Je leest:

Ecologische effecten van opwarming van de Waddenzee

Ecologische effecten van opwarming van de Waddenzee

Auteur: | 17 juni 2010

De Waddenzee warmt op. Niet alleen is de gemiddelde temperatuur van het zeewater toegenomen, ook echt koude winters blijven uit. Effecten op de ecologie worden nu zichtbaar. Koudeminnende soorten, zoals de schol, trekken zich langzaam terug uit de Waddenzee. Voor warmteliefhebbers worden de omstandigheden steeds gunstiger. De verschuivingen beïnvloeden de complexe interacties tussen predator en prooi. Ook de komst van exoten zet een stempel op het waddenlandschap.

Sinds de industriële revolutie wordt er door menselijke activiteiten steeds meer CO2 uitgestoten naar de atmosfeer, waardoor de aarde langzaam opwarmt. Ook in de Waddenzee neemt de temperatuur langzaam maar zeker toe. De stijging verloopt in Nederland zelfs tweemaal zo snel als de mondiale temperatuurstijging. De winter van 1996 behoorde nog tot de vijf koudste winters van de afgelopen eeuw. Daar staat tegenover dat het jaar 2007 behoorde tot een van de tien warmste van de meetreeks behoorde. De opwarming van het zeewater en het uitblijven van koude winters heeft gevolgen voor het leven in de Waddenzee. Geleidelijk aan treden er een aantal verschuivingen op. In dit artikel wordt eerst stilgestaan bij de soorten voor welke de opwarming nadelig blijkt. Daarna worden de soorten besproken die juist profiteren van de opwarming.

Door de jaarlijkse schommelingen heen is duidelijk de stijgende temperatuurstrend in de afgelopen 50 jaar waar te nemen.
H.M. van Aken (2010) Journal of Sea Research 63: 143-151

De kinderkamer van de Noordzee

De Waddenzee is de kinderkamer voor veel vis uit de Noordzee. Na het uitkomen van de eieren trekken veel jonge vislarven in het vroege voorjaar de Waddenzee binnen. Het warmere zeewater, het rijke voedselaanbod en de afwezigheid van predatoren bieden de ideale omstandigheden om op te groeien. Onder de soorten die gebruikmaken van de kinderkamer bevindt zich de schol. De jonge schol trekt begin april als eerste naar de Waddenzee. Hij heeft een relatief lang groeiseizoen en verblijft meer dan vier maanden in de ondiepe wateren.

Sinds de jaren zeventig lijken de omstandigheden in de Waddenzee echter steeds minder gunstig voor de schol. In de zomer komt de temperatuur van het zeewater in de Waddenzee regelmatig boven de 20 graden Celsius uit. Bij deze relatief hogere temperaturen neemt bij de schol de groei af.

Terwijl de schol in de toekomst wellicht zal moeten uitwijken naar een andere, koelere kinderkamer, wordt voor andere soorten de Waddenzee aantrekkelijker. Ieder voorjaar trekken jonge garnalen naar het waddengebied. Door de klimaatverandering warmt het water steeds sneller op, en blijft het ook langer op temperatuur. Dankzij de opwarming van de Waddenzee wordt het groeiseizoen van garnalen dus verlengd.

Mosselen en kokkels

Na de sterke achteruitgang van kokkel- en mosselbanken door overbevissing in de jaren ’80 en ’90, blijft herstel van de schelpdierbestanden uit. De warme winters in de afgelopen tien jaar blijken negatieve gevolgen te hebben voor de ontwikkeling van schelpdieren.

Mossel- en kokkelbanken zijn voortdurend in ontwikkeling. Kokkels worden gemiddeld zeven jaar. Mosselen kunnen aanzienlijk ouder worden, tot ca. 20 jaar. Regelmatige aanwas is nodig, om de schelpdierbanken op sterkte te houden. Jonge schelpdieren worden in de eerste levensfase echter bedreigd door vraat. Koude winters blijken gunstig te zijn voor de nieuwe aanwas: de predatoren van het schelpdierbroed – zoals kleine garnalen – houden namelijk niet van de kou. In het voorjaar volgend op een strenge winter worden de predatoren relatief laat actief. Jonge schelpdieren krijgen daardoor de kans op te groeien tot een grootte waarbij ze niet meer eetbaar zijn voor deze predatoren. Door het uitblijven van strenge winters in de laatste tien jaar is de aangroei beperkt gebleven.

Begunstigden

Terwijl sommige soorten de Waddenzee langzaam maar zeker vermijden, wordt het er aantrekkelijker voor anderen. De achteruitgang van de schol gaat de laatste jaren gepaard met een toename in tong. Ook vissen die van de warmte houden, zoals de zeebaars, smelt en griet vertonen een stijgende trend.

De opwarming van het zeewater stimuleert tevens de vestiging van een aantal schelpdieren die oorspronkelijk in warmere wateren thuishoren. Veel soorten worden in Europa geïntroduceerd via het ballastwater van grote zeeschepen. Nadat veel van deze schelpdieren zich eerst in zuidelijkere wateren hebben gevestigd, is er de laatste decennia sprake van een noordwaartse verschuiving.

De Japanse oester is het meest in het oog springende voorbeeld. Deze opvallend grote oester met messcherpe kanten heeft een wereldwijde verspreiding. De soort komt onder meer voor aan de kusten van de Verenigde Staten en Australië en langs de Middellandse Zee. In de jaren ‘60 is de Japanse oester in de Oosterschelde geïntroduceerd voor de kweek. De laatste decennia komt zij ook in steeds grotere aantallen voor in de Waddenzee.

Japanse oesters vormen stevige structuren op de wadbodem .
K. Troost

Minder opvallend, maar als fenomeen evenzo illustratief voor de veranderingen die volgen op de temperatuurstijging, is de komst van het muiltje in de Waddenzee. Muiltjes vormen vaak stapels van twee tot twaalf aan elkaar gehechte schelpen. De soort komt oorspronkelijk van de Noord-Amerikaanse kust en maakte begin vorige eeuw de oversteek naar Europa. Vanuit Frankrijk is zij geleidelijk aan noordwaarts opgeschoven. Het muiltje werd in de jaren dertig nog sporadisch waargenomen, maar is tegenwoordig een veel voorkomend schelpdier.

Verandering: verrijking of bedreiging?

De komst van nieuwe soorten kan een verrijking van het ecosysteem betekenen. De Japanse oester vormt stevige schelpenbanken die een schuilplaats bieden aan tal van andere organismen. Daarnaast hebben de banken een stabiliserende werking. Doordat de oesters sediment invangen, zorgen zij voor versteviging en natuurlijke ophoging van de wadplaten.

Nieuwe soorten kunnen ook een bedreiging vormen voor bestaande soorten. Met name wanneer zij zich grootschalig uitbreiden. In de Oosterschelde heeft dezelfde Japanse oester de mosselbanken voor een groot deel verdrongen. Ook andere exoten kunnen de oorspronkelijke wadbewoners verdringen. De laatste jaren wordt in havens bijvoorbeeld steeds vaker de druipzakpijp waargenomen. Een prachtig dier, maar hij overwoekert wel allerlei schelpdieren, zeepokken en andere vastzittende dieren.

De druipzakpijp wordt pas sinds enkele jaren in de Waddenzee waargenomen.
Waddenvereniging

Verandering: onontkoombaar

De Waddenzee is aan velerlei invloeden onderhevig. In dit artikel zijn de gevolgen van opwarming beschreven. De opwarming is een gevolg van de klimaatverandering op aarde. Deze klimaatverandering leidt echter ook tot zeespiegelstijging en een verandering in het windklimaat. Hierdoor worden getijdenstromingen en de daarmee verbonden sedimentatiepatronen beïnvloed. Daarnaast is de mens in het wad een factor van belang. De aanleg van grote infrastructuren, zoals de Afsluitdijk, heeft in het verleden sterk het karakter van de Waddenzee getekend. Ook exploitatie en bodemberoering hebben een sterke stempel gezet op de ecologie in het wad. Veel soorten zijn de loop van afgelopen eeuwen verdwenen uit de Waddenzee. Maar er zijn ook steeds nieuwe soorten binnengekomen. In een dynamisch open ecosysteem, zoals de Waddenzee, is het een komen en gaan. Dankzij het voorkomen van zoveel verschillende soorten, vormt de Waddenzee een robuust, veerkrachtig ecosysteem dat uniek is in de wereld.

Bronnen:

Beukema (1992) Netherlands Journal of Sea Research 16: 37-45 De Bruyne en de Boer (2008) Schelpen van de Waddeneilanden Lodge D.M. (1993) Trends in Ecology and Evolution 8(4): 133-137 Nehls ea. (2006) Helgoland Marine Research 60(2): 135-143 Strasser ea. (2003) Journal of Sea Research 49: 47-57 Teal en anderen (2008) Marine Ecology Progress Series 358: 219-230 Troost K. en anderen (2009) Marine Biology 156: 355-372 Tulp I., L.J. Bolle & A.D. van Rijnsdorp (2008) Journal of Sea Research 60: 54-73 Van der Veer HW, R Dapper & J IJ Witte (2001) Journal of Sea Research 45: 271-279 Van Aken H.M. (2010) Journal of Sea Research 63: 143-151

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 17 juni 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.