Je leest:

Doodwerken of verhongeren

Doodwerken of verhongeren

Auteur: | 9 november 2002

Van hard werken is nog nooit iemand doodgegaan, luidt een modern calvinistisch gezegde. Dat geldt misschien voor mensen – enkele Japanse werkdoden uitgezonderd – maar hoe zit dat in de rest van het dierenrijk?

Van hard werken is nog nooit iemand doodgegaan, luidt een modern calvinistisch gezegde. Dat geldt misschien voor mensen – enkele Japanse werkdoden uitgezonderd – maar hoe zit dat in de rest van het dierenrijk?

Dr. Simon Verhulst (38), ecoloog bij de basiseenheid Dierecologie van de Universiteit Groningen, vraagt het zich af: ‘Wat is het effect van hard moeten werken? Extra werk heeft een prijs; het vermindert de overleving van dieren.’

Extra arbeid kan nodig zijn tijdens het verzorgen van de jongen, als er meer dan de eigen snavel gevoed moet worden.

‘Het gaat dan om de allocatie van energie tussen voortplanting of maintenance en repair. Simpel gesteld: de keuze tussen verzorging van jongen en verzorging van het eigen lichaam.’ Maar hard werken is soms ook nodig als er in een gebied met voedselschaarste extra inspanning nodig is om voldoende prooidieren te vinden. En dat is vooral waar Verhulst belangstelling voor heeft. Met een STW-subsidie onderzoekt hij samen met Bruno Ens (Alterra) het langetermijneffect van menselijke verstoring op de scholekster. ‘Hoe gaan dieren om met een tekort aan voedsel? Dat is de wetenschappelijke vraag, met daaraan gekoppeld de scholekster. Het doel is uiteindelijk iets te kunnen zeggen over de effecten van de beschikbaarheid van voedsel op overleving en de populatie.’

De maatschappelijke relevantie van het onderzoek is duidelijk: de belangrijkste verstoring voor de scholekster is volgens Verhulst het wegvangen van het voedsel: kokkels en mosselen. De overheid heeft dertig procent van het wad gesloten voor visserij. De vraag is vervolgens of er een verschil te zien is in conditie en overleving tussen scholeksters die in beschermde en onbeschermde gebieden foerageren.

Verhulst wil door fysiologische metingen uiteindelijk op korte termijn voorspellingen kunnen doen. ‘Ik wil een link kunnen maken tussen conditieparameters en de kans dat de dieren later dood worden aangetroffen.’

Hoewel de gedachte achter het onderzoek logisch en eenvoudig lijkt, is er volgens tot op heden ‘onwaarschijnlijk weinig gedaan’ aan de relatie tussen arbeid, fysiologische parameters en fitness. Want welke fysiologische parameters zijn bruikbaar als indicatoren? Onderzoek aan spreeuwen van collega Popko Wiersma bracht een uitkomst.

Afbraak

In acht vliegtunnels van vijf meter lang lukte het Wiersma om spreeuwen harder te laten werken dan ze normaalgesproken doen. Aan beide uiteinden van de tunnels zit een fooddispenser met daaraan gekoppeld een zitstok die automatisch registreert hoe vaak de spreeuw landt. Landt de vogel dan bepaalt de computer met een kans van bijvoorbeeld een op vier dat het dier een voedselkorrel krijgt. Het verhogen van het aantal benodigde vluchten per beloning spoorde de dieren aan tot noeste arbeid en een hoger energieverbruik. Vervolgens werden het gewicht, de fractie rode bloedcellen (hematocriet) en de fractie witte bloedcellen (buffy coat) gemeten.

Uit deze resultaten bleek dat bij geringe, middelmatige en zware arbeid het gewicht en de hematocriet afnamen; de buffy coat nam toe. Die indicatoren zijn weinig specifiek – het mechanisme achter de verandering is niet opgehelderd – maar ze correleren goed met stress door verhogde arbeid.

Verhulst wil later ook ureum, urinezuur en cholesterol in het bloed meten als maat voor weefselafbraak. Mogelijk zijn dat nog betere indicatoren. ‘Als er zo weinig bekend is, moet je een zekere mate van naïviteit hebben om te beginnen met meten. Het onderzoek was wat dat betreft een riskante operatie.’

Met die drie indicatoren als instrument toog Verhulst in de winter met een oud caravannetje naar het wad om samen met vangstexpert Kees Oosterbeek scholeksters te onderzoeken. ‘Dat houdt het midden tussen werken in de tuin en werken op een boorplatform’, herinnert hij zich de lange onderzoeksdagen. De dieren werden met netten bij hoogwater op hun rustplaats overmeesterd. Vervolgens werden ondermeer kop, poten, vleugels en gewicht gemeten; tot slot werd bloed afgenomen en kregen de vogels kleurringen om ze op afstand in het veld te kunnen herkennen De vangstplaatsen lagen temidden van beschermde of onbeschermde foerageergebieden – dus gesloten of geopend voor schelpdiervisserij. Met die tweedeling tussen beschermd en onbeschermd analyseerde Verhulst de resultaten. In de onbeschermde gebieden bleken de scholeksters een lager gewicht, een lagere hematocriet en hogere buffy coat te hebben.

Er is kortom een verschil in conditie tussen vogels die foerageren in beschermde en onbeschermde gebieden. En, nog belangrijker, de kans om dood teruggevonden correleerde met een slechtere conditie.

Paradox

Op basis daarvan schat Verhulst dat in de onbeschermde gebieden scholeksters een veertig procent hogere mortaliteit kennen. ‘Omdat scholeksters pas op late leeftijd gaan broeden betekent dat ongeveer een halvering van het aantal reproductieve jaren. Een dramatisch verschil.’ Hoe de verhoogde sterfte tot stand komt is onduidelijk. De dieren hoeven niet dramatisch te verhongeren of zich heroisch dood te werken; het kan ook een combinatie van die twee zijn met andere factoren, bijvoorbeeld een verminderde conditie die de gevoeligheid voor ziektes vergroot of de kans op predatie.

De paradox daarbij is dat bestandsschattingen aangeven dat er genoeg te halen zou moeten zijn. ‘Blijkbaar kunnen ze niet alle prooidieren bereiken. Dat bedoel ik als ik zeg dat de scholeksters are starving amidst of plenty’.

De overheid gaat er vooralsnog vanuit dat de scholeksters wel elke kilo kunnen benutten, al adviseerde Bruno Ens enkele jaren geleden dat ervier of vijfvoudige van de voedselbehoefte zou moeten liggen – Verhulsts onderzoek suggereert hetzelfde.

Verhulst was recent getuigedeskundige bij de Raad van State, en hoorde de advocaat van de schelpdiersector meewarig vertellen dat niet het gehele quotum bereikbaar is. ‘De vissers en scholeksters hebben precies hetzelfde probleem! En ze hebben dezelfde voorkeur, namelijk voor gebieden met hoge schelpdierdichtheden, waar ze met de laagste inspanning de grootste opbrengst krijgen.’

Dit artikel is een publicatie van Bionieuws.
© Bionieuws, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 09 november 2002

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink Agenda

NEMO Kennislink vertoont op deze plaats normaal gesproken wetenschappelijke activiteiten uit heel Nederland. Door de maatregelen tegen het nieuwe coronavirus zal daarvan een groot gedeelte worden afgelast. Omdat we geen achterhaalde informatie willen verspreiden, laten we voorlopig geen activiteiten zien.
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.