegroeid. Helaas rekent men hiermee buiten de huidige recessie: het vooraanstaande onderzoeksbureau CERA ( Cambridge Energy Research Associates), dat onderzoek doet naar de energiemarkt, voorspelt dat de recessie OPEC ervan zal weerhouden de nodige investeringen te doen. Hiermee gaat volgens CERA een verdere daling van de olieproductie gepaard, namelijk een reductie van 5 miljoen vaten. Gecombineerd met de eerder genoemde daling naar 88 miljoen vaten zou dit resulteren in een productie van 83 miljoen vaten per dag in 2015. Ter vergelijking: de huidige wereldwijde olieproductie ligt ongeveer op 86 miljoen vaten per dag.

Lege supermarkt

Als overheden zich niet voorbereiden op afnemende olieproductie zijn de effecten vrijwel meteen merkbaar. Hét symptoom van Piek Olie is een permanent hogere olieprijs (schaarse goederen zijn immers duur). Dit vertaalt zich in duurdere benzine en kerosine, wat rampzalig is voor de transportsector. Rembrandt Koppelaar, medeauteur van het boek ‘De permanente oliecrisis’ en voorzitter van de Stichting Peakoil Nederland, geeft een paar voorbeelden. “Vliegtuigtickets worden duurder waardoor veel mensen hun zaken dichter bij huis zoeken. Vliegtuigmaatschappijen gaan dus failliet en er ontstaat veel werkloosheid in de vliegtuigindustrie.”

“Hoge benzineprijzen veroorzaken ook onrust in de transportsector met vrachtwagens. Als de bedrijven gaan staken, of erger nog, failliet gaan, hebben we de poppen aan het dansen. Tijdens de grote staking van vrachtwagenchauffeurs in Italië van 2007 waren na slechts vier dagen alle supermarkten leeg. Hoe ongelofelijk het ook klinkt, bij een staking van zes dagen gaan mensen in ontwikkelde landen gewoon honger lijden.” Bij verdere afname van productie en toename in consumptie zal een olieschaarste uiteindelijk leiden tot een wereldwijde afname in welvaart. Deze treft vooral het armste deel van de samenleving, die zich geen dure brandstof kan veroorloven.

Stakende vrachtwagenchauffeurs tijdens de grote staking in Italië van 2007. Door gebrek aan vrachtvervoer waren na vier dagen alle supermarkten leeg. Dit zal in de nabije toekomst vaker voorkomen als overheden voor Piek Olie geen adequate maatregelen nemen.

Deadline

Met tien jaar om ons voor te bereiden op Piek Olie en permanent verhoogde brandstofprijzen is het tijd om maatregelen te nemen die de klap verzachten. Maar of dit lang genoeg is, daarover zijn de experts nog niet helemaal uit. Het bekendste rapport dat hierover gaat is het Hirsch rapport uit 2005. Hierin beschrijft de Amerikaanse energiedeskundige Robert Hirsch de mogelijkheden voor de Amerikaanse overheid om zichzelf in te dekken tegen Piek Olie, voornamelijk door te investeren in zogenoemde onconventionele olie. Dit is olie die bijvoorbeeld in de vorm van teerzanden en olieschalen te vinden is. Het kost meer energie om deze olie te winnen dan aardolie in vloeibare vorm, daarom is men er nooit serieus mee aan de slag gegaan.

Hirsch’ conclusie is dat het minimaal twintig jaar kost om, zonder olietekorten en verlies van welvaart, over te schakelen naar een systeem van alternatieve energiebronnen. Met een deadline van tien jaar is dat duidelijk slecht nieuws. En aangezien de grootste olieconsumenten nog geen maatregelen hebben genomen, lijkt een oliecrisis onvermijdelijk. Maar dat hoeft voor ons land niet per se zo te zijn.

Niet over één nacht ijs

We leven in een tijdperk waarin technische dromen langzaam realiteit worden. Auto’s die licht als een veertje zijn en daarom veel zuiniger rijden, huizen waarin sommige apparaten worden aangedreven door zonnecellen op het dak en benzine die voor een deel afkomstig is uit planten. Deze technieken zijn al tientallen jaren in ontwikkeling, maar doordat olie altijd een (veel) goedkoper alternatief was zijn ze nauwelijks doorontwikkeld. Maar met de hoge olieprijs kan daar verandering in komen.

Als een automobilist de benzinekosten ziet verdubbelen klinkt een auto op groene stroom ineens heel aantrekkelijk. Burgers gaan massaal op zoek naar hybride auto’s, dus schakelen autofabrikanten over en zal de markt verschuiven om aan de vraag naar goedkopere auto’s te voldoen. Helaas gaat dit niet over één nacht ijs: elektrische auto’s hebben oplaadpunten nodig, er moeten reactoren zijn om biobrandstoffen te maken en een auto die voor een deel op waterstof rijdt moet dus ook waterstof kunnen tanken. Als die infrastructuur niet op tijd op zijn plaats is, kunnen we niet massaal overschakelen en treft de oliecrisis ons alsnog met volle kracht. Gelukkig is de overheid in de positie om de markt nu al deze kant op te sturen.

Geen draaiboek

Een regering kan het heel voordelig maken voor burgers om voor duurzame alternatieven te kiezen. Door extra belasting te heffen op fossiele brandstoffen en de duurzame te subsidiëren zorgt de overheid er kunstmatig voor dat duurzame energie ineens kan concurreren met olie. Op die manier wordt het ineens winstgevend om de nodige infrastructuur aan te leggen in de vorm van oplaadpunten, elektriciteitsnetwerken en fabrieken voor windmolens, zonnecellen en zuinigere en hybride auto’s. Maar wat voor belastingen en subsidies moeten we dan aan denken?

“Om de impact van de komende oliecrisis te verzachten of zelfs helemaal te vermijden, is het zaak dat het transport in Nederland binnen vijf jaar voor minstens vijf procent op elektriciteit rijdt,” zegt ECN-econoom Jos Bruggink. Naast econoom is Bruggink ook hoogleraar Energietransities aan de Vrije Universiteit, en is al jaren bezig met het vraagstuk hoe we van onze olieverslaving af moeten komen. “Door geleidelijk over te schakelen van olie op andere energiebronnen verlaag je de druk op de oliemarkt, zodat de prijsstijgingen beperkt blijven. Den Haag kan dit stimuleren met verschillende maatregelen.”

Eén van Brugginks ideeën is een belastingbuffer die zorgt dat de Nederlander niks merkt van fluctuerende olieprijzen. Als de prijs laag is heft de overheid extra belasting op benzine, als de prijs hoog is compenseert de overheid dit met eerdere opbrengsten van deze belasting. Deze buffer voorkomt onrust door stijgende benzineprijzen en voorkomt dat vervoerders die op duurzame energie rijden failliet gaan als de olieprijs laag is.

Twee andere klassieke maatregelen zijn de CO2-tax en het rekeningrijden. Een belasting op uitgestoten CO2 beloont automobilisten die duurzaam rijden met goedkopere brandstof, terwijl rekeningrijden mensen zal aanmoedigen om dichterbij het werk te gaan wonen en met het openbaar vervoer te reizen.

Ook Piek Olie expert Rembrandt Koppelaar zit vol ideeën om de druk van de oliemarkt te halen. Hij pleit voor een systeem dat al sinds 2000 in Duitsland van kracht is en daar zeer succesvol is. “Wat we nodig hebben is duurdere elektriciteit, een zogenoemde opslag. Het geld van die opslag gaat naar de netbeheerder, die het vervolgens teruggeeft aan mensen die duurzame stroom produceren. Elke kilowattuur die een zonnecel op je huis produceert, zie je aan het einde van de maand terug in een lagere stroomrekening. Deze opslag kost het gemiddelde Duitse huishouden slechts vijftig euro per jaar. Dat is één keertje per jaar minder uit eten, terwijl je de productie en installatie van duurzame energiebronnen enorm stimuleert.”

In Duitsland is het al sinds 2000 gebruikelijk dat de overheid consumenten terugbetaalt die stroom terugleveren aan het net, bijvoorbeeld door zonnecellen en windmolens op het dak te plaatsen. Hierdoor is nu al ongeveer 15% van alle opgewekte energie in Duitsland duurzaam.

Koppelaar gaat verder: “Bijkomend voordeel is dat we zo in Nederland een afzetmarkt creëren voor windmolens en zonnecellen. We weten ontzettend veel van duurzame energie, maar we bouwen geen fabrieken omdat niemand in Nederland deze spullen koopt. Dat is natuurlijk ontzettend dom, want zo komt er ook geen geld uit je onderzoek. Solland Solar, Nederlands enige zonnepanelenfabrikant, exporteert bijna alles naar de andere EU landen omdat het ministerie van Economische Zaken niet wil beginnen aan een grootschalige introductie van duurzame energie.”

Dat is momenteel de realiteit. Het ministerie van Economische Zaken gaat er voor haar energiebeleid van uit dat de olie nog minstens twintig jaar goedkoop blijft. Een telefoontje met de woordvoerder leert dat er in Nederland nog geen draaiboek bestaat om ons land voor te bereiden op Piek Olie. Terwijl, met de IEA’s World Energy Outlook 2008 in het achterhoofd, investeren juist het toverwoord zou moeten zijn. Ditzelfde advies geeft ook Coby van der Linden, directeur van het Internationale Energie Programma van de befaamde denktank het Clingendael Instituut.

In een recente column voor Energie Nederland zegt zij het volgende: “We mogen van onze leiders verwachten dat zij over hun schaduw heen springen en niet alleen roekeloze banken en de Detroitse auto-industrie en kornuiten elders van de ondergang redden, maar ook het energie- en klimaatprobleem niet vergeten. Waarom bijvoorbeeld niet als eis stellen, dat in ruil voor hulp nu, de auto-industrie een paar fikse stappen gaat zetten om veel energie-efficiëntere en duurzamere auto’s gaat ontwikkelen, die midden volgend decennium op de markt kunnen komen? Dus niet meer van die kleine, kapot onderhandelde stapjes, maar een sprong vooruit. […] Anders zadelen we onze kinderen niet alleen op met opnieuw opgelopen overheidsschulden, maar ook met een steeds moeilijker oplosbaar energie- en klimaatprobleem.”

Boerenverstand

De deadline is duidelijk: 2020. Afhankelijk van degene aan wie je het vraagt, is de tijd die ons rest tot Piek Olie te kort of net genoeg om maatregelen te treffen voor de introductie van alternatieve energieën. Sommige experts zien een crashprogramma als enige uitweg, waarin alle neuzen dezelfde kant op worden gedraaid en van de ene op de andere dag een radicaal nieuw energiebeleid wordt gehanteerd. Zo’n crashprogramma heeft duidelijke nadelen omdat een maatschappij nou eenmaal tijd nodig heeft om zich aan te passen. Maar zowel Bruggink als Koppelaar geven aan dat we maar beter nu kunnen beginnen om maatregelen bespreekbaar te maken in de Tweede Kamer.

Bruggink zegt: “Als je eerder begint, heb je er in de toekomst altijd voordeel van. Want Piek Olie gaat hoe dan ook gebeuren. Misschien volgend jaar al, misschien in 2020, misschien pas in 2025, maar de piek komt eraan, als we die niet al bereikt hebben.” Volgens Koppelaar is het gewoon een kwestie van je boerenverstand gebruiken: “Elke druppel olie die je minder hoeft te importeren, is een druppel waarvoor je niet afhankelijk bent van anderen.”

Help jezelf

Zelfs als de overheid de komende tien jaar niets doet, ben je als burger beter af als je alvast investeert in een duurzamere levensstijl. Het energiebeleid zal uiteindelijk moeten veranderen, en verstandig beleid beloont mensen die het beleid een stap voor zijn. Zo zal een CO2-tax een stuk lagere impact hebben als je auto al voor een deel op elektriciteit of biobrandstof rijdt. Ook kunnen mensen die al in groene stroom hebben geïnvesteerd als eerste de vruchten plukken van een eventuele subsidie.

Een veel gehoord argument tegen duurzame energiebronnen is dat ze niet efficiënt genoeg zijn, en daarom te duur en onhandig. Zelfs hoogleraar Milieukunde Lucas Reijnders sprak halverwege 2008 in het NRC nog van zonnecellen met een maximale efficiëntie van 15 procent, terwijl er nu al zonnecellen op de markt zijn met een efficiëntie van 19,3 procent. Terwijl Reijnders een groot voorstander is van opschaling van de productie door zonne-energie. Dat geeft aan hoe snel de ontwikkelingen in de markt gaan.

Hoe dan ook, de experts zijn het in elk geval met elkaar eens: hoe eerder je actie onderneemt, hoe minder last je van een latere crisis hebt.

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 22 december 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.