Je leest:

Duurzaam afknallen

Duurzaam afknallen

Auteur: | 26 maart 2004

Trofeejacht kan natuurbescherming ten goede komen. Als het geld dat jagers neertellen om een leeuw te schieten tenminste de juiste kant op gaat. Natuurorganisaties moeten nog wennen aan het idee.

Op de must see-lijst van elke safaritoerist die zuidelijk Afrika aandoet staan de Big Five. Buffel, leeuw, olifant, neushoorn en luipaard moeten natuurlijk op de fotografische plaat vastgelegd worden. Een select gezelschap van blanke westerlingen brengt echter niet zijn fototoestel mee, maar een dubbelloops zwaar kaliber jachtgeweer. De schietgrage bezoekers tellen grif tienduizenden dollars neer voor een tripje Big Five hunting. Onder begeiding van professionele jagers je eigen neushoorn schieten, en de hoorn of kop als trofee naar huis nemen. De ultieme Afrikaanse ervaring!

Per diersoort moet de jager een vergunning kopen of vergoeding betalen, het tarief daarvoor verschilt per land. Deze koloniaal aandoende praktijk kan de natuurbescherming ten goede komen. Het is mogelijk om beschermde dieren af te schieten omwille van de bescherming. Het is de essentie van trophy hunting of sportjacht. Een deel van het geld dat de jachttoeristen in het laatje brengen, vloeit terug in natuurbeschermingsprogramma’s. En het is nogal wat geld dat in jachtsafari’s omgaat. Om te beginnen is er een dagtarief dat inclusief benodigde vergunningen op kan lopen tot duizenden dollars. Dan begint het tellen pas echt. Voor 5000 dollar is het mogelijk om in Zimbabwe een leeuw te schieten via een jachtsafari bureau. Een buffel kost 2800 dollar, een olifant 9000. Het goedkoopst is een baviaan, die doet slechts 150 dollar. Bij een andere organisatie kost een Tanzaniaanse olifant 5600 en een leeuw 3800 dollar. De neushoorn spant de kroon, daar moet tussen de 25000 en de 45000 dollar voor neergeteld worden – de prijs van een nieuwe auto.

Leeuwen

Ondertussen gaat het slecht met de leeuw. Dr. Hans Bauer van het Leidse Centrum voor Milieuwetenschappen promoveerde vorig jaar op een studie naar leeuwen in Afrika. Als eerste gaf hij een zo goed mogelijk schatting (‘guestimate’) van het aantal leeuwen. Zijn alarmerende conclusie was dat er nog slechts twintig- tot dertigduizend dieren zijn. In zuidelijk Afrika gaat het relatief goed, maar met name in West- en Centraal-Afrika zijn de populaties klein en geïsoleerd. Toch beaamt Bauer dat het mogelijk is om leeuwen duurzaam af te schieten. In Nature berekenen Amerikaanse ecologen–kort gezegd– dat leeuwen ouder dan zes jaar ‘misbaar’ zijn (online 22 februari). De populatie lijdt qua grootte en overlevingskans niet onder het afschieten van deze individuen. ‘Ik heb het niet nagerekend, maar ik kan me voorstellen dat het zo is. Het lijkt een paradox, maar het is niet in tegenspraak met elkaar. Buiten beschermde gebieden gaat het heel slecht, maar in beschermde gebieden zijn zoveel leeuwen dat inwoners er al last van hebben.’

Het contrast tussen welig tierende leeuwen en bedreigde populaties is pure economie, vertelt Zuid-Afrika is uniek, daar doen ze aan restauratie, in de rest van Afrika vooral aan degradatie. In Zuid-Afrika is ranching big business, boeren zetten enorme stukken land om in natuurgebieden die ze vervolgens exploiteren.’

Marketing

Bauer: ‘Als dan geld verdiend wordt met de leeuwenjacht, dan is dat een goede oplossing. Zonder het ethische debat erbij te betrekken – ik ben zelf geen jager – vind ik dat er goede redenen zijn voor de jacht. Maar natuurbescherming is voor een deel marketing. En het moet aan de gemiddelde persoon wel uit te leggen zijn waarom afschieten best kan. Het komt er op neer dat de ene leeuwenpopulatie de andere niet is.’

Marc Argeloo van de Large Herbivore Foundation (LHF) is het met hem eens. De LHF ondersteunt projecten om grote grazers zoals de Europese bison, het Anatolische wilde schaap en de Mongoolse gazelle en hun leefgebieden te beschermen. Hij schetst een situatie met een populatie van slechts een paar honderd hoefdieren zoals Argali-schapen. Als je daarvan een handvol dieren af laat schieten voor 20.000 euro per stuk en het geld echt naar de bescherming gaat, ‘dan kan dat heel aantrekkelijk klinken’. ‘Maar in het Westen wordt er heel emotioneel gereageerd zodra er schieten bij komt kijken. We moeten hier eerst die emotionele hobbel nemen. Dan moeten we de discussie over trophy hunting voeren, dat is volgens mij nog nooit goed gebeurd. Het uitgangspunt moet zijn dat de opbrengsten aantoonbaar terugvloeien naar de natuurbescherming, dat die opbrengsten substantieel zijn en dat toekomst van de soort er niet onder lijdt.’

De zorg van Argeloo wordt gedeeld door TRAFFIC, een organisatie die de handel in wildproducten in de gaten houdt. In een rapport van vorig jaar concludeert de organisatie dat trofeejagers veel geld in Oost-Europa en Centraal-Azië spenderen (120 tot 180 miljoen euro per jaar), maar dat daarvan maar een klein deel ten goede komt aan de betrokken regio’s. Oost-Europa is een populaire bestemming om wolven, schapen en geiten te schieten. Maar ook landen in Centraal-Azië, zoals Afghanistan en Kazachstan, ontvangen veel Europeanen op zoek naar berggeiten en wilde schapen. Vooral Duitsers en Spanjaarden worden nogal eens aangetroffen door hun vizier turend naar een Bruine beer of een Argali-schaap.

Het rapport van TRAFFIC gaat precies over de gebieden waar de LHF actief is. Trophy hunting is daar, in Oost-Europa en Centraal-Azië, aan de orde van de dag. Argeloo is zich daarvan terdege bewust: ‘We moeten onder ogen zien dat het een heel nuttig middel kan zijn om geld binnen te halen voor natuurbescherming.’ Maar voor natuurbeschermingsorganisaties is het onderwerp sportjacht taboe, analyseert Argeloo. ‘Trophy hunting is omgeven met geheimzinnigheid en afstandelijkheid. Het is een onderwerp waar natuurbeschermingsorganisaties hun vingers niet aan willen branden. Je gaat beesten doodschieten om de natuur te beschermen. Dat is lastig uit te leggen. Ik ga ook niet de uitspraak doen dat het goed is.’

Het Wereld Natuur Fonds probeert het taboe op sportjacht voorzichtig te doorbreken. In een artikel in de Panda van maart, het kwartaalmagazine van de organisatie, wordt uitgelegd dat trofeejacht ten behoeve van de natuur wel degelijk mogelijk is. Een radicale draai, want het WNF is altijd tegen jagen geweest. Marie-Christine Lanser, hoofd persvoorlichting, legt de nieuwe koers uit. ‘Mits zorgvuldig uitgevoerd kan jachttoerisme helpen de ongebreidelde stroperij tegen te gaan en levert het geld op dat ten goede komt aan beheer van het gebied. Dit speelt vooral in landen met een gezonde wildstand en met weinig geld voor natuurbeheer, waardoor er op grote schaal illegaal wordt gejaagd. Jachttoerisme – met in het algemeen hoge opbrengsten – leidt tot meer belang bij het beschermen van het wild tegen stroperij, wat weer winst betekent voor de natuur.’

De koerswijziging van het WNF gaat niet van harte. WNF-biologe Miriam van Gool, hoofd van het programma voor bedreigde dieren en planten in Nederland, verwoordt in Panda de spagaat waarin het WNF verkeert. ‘Met mijn verstand weet ik dat bepaalde vormen van trofeeënjacht kunnen bijdragen aan natuurbehoud, maar gevoelsmatig blijf ik er grote moeite mee hebben.’ Want zoals het WNF suggereert, wordt trofeejacht lang niet altijd zorgvuldig uitgevoerd. Een bioloog van de Nationale Universiteit van Kazachstan betwijfelt of de jacht in zijn land ecologisch wel in de haak is. De Kazachse regering verleent vergunningen voor het afschieten van ‘wilde katten’ à dertig dollar. Daaronder vallen dan zowel veel voorkomende als zeldzame katachtigen, bijvoorbeeld de Woestijnkat. Voor het schieten van ‘ganzen’, voor 3,50 dollar, mag de jager ook de in Kazachstan bedreigde Roodhalsgans uit de lucht halen.

Sportjacht speelt zich ook af op de Amerikaanse continenten. In Midden-Amerika zijn grote katachtigen gewilde prooien. En in bijvoorbeeld Canadees British Columbia jagen blanke mannen uit de Verenigde Staten, Canada en Europa op grizzlyberen. Tienduizend dollar moet je op tafel leggen om de zeldzame beer te schieten. Zeldzaam, tenminste, dat zeggen natuurbeschermers. Zij zeggen dat het heel slecht gaat met de beer, de regering ontkent dat.

Ironie

Trophy hunting is populatie-dynamisch niet hetzelfde als willekeurig dieren weghalen. Jagers zijn op zoek naar de beste trofee: de mooiste leeuwenmanen, de grootste slagtanden, de fraaiste hoorns. Deze selectieve jacht (technisch gezegd: phenotype-based selective harvest) heeft nadelige gevolgen voor de bejaagde diersoorten, stelden Britse en Canadese biologen vorig jaar in Nature (11 december 2003). De biologen analyseerden bergschapen in Alberta, Canada. Bij deze dieren hangt de jacht als een evolutionaire molensteen om hun nek. Dertig jaar trofeejacht heeft geleid tot rammen met een lager gewicht en kleinere hoorns. Terwijl juist zware rammen met grote hoorns een hoge sociale positie hebben en veel nakomelingen krijgen. Maar van die dieren belandt de kop het vaakst boven de schoorsteenmantel van jagers. Het is de ultieme evolutionaire ironie: juist de jacht op trofeeën leidt tot slechtere trofeeën.

Olifantenplaag

Olifanten zijn een verhaal apart. Deze ongenaakbare kolossen hebben geen natuurlijke vijanden anders dan Homo sapiens. Door de effectieve bescherming van de ooit bedreigde dieren, is de olifant nu het slachtoffer van zijn eigen succes. Met 120.000 exemplaren in Botswana en 80.000 in Zimbabwe vormen de dieren daar een ware plaag. ‘De draagkracht wordt daar overschreden, er zijn tienduizenden olifanten te veel’, stelt veterinair epidemioloog prof. dr. Hans Heesterbeek van de Universiteit Utrecht. Hij was betrokken bij een internationale workshop in november waarin deskundigen zich bogen over de vraag hoe de olifantenpopulatie in te dammen.

Onvruchtbaar maken of verplaatsen zijn de meest humane opties. Contraceptie bij olifantenvrouwtjes werkt wel, maar het is omslachtig (drie keer vaccineren per jaar), en het leidt door de lange levensduur van de olifant pas na lange tijd tot een verkleining van de populatie. Verplaatsen naar gebieden waar minder olifanten voorkomen, is duur en de expertise daarvoor bestaat alleen in het Zuid-Afrikaanse Kruger Park. Bovendien stuit dat op weerstand van de lokale bewoners. Die hebben geen baat bij het verdoven en afvoeren van olifanten. Want het vlees en het ivoor van een dode olifant levert geld op. De conclusie van de workshop luidde dan ook dat eenmalig op grote schaal afschieten de enige oplossing is die snel zoden aan de dijk zet. Contraceptievaccins kunnen daarna de populatie in de hand te houden.

Heesterbeek: ‘We kunnen wel overal de aaibare olifant willen beschermen, maar dan moeten we ook de ogen openen voor de gevolgen die dat in sommige landen heeft voor de biodiversiteit. Er zijn al veel planten en diersoorten lokaal verdwenen doordat volwassen olifantenmannetjes hele gebieden kaal maken en zo habitats vernietigen.’

Dit artikel is een publicatie van Bionieuws.
© Bionieuws, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 26 maart 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.