Je leest:

Duurzaam dankzij gentech

Duurzaam dankzij gentech

Auteur:

Veel mensen zullen bij duurzame landbouw niet direct denken aan genetisch gemodificeerde gewassen. Toch blijken GM-teelten doorgaans duurzamer dan reguliere teeltmethodes. Mits er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, zegt een groep onderzoekers die de voor- en nadelen op een rij zetten.

Small
Slechts twee GM-gewassen mogen momenteel in de EU worden geteeld: een GM-maïs die resistent is tegen bepaalde insecten en een GM-aardappel met een verhoogd gehalte van een bepaald type zetmeel (amylopectine). Daarnaast zijn er 32 typen GM-gewassen in de EU toegelaten voor import en verwerking in (dier-)voeding.
Wikimedia Commons

We verbouwen ze in Nederland niet, maar importeren ze wel: gewassen waarbij een gen is ingebracht uit een andere soort. Het gaat dan vooral om soja, maïs en katoen. Onze vorige regering vroeg zich af of het importeren van genetisch gemodificeerde (GM-)producten wel past binnen haar duurzaamheidsbeleid en liet dat uitzoeken door een groep onderzoekers van Wageningen Universiteit en Research centrum (WUR) en adviesbureaus CREM en Aidenvironment.

Zij kwamen begin mei met een lijvig rapport waarin de teelten uitgebreid tegen het licht werden gehouden op basis van verschillende duurzaamheidscriteria voor mens, milieu en economie. Hun verrassende conclusie is dat gentechnologie kan leiden tot een duurzamere landbouw: GM-gewassen hebben minder landbouwgif nodig dan gewone gewassen, wat beter is voor mens èn natuur, en bovendien zorgen ze voor een hoger inkomen voor arme boeren.

“Duurzaamheid is een relatief begrip, dus het onderzoek richtte zich op de vergelijking met conventionele teelten”, benadrukt Bert Lotz, projectleider en toegepast ecoloog aan Wageningen UR. “De alsmaar toenemende productie van soja leidt bijvoorbeeld op grote schaal tot ontbossing en is dus verre van duurzaam, maar feit is dat de beschikbaarheid van GM-soja hierop nauwelijks invloed lijkt te hebben. Ook de niet-GM-sojateelt is enorm toegenomen in gebieden waar dit ten koste is gegaan van de natuur.”

De relatieve duurzaamheid van GM-teelten blijkt voornamelijk af te hangen van lokale wetten en hoe dingen ter plekke geregeld zijn. “Boeren moeten bijvoorbeeld voldoende kennis over GM-gewassen hebben en effectief gebruik maken van actuele landbouwkundige inzichten”, vertelt Lotz. “Verder is het belangrijk dat er goed gescheiden afzetkanalen zijn voor GM- en reguliere producten. Dus geen opslag of havens waar telers alleen GM of alleen regulier product kwijt kunnen, waardoor hun keuzevrijheid in het geding komt, wat nogal eens het geval is. Onder die voorwaarden kunnen GM-gewassen wel degelijk bijdragen aan een duurzamere landbouw.”

Minder pesticiden

Maar waarin zit hem nou eigenlijk die duurzaamheid van gemodificeerde gewassen? Er worden momenteel twee typen GM-gewassen op grote schaal verbouwd, namelijk gewassen die goed tegen onkruidverdelgingsmiddelen – ofwel herbiciden – kunnen (de herbicidetolerante gewassen) en gewassen die niet meer worden aangevreten door insecten (de insectenresistente gewassen).

Lotz legt uit dat bij de teelt van herbicidetolerante (HT-)gewassen niet langer een cocktail van verschillende onkruidverdelgers nodig is om alle onkruiden te doden, maar enkel de stof glyfosaat (beter bekend onder de merknaam Roundup). Daaraan gaan namelijk alle planten dood, behalve degene met het HT-gen. Dit is niet alleen eenvoudiger voor de boer, maar glyfosaat heeft daarnaast ook minder nadelige milieueffecten dan de meeste andere herbicides. “Het is niet milieuvriendelijk – let wel – maar minder schadelijk. Het breekt relatief snel weer af en heeft minder effecten op het dierenleven rond de akker.”

Een grote valkuil bij het gebruik van HT-gewassen is alleen wel dat je ze niet ongestraft jaar-in-jaar-uit op dezelfde akker kunt blijven telen, want dan worden onkruiden na een jaar of vijf ook resistent tegen het herbicide. HT-gewassen worden dan op die plek onbruikbaar. “Je bent dan weer terug bij af en moet alsnog weer gaan spuiten met schadelijkere middelen”, aldus Lotz. “Je zult dus om de zoveel jaar nog reguliere soja of maïs moeten verbouwen met conventionele onkruidbestrijdingstechnieken, of tussendoor heel andere gewassen moeten telen. Helaas doen boeren dit lang niet altijd en dan zijn ze dus niet meer duurzaam bezig. Dit wordt ook vooral als tegenargument naar voren geschoven door tegenstanders van gentechnologie.”

Small
Bacillus thuringiensis.
Wikimedia Commons

Bij maïs en katoen worden naast herbicidetolerante gewassen ook rassen met insectenresistentie veel verbouwd. Die bevatten een Bt-gen van de bacterie Bacillus thuringiensis, die van nature verschillende eiwitten maakt die giftig zijn voor specifieke insectengroepen zoals motten of kevers.

Deze Bt-eiwitten worden ook industrieel geproduceerd als pesticide tegen insectenplagen in de biologische landbouw, omdat ze afbreekbaar zijn. Al naar gelang de meestvoorkomende plaag in een bepaald gewas, wordt een gen voor een van deze gifeiwit-varianten ingebouwd.

Lotz: “Dat maakt dat de biodiversiteit op en rond de akkers hierdoor minder wordt aangetast dan in conventionele teelten, waarbij gespoten wordt met breedwerkende pesticiden die alle insecten doden, ook de nuttige.” Maar het belangrijkste voordeel van Bt-teelten is dat er ook netto veel minder gif hoeft te worden gespoten, wat niet alleen milieuvriendelijker is maar ook geld en arbeid bespaart. Bovendien worden boeren zo veel minder blootgesteld aan gevaarlijke gifstoffen. Tenslotte heeft de teelt van Bt-katoen wereldwijd geleid tot meer opbrengst per hectare en dus efficiënter landgebruik. En ook dat leidt indirect tot milieuwinst.

Gevallen van plaaginsecten die resistentie ontwikkelen tegen Bt-eiwitten zijn volgens het rapport tot nu toe zeldzaam gebleken. Toch is het essentieel dat boeren twintig procent van hun land altijd nog met niet-Bt-gewas beplanten, zodat plaaginsecten minder onder druk komen te staan om zich aan te passen. “Het is dus belangrijk dat boeren deze richtlijn ook opvolgen en weten waar ze mee bezig zijn als ze voor een GM-ras kiezen”, aldus Lotz. “Maar omdat de industrie hier vanaf de introductie van Bt-katoen direct op heeft gehamerd, gaat dit gelukkig in de praktijk meestal goed.”

Large
De opbrengstverschillen tussen GM- en niet-GM-teelten binnen dezelfde regio zijn meestal veel kleiner dan oogstverschillen tussen verschillende regio’s of landen. Zo kan het gebruik van Bt-katoen leiden tot 83% opbrengstverhoging, maar de gemiddelde katoenoogst per hectare varieert van land tot land wel meer dan 500%.

Voor alle onderzochte GM-gewassen geldt volgens Lotz dat ze beter scoren op milieu-aspecten voor duurzaamheid dan de conventionele teelten, als boeren er maar een goede landbouwpraktijk op nahouden en zich aan een aantal regels houden om resistentie te voorkomen. Educatie bij boeren is dus essentieel.

Wijnand Broer van CREM, een adviesbureau gericht op duurzame ontwikkeling en deelnemer aan deze studie, denkt dat zulke voorlichting niet alleen zou kunnen worden opgezet vanuit lokale overheden maar ook vanuit duurzaamheidsinitiatieven als ‘The Better Cotton Initiative’ (BCI).

“BCI is een multistakeholder-initiatief waaraan bedrijven als IKEA, Adidas en H&M zich met producentenorganisaties en maatschappelijke organisaties als Solidaridad en het WNF hebben verbonden. De aangesloten bedrijven willen zich kunnen profileren met duurzame producten en doen dat onder andere door via BCI boeren te informeren over betere en duurzamere teeltwijzen, zowel in reguliere als GM-katoenteelt. Via dit soort projecten komt verduurzaming dus vanuit de markt, wat de kans op succes alleen maar vergroot”, aldus Broer.

Misoogsten

In de beginperiode van GM-teelten is er nogal wat ophef ontstaan over tegenvallende oogsten, vooral bij kleine katoenboeren in India. “Toen de eerste Bt-zaden in Azië op de markt kwamen, is het namelijk voorgekomen dat boeren deze gingen gebruiken terwijl die specifieke rassen niet erg geschikt waren om te telen onder de plaatselijke bodem- en weersomstandigheden. Daardoor mislukten de oogsten”, legt Broer uit.

“Sommige van deze rassen waren ook illegaal en werden zonder veel uitleg aan boeren verkocht. Dat leidde tot allerlei wild-westpraktijken. Maar sindsdien is via veredelingsprogramma’s vanuit de Indiase overheid en een reeks lokale bedrijven een grotere diversiteit aan lokaal aangepaste Bt-rassen op de markt gebracht, waardoor dit probleem nu nauwelijks meer speelt.”

Alle onderzochte typen GM-gewassen leiden volgens de onderzoekers dan ook juist gemiddeld tot een hoger inkomen en inkomenszekerheid voor boeren, dankzij verminderd oogstverlies en besparing op pesticiden en arbeidskosten.

Veilig

De thema’s voedsel- en milieuveiligheid maakten specifiek geen deel uit van deze studie, omdat alle GM-gewassen daarop al zijn goedgekeurd voordat ze mogen worden geteeld of verhandeld. Daarvoor ondergaan ze in Europa een uitgebreide veiligheidsbeoordeling door het GMO Panel van de EFSA, de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid. Wereldwijd gelden vergelijkbare beoordelingsprocedures.

Gijs Kleter, senior onderzoeker bij RIKILT – onderdeel van de WUR – en expert in voedselveiligheid van genetisch gemodificeerd voedsel, zit sinds 2008 in dat GMO Panel. Hij vertelt dat ze daar onder meer de biochemische samenstelling van het genetisch gemodificeerde product uitgebreid onderzoeken.

Hoewel veel mensen bang zijn dat GM-planten van de akkers kunnen ‘ontsnappen’ en in de natuur gaan woekeren, is dit een niet erg voor de hand liggend scenario. De kunstmatig ingebrachte nieuwe eigenschap biedt de planten namelijk geen voordelen onder natuurlijke omstandigheden en zal hen dus niet sneller laten groeien dan reguliere soortgenoten, die doorgaans ook niet buiten akkers te vinden zijn. Zelfs het Bt-gen is namelijk in de natuur alleen maar een last: het kost de plant veel energie om voortdurend Bt-eiwitten te maken, terwijl plaaginsecten buiten de akkers nooit in grote hoeveelheden voorkomen, waardoor dit gen dus nauwelijks voordeel biedt. En aan herbicidetolerantie heeft een plant in de natuur al helemaal niets.

Kleter: “We kijken dan bijvoorbeeld naar mogelijke giftige of allergie-opwekkende effecten en hoe de stof afbreekt in de vertering. Ook bestuderen we het DNA-gebiedje waarin het nieuwe gen is ingebracht, omdat de werking van omliggende genen wel eens kan worden beïnvloed door de nieuwe toevoeging. Ook mogelijke milieueffecten, – zoals resistentie-ontwikkeling in plaaginsecten – worden geanalyseerd en na commercialisering verder gemonitord.”

Herman van Bekkem, campagneleider gentech & landbouw bij Greenpeace, vertrouwt dit beoordelingsproces niet. “De veiligheidstesten worden uitgevoerd door de aanvragers zelf, dat is complete tunnelvisie. Bovendien wordt er veel te weinig rekening gehouden met de complexiteit van de plant. Ons voornaamste bezwaar tegen gentechnologie is dat het een onvoorspelbare techniek is die kan leiden tot oncontroleerbare gevolgen en onomkeerbare gentechvervuiling.” Hij gelooft ook niet dat GM-teelten werkelijk leiden tot verminderd pesticidegebruik. “Dat is het verschil tussen theorie en praktijk.”

Broer merkt nog op dat de meest ideale benadering van duurzaamheid eigenlijk zou zijn om het beste te combineren uit alle soorten teeltsystemen, waaronder biologische landbouw, geïntegreerde teelten en GM-teelt. “Maar dat stuit mensen nogal tegen de borst, het idee dat je bijvoorbeeld GM-gewassen zou gaan verbouwen volgens biologische teeltprincipes.”

Lees meer over gentechnologie & genetisch gemodificeerd voedsel op Kennislink

Oeps: Onbekende tag `feed’ met attributen {"url"=>"https://www.nemokennislink.nl/kernwoorden/gentechnologie/genetisch-gemodificeerd-voedsel/index.atom?m=of", “max”=>"8", “detail”=>"minder"}

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 04 oktober 2011

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE