Je leest:

Dubbele aanval tegen meningitis

Dubbele aanval tegen meningitis

Auteur: | 1 februari 2004

Jarenlang is gezocht naar een vaccin tegen meningokokken-B, de meest voorkomende verwekker van bacteriële hersenvliesontsteking in Nederland. Mede dankzij onderzoek van het AMC en het Nederlands Vaccin Instituut is er nu een prototype.

De introductie ervan laat echter nog wel even op zich wachten. Recentelijk kwam namelijk nóg een nieuw vaccin beschikbaar, dat beschermt tegen hersenvliesontsteking veroorzaakt door pneumokokken. Gezondheidsautoriteiten willen beide entstoffen graag combineren in één prik. En dat vereist aanvullend onderzoek.

Tot 1979 waren drie bacteriën verantwoordelijk voor bijna driekwart van alle gevallen van hersenvliesontsteking: de Neisseria meningitidis (ook bekend als de meningokok) zorgde voor circa 35 procent van de besmettingen, op de tweede plaats stond de Haemophilus influenzae (25 procent), gevolgd door de Streptococcus pneumoniae (de pneumokok) met 13 procent.

Tot 1979 veroorzaakte Neisseria meningitidis (ook bekend als de meningokok) circa 35 procent van de hersenvliesontstekingen. Bron: Institut Pasteur, Frankrijk

Hoe anders is het beeld in 2002. De H.influenzae is bijna geheel van het toneel verdwenen. Nog slechts vier procent van alle bacteriële hersenvliesontstekingen kan aan deze ziekteverwekker worden toegeschreven. De oorzaak is simpel: in 1993 kwam er een vaccin tegen H.influenzae. Maar er deden zich nog meer opmerkelijke verschuivingen voor. Binnen de groep van meningokokken nam het aandeel van serogroep (bacteriestam) C bijvoorbeeld toe. Typerend voor een serogroep is het polysaccharidekapsel – zeg maar het suikerlaagje – dat de bacterie omhult. Van zo’n vijftien serogroepen is bekend dat ze ziekteverschijnselen bij de mens kunnen veroorzaken, maar in Nederland zorgen eigenlijk alleen A, B en C voor problemen. Serogroep B is al jaren de belangrijkste veroorzaker van meningitis, maar vanaf de jaren tachtig viel een opmerkelijke stijging van het aandeel C te constateren. Arie van der Ende, moleculair microbioloog in het AMC en verbonden aan het referentielab: ‘Waarschijnlijk ligt de oorzaak in een daling van de natuurlijke immuniteit tegen die serogroep. Op een gegeven moment was die zo laag dat zich steeds meer lokale uitbraken voordeden. Natuurlijk heb je dan nog niet meteen een epidemie. Maar in 2000 en 2001 waren er zo veel besmettingen dat de alarmbellen gingen rinkelen.’

Registratie

Ook elders in Europa waarde de meningokokken C-bacterie rond. Daarom werd hard gewerkt aan een vaccin dat de aanmaak van antistoffen tegen het polysaccharidekapsel van de ziekteverwekker stimuleert. Engeland bracht in 1999 als eerste zo’n vaccin op de markt. Van der Ende: ’Alleen was de registratie nog niet rond. Normaal gesproken kan dat pas nadat fase I-, fase II- en fase III-onderzoeken zijn afgerond. De eerste categorie gebeurt bij gezonde proefpersonen en is bedoeld om de veiligheid te testen. Bij de tweede groep draait het om de vorming van goede antistoffen: doet het betreffende middel of vaccin ook wat het zou moeten doen? Fase III-studies tenslotte richten zich op het effect in de beoogde doelgroep. Bij vaccinonderzoek dient in die fase bewezen te worden dat de betreffende entstof mensen ook daadwerkelijk kan beschermen. Voor het nieuwe meningitisvaccin waren de fase I- en II-studies klaar, maar fase III moest nog beginnen. Alleen al in Engeland zouden ze daarvoor ten minste 300.000 proefpersonen moeten includeren – het gaat immers om kleine patiëntenaantallen.

Als alles geheel volgens de regels gebeurde, kon de landelijke introductie nog jaren duren. De Britse regering vond dat onverantwoord en onethisch en besloot het experimentele vaccin toch in te voeren en tegelijkertijd de immunologische effecten zorgvuldig te monitoren. Dat heeft goed uitgepakt. Het vaccin werkte prima, registratie vormde geen probleem meer. Ook Nederland profiteerde daarvan. Toen in 2000 en 2001 op basis van de cijfers van het referentielab duidelijk werd dat meningitis-C een groeiend gevaar voor de volksgezondheid vormde, besloot de overheid in het voorjaar van 2002 tot een massale vaccinatiecampagne. Het aantal besmettingen met deze serogroep is sindsdien dramatisch gedaald.’

Nauwelijks antistoffen

Daarmee is het probleem echter niet opgelost. Serogroep B veroorzaakt immers het grootste aantal infecties, terwijl inentingen daartegen nog niet mogelijk zijn. Vaccindeskundige Loek van Alphen van het NVI (Nederlands Vaccin Instituut, voorheen onderdeel van het RIVM, tegenwoordig van het ministerie van VWS ): ‘Een vaccin is moeilijk te maken omdat het kapsel van de bacterie lijkt op weefselstructuren die vooral bij embryo’s en pasgeboren baby’s voorkomen. Het lichaam herkent het daarom niet als lichaamsvreemd en produceert er nauwelijks antistoffen tegen. Niet geschikt dus als basis voor een entstof, ook omdat het risico op een auto-immuunziekte niet is uit te sluiten. En dan ben je nog verder van huis.’

Gelukkig zijn er andere aangrijpingspunten. Mensen die een infectie met serogroep B hebben doorgemaakt, legt Van Alphen uit, blijken antistoffen te hebben tegen zogenaamde PorA-eiwitten. Dit zijn lange ketens van aminozuren die zich door het buitenmembraan van de bacterie heen slingeren. Aan de buitenkant van dat membraan ontstaan daardoor loops (lussen) van verschillende lengte. Die kunnen als uitgangspunt dienen voor een vaccin. ‘Technisch gezien is dat niet eenvoudig. De variatie in lussen is enorm. Alleen al in Nederland circuleren 73 typen, en wereldwijd zijn er dat nog veel meer. Gelukkig overheerst een beperkt aantal. We hebben berekend dat een vaccin gebaseerd op zes veel geziene PorA-typen ongeveer tachtig procent van alle infecties met serogroep B kan voorkomen.’ Zo’n vaccin is er ondertussen ook. Sterker nog, het NVI construeerde zelfs al een entstof met negen verschillende PorA-typen. ‘Mocht het nodig zijn, dan kunnen we die vrij gemakkelijk aanvullen met andere componenten. In feite maken we dan een vaccin-op-maat, vergelijkbaar met het huidige griepvaccin, dat immers ook elk jaar wordt aangepast aan de circulerende virusstammen.’

De eerste tests met het nieuwe vaccin (fase I en II) in 1999 wezen uit dat het veilig en immunogeen is. Desondanks is het nog niet op de markt, en dat heeft onder andere te maken met het ‘prikkenprobleem’. Van Alphen: ‘In Nederland krijgen kleine kinderen in relatief korte tijd een heleboel prikken. Willen we de hoeveelheid injecties binnen de perken houden, dan moeten we zo veel mogelijk vaccins combineren in één prik. Nu beschikken we sinds kort niet alleen over een entstof tegen meningokokken-B, maar ook tegen de derde belangrijke veroorzaker van hersenvliesontsteking: de pneumokok. Dit laatste vaccin pakt ongeveer zeventig procent aan van de circulerende bacteriestammen.’

‘De twee nieuwe vaccins zouden we graag samenvoegen in één prik. Maar kan dat wel? Is het vaccin dan nog wel veilig en effectief? De beschermingsgraad van een gecombineerd vaccin blijkt soms lager dan die van twee afzonderlijke entstoffen. Ook kan het aantal mogelijke bijwerkingen te groot worden. Dan moet je dus weer gaan sleutelen. Toch verwacht ik weinig problemen met het nieuwe meningitis-combinatievaccin. Al zal het er niet op stel en sprong komen. Binnenkort hopen we te starten met fase I- en II-studies. Zelfs als we fase III volgens het “Engelse model” weten te omzeilen, blijven er ongetwijfeld andere hobbels die genomen moeten worden. Mijn schatting? Een jaar of vier à vijf zal het zeker nog wel duren.’

Dit artikel is een publicatie van AMC Magazine.
© AMC Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 februari 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.