Je leest:

Doe-het-zelfsamenstellingen

Doe-het-zelfsamenstellingen

Spoor en weg worden samengevoegd tot spoorweg, en voet en bal tot voetbal. Onze woordenschat bestaat voor een groot deel uit samenstellingen: aaneensmedingen van losse woorden. Maar hoe langer hoe meer zie je ook combinaties van een zín en een woord: blijf-van-mijn-lijfhuis, reken-je-rijkfilosofie, doe-het-zelfmakelaar. In welke behoefte voorzien zulke lange samenstellingen? En hoe worden ze gebruikt?

Iedereen maakt weleens een woord door een of meer woorden te combineren met een ander woord, zoals ooit pindakaas en vijfsterrenhotel bedacht zijn. Maar wie durft het aan om een zín met een woord te combineren tot een samenstelling? Waarom zou je dat doen? Mag dat wel?

Feit is dat het gebeurt. De volgende gevallen zijn uit het leven gegrepen: een-zes-is-binnenmentaliteit, we-nemen-ons- kind-overal-mee-naartoegewoonte, waar-moet-je-oplettenliteratuur, weet-je-nogverhalen, hé-hoe-is-het-nou-met- joufeestjes, zijn-ze-nou-helemaal-gek-gewordenstukje, ’t-zal-je-maar-gebeuren-tv-film, reken-je-rijkfilosofie, uit-je-excuus-voor-de-cameraprogramma en stinkendrijk- en-egoïstisch-Nederland-ga-je-schamendag. Soms zie je zelfs twéé zinnen die samengesteld zijn met een woord, zoals in haastje-repjemanier, zie-je-wel-dat-vond-ik- altijd-algehalte, ‘Niet tevreden? Geld terug!’-garantieen ‘Rij voorzichtig – Handen aan het stuur’-actie.

Illustratie: Matthias Giesen

Woordenboeken

Samenstellingen van een zin en een woord worden de laatste decennia steeds vaker gebruikt, niet alleen in reclames maar ook in de krant en in romans. De oudste ons bekende gevallen zijn de-boom-wordt-hoe-langer- hoe-dikkerstructuur uit 1960 (in een taalkundig artikel) en je-slaat-erop-gaat-ie-huilenontmoetingen uit 1969 (in een roman, vertaald uit het Engels). Kan maar-laten-waaiensysteemuit 1937doorgaan voor zo’n samenstelling van een zin en een woord? Het is twijfelachtig, want er ontbreekt bijvoorbeeld een persoonsvorm. Maar met wat goede wil is in het eerste lid een onvolledige (elliptische) zin te zien: (je moet dat) maar laten waaien.

De volgende samenstellingen van een zin en een woord zijn in woordenboeken te vinden: blijf-van-mijn- lijfhuis (voor het eerst opgenomen in de grote Van Dale van 1984), doe-het-zelfartikel, doe-het-zelfwinkel en doe-het-zelfzaak (Van Dale 1992) en lach-of-ik- schietshow(Van Dale 1999). Drie van de vijf beginnen met doe-het-zelf. Dit beginstuk is populair, zoals blijkt uit de volgende gevallen: doe-het-zelfketens, doe-het- zelfsector, doe-het-zelfrecht, doe-het-zelfrechter, doe-het- zelfmakelaar, doe-het-zelfdokter, doe-het-zelfkeizersnede, doe-het-zelfcrèche, doe-het-zelfkalkoen, doe-het-zelfoesterkraker en DNA-doe-het-zelfpakket. Een mooie reden om combinaties van een zin en een woord ‘doe-het- zelfsamenstellingen’ te noemen. En is het niet verleidelijk om ze ook zelf te vormen?

Internationaal

De opkomst van doe-het-zelfsamenstellingen wordt toegeschreven aan invloed van het Engels, waar ze al langer in zwang zijn. Do it yourself illustration, hand-me- down clothes, how are you letter, I told you so attitude en who’s the boss winkzijn enkele voorbeelden. Engelse zinnen zijn ook in nogal wat Nederlandse doehet- zelfsamenstellingen te vinden: do-it-yourselfactivisme, do-it-yourselfopleiding, Paint-it-Yourself Keramiek Studio, take-awayvestiging, don’t-believe-the-hypefanaten, feelgoodroman, ‘I like Ike’-tijdperk en let’s-rock-and-rollgevoel. Ook hier zijn samenstellingen met doe het zelf( do it yourself) goed vertegenwoordigd.

Waarschijnlijk komt de trend van doe-het-zelfsamenstellingen uit Engeland, waar do-it-yourself verankerd is in de taal. Ook andere talen maken gebruik van zulke samenstellingen.

Doe-het-zelfsamenstellingen worden ook in enkele andere talen al zo’n 25 jaar gebruikt. In het Afrikaans komen voor: ekskuus dat ik lewe-gesig, gedra jou goedvermaning, moet ek dit alles alleen doen-uitdrukking, ons word gruwelyk uitgebuit-houding, wie is baasgryns, wie kla kryg slae-dreigement. In het Duits: Abgerechnet- wird-am-Schluss-Taktik, Ich-geb-Gas-ich-will- Spaß-Politik, Muss-das-denn-sein-Blick, Trimm-dich- Pfad, Wer-war-das-Frage(een zeldzaam exemplaar uit 1901 is: Nichtsgewissesweißmannicht-Theorie).

Levensecht

Doe-het-zelfsamenstellingen hebben iets aantrekkelijks. Dat komt vast doordat een zin in een samenstelling een situatie levendig, bijna filmisch voorstelt. De zin lijkt deel uit te maken van een gesprek. De techniek om met een enkele zin een gesprekssituatie op te roepen is mooi te betrappen in het volgende voorbeeld uit Ronald Gipharts roman Gala (2003).

“De relatie die wij hebben heet: I see ya when I see ya.

De hoofdpersoon in de roman benoemt de relatie die zij met haar vriend heeft met de Engelse afscheidsformule I see ya when I see ya(‘ik zie je wel weer ’ns’). Ook al wordt de zin hier niet voor een concreet afscheid gebruikt, hij doet wel denken aan ontmoetingen die met zo’n groet worden afgesloten. De zin komt nog vaker voor in Gipharts boek, in twee versies, onder andere als eerste lid van een samenstelling.

- “We hadden het over Elaine en over mijn see yarelatie met Fräser.” - “Wij hadden een I see ya when I see ya-relatie, Fräser.”

Door de samenstellingen die Ronald Giphart in zijn boeken gebruikt, worden situaties heel levendig, bijna alsof je een film zit te kijken.

De nonchalante afscheidsformule preciseert levendig hoe vluchtig en zorgeloos de relatie is. Giphart is in staat levensechte schijndialogen ten tonele te voeren, zoals ook blijkt in het volgende tekstfragment (‘Ronald Giphart als zichzelf’, Rails, juni 2003):

“Hoofdschuddend maakte ze me duidelijk: wat haal jij je allemaal in je lelijke brillenkop, engerd? Onmiddellijk was mijn lach verdwenen. Ze maakte nog een paar walgende ‘o, o, wat ben jij zielig’-gebaartjes en verdween gillend van plezier uit het zicht.”

Eerst geeft hij het pseudo-citaat “wat haal jij je allemaal in je lelijke brillenkop, engerd?” en dan komt hij met een pseudo-citaat dat hij gebruikt als begin van een samenstelling: “o, o, wat ben jij zielig”.

Soms lijkt de zin in een doe-het-zelfsamenstelling een echt citaat te zijn, bijvoorbeeld in:

“Als je zo ongeveer op de helft van je eigen leven bent, treedt een nieuwe fase in: de ‘we-kunnen-het-niet-meer-opbrengenfase’ van je ouders. Ze blijven liever thuis. Want buiten vriest en sneeuwt het, en als het niet vriest en sneeuwt, dan gáát het vriezen en sneeuwen, de weerman heeft het zelf gezegd, en dat risico met die gladde wegen kunnen we op onze leeftijd niet meer nemen. De trein? Maar dan moeten we overstappen!”

De uitspraak ‘We kunnen het niet meer opbrengen’ is mogelijk een citaat van een ouder stel. Dat idee wordt versterkt door de dialoogachtige passage na de eerste zin. Maar de combinatie we-kunnen-het-niet-meer-opbrengenfase wordt hier ook voor ouders gebruikt die de uitspraak nooit zelf gedaan hoeven te hebben. In elk geval doet de samenstelling denken aan gesprekken waarin zo’n uitspraak gedaan wordt. Zie bijvoorbeeld ook: doe-gezellig-je-jas-uitdwang, er-zit-wat- op-uw-schoudertruc en komt-een-gorilla-een-café-binnenmoppen.

Niet altijd staat een gesprekssituatie aan de wieg van een doe-het-zelfsamenstelling. Het komt nogal eens voor dat de ingebedde zin uit het verbale culturele erfgoed komt. Het kan gaan om een spreekwoord, een vaste verbinding of een versregel, zoals in de volgende gevallen: wie-het-eerst-komt-het-eerst-maaltprincipe, van-dik-hout-zaagt-men-plankendrama, doe-maar-gewooncultuur, ik-kwam-zag-en-overwonmentaliteit en Hollands-vlag-je-bent-m’n-gloriegevoel. Hier gaan iets ouds en iets nieuws verrassend goed samen.

Nieuwe categorieën

Wat is het nut van doe-het-zelfsamenstellingen? Waarom worden ze bedacht? Wat doen we eigenlijk wanneer we nieuwe samenstellingen vormen? Het komt erop neer dat we er een nieuwe denkcategorie mee creëren. Een duidelijk voorbeeld is te vinden in een interview met schrijfster Heleen van Royen:

Interviewer: “Ja, in je boek komen die regels ook ter sprake, als een soort …” Van Royen: “… To Get As Many Men In Your Life-doe- het-zelf boek.”

Met de samenstelling " To Get As Many Men In Your Life-doe-het-zelf boek" presenteert Van Royen een volstrekt nieuwe categorie, die geldt voor het moment waarop ze haar uiting doet, en wel voor een specifiek communicatief doel van dat moment. Uit de zoekende frase “als een soort …” spreekt dat er in de ogen van de interviewer geen welbekende standaardcategorie bestaat voor wat hier verwoord moet worden. Kennelijk hebben (post)moderne mensen er behoefte aan om de werkelijkheid anders te zien dan op de conventionele wijze en om hun werkelijkheid ook preciezer te karakteriseren dan met kant-en-klare woorden mogelijk is. Zinnen lenen zich ervoor om er een verfijndere beschrijving mee te geven dan met een enkel woord, ook al bestaan zinnen zelf natuurlijk ook weer uit kant-en-klare woorden.

Ook in Sesamstraat worden zelfbedachte samenstellingen gebruikt. Samenstellingen kunnen zo worden samengesteld dat ze alleen in een specifieke situatie te gebruiken zijn.

Nieuwe (doe-het-zelf)samenstellingen zijn niet zelden gelegenheidscategoriseringen, zoals in Van Royens geval. Dat kan ook mooi geïllustreerd worden met de volgende zin uit een aflevering van het kinderprogramma Sesamstraat:

“Dit is niet de honkbalspeelklop maar dit is het jij-bent-mijn-goeie-vriend-en-ik-de-jouweklopje.”

Wat heeft er zich in Sesamstraat afgespeeld dat er samenstellingen als “honkbalspeelklop” en “jij-bent-mijn- goeie-vriend-en-ik-de-jouweklopje” nodig zijn? Telly klopt bij Oscar aan met de vraag of hij honkbal wil komen spelen. Oscar heeft er geen zin in en dat brengt hem op het idee om afspraken te maken over de communicatieve functie van allerlei klopjes, zoals: tweemaal kloppen is een “honkbalspeelklopje” en eenmaal kloppen is een “hoepelopklop”. Dit alles dus om Telly af te wijzen, maar Telly bedenkt een list. Als hij opnieuw aanklopt, is hij Oscar te vlug af met de mededeling “Dit is het jij-bent-mijn-goeie-vriend-en-ik-de-jouweklopje.”

We kunnen dus nieuwe categorieën bedenken (zoals allerlei soorten boeken en klopjes) en die met nieuwgevormde woorden benoemen. Daarmee geven we vorm aan ons denken over de werkelijkheid, die we met categoriseringen inrichten. Doordat woorden de indruk wekken dat we er bestaande categorieën mee aanduiden, kunnen ze makkelijk als normgevend gaan gelden of opgevat worden. Nieuwvormingen lijken dan ook direct een normerende geldigheid te hebben, en soms zelfs een welhaast bezwerende kracht, zoals bij jij-bent-mijn-goeie-vriend-en-ik-de-jouweklopje.

“Laatnaarjekijkendichter”

Simon Vinkenoog heeft de doe-het-zelfsamenstelling tot poëtische hoogte verheven in zijn gedicht ‘Profielschets: dichter’ (in de bundel De ware Adam, 2000):

IK BEN dichter experimenteel dichter gelegenheidsdichter laatnaarjekijkendichter je mag gezien worden, dichter stadse kijkmijnoudichter

Vinkenoog markeert hier met twee doe-het-zelfsamenstellingen het experimentele karakter van zijn dichterschap, en ook van zijn gedicht. Hij geeft zíjn benamingen aan zíjn categoriseringen, zoals hij verderop nog laat weten:

In het spoor van Adam dichter naamgeefdichter.

Aanstellerij of lef?

Al in 1937heeft Gerrit S. Overdiep zich in zijn Stilistische grammatica afgevraagd in welke behoefte samenstellingen als stembusopgeblazenheid en werkloozensteunregeling voorzien. Hij vond ze in krantenkoppen en betogend proza vaak als compacte samenvatting van wat ervoor of erna explicieter werd aangeduid. Dit geldt zeker ook voor doe-het-zelf-samenstellingen. Ze fungeren nogal eens als blikvanger boven een artikel. Ook fungeren ze niet zelden als ‘gedachtevangers’ om de kern van de tekst te benoemen. Denk bijvoorbeeld aan de samenstelling I see ya when I see ya-relatie, waarmee de centrale thematiek van Gipharts roman puntig wordt verwoord.

Getuigt het van aanstellerij of een gebrek aan stilistisch vermogen wanneer iemand complexe samenstellingen produceert? Of is er juist lef voor nodig om samenstellingen te maken die lekker bekken? “Omvangrijke samenstellingen vooral worden door puristen met schele oogen aangezien”, zegt Overdiep. Zelf vindt hij dat taalgebruikers de vrijheid moeten hebben om “een korten taalvorm” te kiezen. Echter, aan gevallen die erg dicht in de buurt van doe-het-zelfsamenstellingen liggen, stelt hij een grens:

“Het Dalton-stelsel lost het ’ op-de-plaats-rust-’ en ’ met-de-looppas-vooruit-probleem’ voor een deel op.” Hier is een zachte wenk van de taalpolitie niet ongepast: ‘het probleem (van) met-de-looppasvooruit’ ware wel zoo fraai.

In een recent onderzoek blijken Gentse studenten vrij gereserveerd te staan tegenover allerlei nieuwvormingen, waaronder doe-het-zelfsamenstellingen. Ze wijzen ze af als afkomstig uit Nederland. Feit is wel dat ook in Vlaams taalmateriaal doe-het-zelfsamenstellingen te vinden zijn. Voorbeelden zijn: alles-magmentaliteit, Belgen-doen-het-beterdossier, het-is-er-een-van-onsgevoel, dit-vind-ik-lekkerplekjes, ik-kan-er-niet-aanplekjes en I-love-you-bordjes. De Vlaamse reserve valt wellicht te verklaren uit een zekere talige onzekerheid: wat niet duidelijk vertrouwd (geconventionaliseerd) is, wordt niet als correct vertrouwd. Het is trouwens de vraag of Nederlandse studenten zoveel positiever over zulke woorden zouden oordelen.

Is het gebruik van doe-het-zelfsamenstellingen een modegril passend bij de tijdgeest, wat die ook moge zijn? De behoefte aan precieze, trefzekere, aansprekende, situatiegebonden categoriseringen lijkt perfect te passen bij de hoogstpersoonlijke eisen van (post)moderne mensen. Zolang die er zijn, zullen – almaar nieuwe – doe-het-zelfsamenstellingen vast hun dienst blijven bewijzen als vluchtige wegwerpartikelen.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 mei 2008

Discussieer mee

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE