Je leest:

Een chaos van beelden

Een chaos van beelden

Auteur: | 12 juni 2008

De onderzoeksplannen waarmee Chris Olivers een Vidi-subsidie heeft ontvangen, bouwen voort op waar hij al jaren mee bezig is: visueel aandachtsonderzoek. “Wij krijgen veel informatie op ons netvlies, maar niet alle informatie wordt volledig door het brein verwerkt. Hoe selecteren wij uit een chaos van beelden, dat wat we zien?” Met het uitpluizen van dat proces houdt hij zich bezig.

Het mechanisme dat aan de selectie van informatie ten grondslag lijkt te liggen, is wat wij aandacht noemen. Daar waar je je aandacht op richt, verwerk en onthoud je beter. En waar je je niet op richt, negeer je of misschien wordt het zelfs actief onderdrukt. Tot nu toe richt aandachtsonderzoek zich vooral op wat mensen selecteren. Op welke eigenschappen letten we (felle kleuren of bewegende dingen bijvoorbeeld) en waar in de ruimte kijken we precies? Er is relatief weinig bekend over wanneer bepaalde selectieprocessen plaatsvinden. Olivers wil zich op dat tijdsverloop gaan richten.

“Voor aandacht hebben we één woord, maar we vermoeden dat er allerlei processen aan ten grondslag liggen. Er is een grove tweedeling in die processen. We onderscheiden de bottom-up- of stimulusgedreven processen, waar de aandacht voor een groot deel wordt bepaald door eigenschappen van de stimulus. Daarnaast onderscheiden we aandacht die wordt gedreven door onszelf: door onze kennis, de doelen die we hebben en de specifieke context. Er is weinig bekend over wanneer welk proces optreedt en wanneer het invloed heeft op de selectie.”

Hoe selecteren wij uit een chaos van beelden, dat wat we zien?

Eerst snelle verwerking, dan feedback van hogeraf

Toch zijn daar wel ideeën over. Onderzoekers gaan er in het algemeen vanuit dat er eerst een snelle verwerking is van de bottom-up-eigenschappen van de wereld en dat die binnen de eerste 100 milliseconden plaatsvindt. Dat wordt gevolgd door late feedback vanuit de hogere regionen, wat een top-down-invloed zou kunnen zijn.

Er is een aantal proeven gedaan die op de tweedeling lijken te wijzen en die het idee van de 100 milliseconden lijken te ondersteunen, maar de taken die zijn gebruikt, verschillen nogal van elkaar en de literatuur communiceert niet met elkaar, aldus Olivers. “Men heeft niet door dat men naar eenzelfde soort tijdspanne zit te kijken. Een groot deel van mijn project gaat erom te kijken in hoeverre die taken op elkaar lijken en of de uiteenlopende literatuur te verenigen en binnen één theorie te vangen is.”

In het tweede deel van zijn onderzoek richt hij zich op de manier van presenteren van een stimulus. Tot nu toe zijn de visuele aandachtsprocessen bijna altijd onderzocht door in één keer een plaatje op het scherm te zetten en daarna te vragen wat proefpersonen gezien hebben of hoe snel ze het zagen. Olivers: “Dat doet nagenoeg iedere onderzoeker en daar zijn goede redenen voor, want als je het in één keer op het scherm zet, weet je precies wanneer het er stond. Zo hebben ze de timing onder controle.”

Als je een plaatje in één keer op het scherm zet, weet je precies hoe lang die er al staat. En dat is gemakkelijk bij het onderzoeken. Maar in de dagelijkse wereld verschijnt een voorwerp – zoals een auto – niet ineens in ons blikveld, maar komt het langzaam dichterbij.

Niet precies zoals in de echte wereld

Het probleem is echter dat het abrupt op het scherm zetten op zichzelf de aandacht beïnvloedt. “Objecten die abrupt aan ons verschijnen, vangen onze aandacht en hebben daarmee een grote invloed op ons brein. Het creëert in één keer een golf van activiteit in het brein. De vraag is of het feit dat iedereen eenzelfde tijdspanne lijkt te meten, komt omdat we de stimuli allemaal op dezelfde manier presenteren.”

Het verschilt bovendien van hoe het in de echte wereld gaat. Olivers: “Auto’s staan vaak niet abrupt voor onze neus, maar komen geleidelijk ons beeld binnenrijden. Dingen komen geleidelijk uit de mist opdoemen. Ze staan half in beeld en dan bewegen je ogen ernaartoe en staat het geheel in beeld.”

Daarom zal het tweede deel van Olivers’ onderzoek zich richten op in hoeverre het tijdsverloop van de stimulus zelf van invloed is op aandacht. Misschien dat het tijdsverloop van de stimulus ook het tijdsverloop van de aandacht kan bepalen. “Ik zal stimuli geleidelijk laten verschijnen, ze achter andere objecten vandaan laten komen, ik ga mist op het beeldscherm creëren.”

Als een plaatje tevoorschijn komt uit de mist of vanachter een ander object, komt dat meer overeen met de werkelijkheid.

Uiteindelijk hoopt hij met een theorie te komen die het tijdsverloop van de top down- en bottom-up-processen in kaart brengt en die ook beschrijft in hoeverre dat tijdsverloop afhangt van hoe een stimulus in de tijd verandert. Natuurlijk wordt dit de universele theorie.

Felrode cirkels die uit de mist opdoemen

In een experiment dat hij nu opzet, krijgen mensen bijvoorbeeld een display te zien waarin ze op zoek moeten naar een vorm, zoals een ruit tussen de cirkels. "We laten een felrode cirkel zien, maar doen dat niet in één keer. In andere studies wordt de cirkel opeens op het scherm gezet en dat kan invloed hebben op het proces.

In ons onderzoek laten we zo’n zelfde afbeelding vanachter een muurtje vandaan komen. Het kan van een muurtje links of rechts komen. Als het object twee keer vanachter hetzelfde muurtje vandaan komt, lijkt het of je hetzelfde object ziet. Als het eerst vanaf links en dan vanaf rechts komt, lijken het twee verschillende objecten, en hoewel het display precies hetzelfde is. Dat verschil in aandacht moeten we kunnen meten."

Als een rode cirkel twee keer achter hetzelfde muurtje vandaan komt, lijkt het of je hetzelfde object ziet. En dat heeft invloed op de aandacht.

Een halve seconde kan heel lang zijn

Het blijft fundamenteel onderzoek, maar Olivers wil een slag maken naar de echte wereld. "Ik richt me ook op een aspect dat lijkt te laten zien dat als ik iets relevants zie, ik meer dan een halve seconde lang even niks anders kan verwerken. Mijn bewustzijn is een halve seconde lang met het object bezig voor het naar een volgend object kan verschuiven.

Als je naar de echte wereld kijkt, is dat ongelofelijk, want een halve seconde is heel lang. Als je 100 km per uur rijdt, ben je in een halve seconde 14 meter verder, voordat je überhaupt iets gaat ondernemen. En dan ben je met je voet dus nog niet bij de rem. Dat effect heet attentional blink en ik heb er eigenlijk nooit echt in geloofd. Nu heb ik wat bewijs vergaard dat de onderliggende dynamiek veel sneller werkt. Het lijkt of je een halve seconde uitgeschakeld bent, maar in de echte wereld krijg je toch meer mee dan je zou denken."

Om er dan aan toe te voegen: “Nu moet ik wel oppassen met dit soort uitspraken, want dan denken mensen vrolijk dat ze van alles kunnen gaan doen achter het stuur. Dat is niet het geval, integendeel. Het is eerder andersom: als het zo werkte als men voorheen dacht, zou het volstrekt onverantwoord zijn om achter het stuur te gaan zitten. Daar zouden we dan simpelweg niet toe in staat zijn.”

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van De Psycholoog.
© De Psycholoog, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 12 juni 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.