Je leest:

“Doe effe normaal, oké?”

“Doe effe normaal, oké?”

Auteur: | 15 juli 2007

“Them good days is gone” – hoe vertaal je die verzuchting in het Nederlands zonder dat het eigen karakter ervan verloren gaat? Dat kan eigenlijk niet, maar toch komt er in buitenlandse romans vaak regionaal gekleurde spreektaal of volkstaal voor die in het Nederlands moet worden overgezet. Hoe gebeurt dat zoal? En wat kan er misgaan?

In de moderne literatuur wordt veel gebruikgemaakt van spreektaal die regionaal gekleurd is en die dus nauwelijks of niet vertaald kan worden. Toch gebeurt het. Het dialect van het Canadese eiland Newfoundland klinkt in de Nederlandse vertaling van E. Annie Proulxs The Shipping News (1993) als volgt: “Dus hier was het grote feest. Zou je niet zeggen. Ik heb feesten meegemaakt die wel drie of vier dagen doorgingen. Maar dat is niet meer, jongen. Die tijd is voorgoed voorbij.” In het origineel is dit een dialect met in iedere zin afwijkende klanken, woorden en wendingen: “So this where they ’ad the big pardy. Never know it. I seen pardies go on three, four days. Not no more, my son. Them good days is gone.”

Illustratie uit de eerste druk van Adventures of Huckleberry Finn (1884), een boek vol lastig te vertalen spreektaal.

Het regionale karakter is in de vertaling helemaal verdwenen. Wat overblijft, is een soort Algemeen Gesproken Nederlands (AGN), waar de vertaler zich geen buil aan kan vallen. Een belangrijk deel van de smaak (geur, klank, zinnelijkheid) van het oorspronkelijke taalgebruik is verdampt, en daarmee ook een deel van de sfeer van het boek.

Er zijn ook vertalers die een andere strategie volgen. Plat-Berlijns klinkt in de vertaling van Alfred Döblins Berlin Alexanderplatz(1929) als volgt (het gesprek gaat over een vogel in een kooitje): “Toch kras hè, dat zo’n beessie slapen kan bij al dat lawaai hier, toch verdomd kras, zo’n dier mot toch doodmoe zijn en al die verdomde rook zal hem ook geen goed doen.” Dit smaakt zeker wel naar spreektaal, maar het is een heel eigenaardig soort spreektaal: geen bestaand dialect, meer een samenraapsel van spreektaalachtige dingetjes. Het resultaat doet onnatuurlijk en knullig aan.

Levendig

Adventures of Huckleberry Finn (1884) van de Amerikaan Mark Twain is misschien de bekendste roman die helemaal in spreektaal is geschreven. Het verhaal wordt verteld door de hoofdpersoon, Huck, in onversneden Amerikaans dialect. In de jongste vertaling (uit 1997) ziet dat er zo uit: " ‘Boem!’ Ik schrik wakker, leun op m’n ellebogen en luister; al gauw hoor ik het weer. Ik sprong overeind en keek door een gat in de bladeren, en een heel eind stroomop zie ik een hoop rook op het water liggen – ongeveer op de hoogte van het veer. En daar had je de veerboot vol mensen die de rivier afdreef. Nou wist ik wat d’r aan de hand was."

Het is duidelijk dat de vertalers (het zijn er in dit geval twee) hebben gekozen voor iets wat je Algemeen Volks Nederlands (AVN) zou kunnen noemen. Ze willen vooral de levendige manier van vertellen behouden – inderdaad een belangrijk aspect van de stijl van Huck – en proberen zo goed mogelijk aan te sluiten bij de manier waarop Nederlanders uit de lagere milieus een anekdote vertellen. Dat lijkt eenvoudiger dan het is. In het geciteerde fragment, bijvoorbeeld, wisselen de tegenwoordige en de verleden tijd elkaar af. Dat gebeurt in het AVN inderdaad ook: het is een beproefde manier om een verhaal spannender te maken. Een willekeurig voorbeeld: “We hebben vorig jaar een Joodse man in de winkel gehad, die vond het boek waar hij al tien jaar naar op zoek was, een heel akelig verhaal uit een Jappenkamp. Die man, die pakt dat boek en begint gewoon te huilen. Dat boek was zijn familie.”

Illustratie: Matthijs Sluiter

Middleclass

Hoe het precies werkt met die afwisseling van werkwoordstijden is nog niet zo simpel uit te leggen, maar het heeft ongeveer hiermee te maken: door over te schakelen op een andere werkwoordstijd kun je dingen naar voren halen. In vertalingen gaat dit nogal eens mis, zoals goed te zien is in het citaat uit Huckleberry Finn: de overgang van “schrik” – “leun” – “luister” – “hoor” naar “sprong” is vreemd. De vertalers hebben gewoon de werkwoordstijden van het Engelse origineel aangehouden, maar waarschijnlijk gaat het AVN net even anders om met die afwisseling dan het Amerikaanse dialect van Huck.

Zo kent het AVN meer subtiele verschijnselen die lastig kunnen zijn voor vertalers met een middleclassachtergrond:

- die/ dat in plaats van de/ het: “Er komt hier een kerel met een paard en wagen. Die kerel zegt: Geef dat paard ook een ijsje. En dat paard loopt zo, met die wagen, half de winkel in”;

- voorkeur voor de woordvolgorde van een hoofdzin: “Ik heb gewerkt bij een baas, ik verdiende toentertijd 375 gulden, en een Marokkaanse arbeider, die liep nog veel meer te beulen en die kreeg 100 gulden minder”;

- ik zeg, hij zegt: “Er belde hier een keer iemand van de gemeente aan. Hij zegt: ik kom even meten. Ik zeg: wat moet u meten? Hij zegt: u hebt last van het lawaai. Van de verkeersoverlast. Ik zeg: maakt jij dat uit?”

Deze lijst kan moeiteloos uitgebreid worden met allerlei andere grammaticale eigenschappen van een goed verteld verhaal, die door vertalers vaak halfslachtig of incorrect worden toegepast. Het zou ook voor een taalkundige nog een hele klus zijn om uit te zoeken wat precies de regels en omstandigheden zijn die, bijvoorbeeld, maken dat de in die verandert en het in dat. Maar wanneer het altijd de en het is en nooit die of dat, betekent dat een verschuiving richting schrijftaal. En vaak sluipen er ook andere schrijftaalelementen in dit soort vertalingen – zoals de puntkomma in het geciteerde Huckleberry Finn-fragment.

Vervlakking

Er treedt in vertalingen van spreektaal vaak een verschuiving op, en dat kan op drie manieren: van regionaal naar algemeen, van volkstaal naar de taal van de middenklasse, en van spreektaal naar schrijftaal. Het resultaat hiervan is stilistische vervlakking. Maar soms ontkomen vertalers er niet aan een radicalere oplossing toe te passen. Ook hiervan is in Huckleberry Finn een mooi voorbeeld te vinden. In dit boek is een belangrijke rol weggelegd voor de weggelopen negerslaaf Jim, die een sterk etnisch gekleurd zuidelijk dialect spreekt. Aangezien de dialectverschillen tussen Jim en Huck in de roman expliciet aan de orde komen, moet hiervan in de vertaling het een en ander terug te vinden zijn.

De vertalers zijn zich hiervan bewust en hebben er zelfs een speciaal nawoord aan gewijd. Het zuidelijke Amerikaanse dialect vertalen in een zuidelijk Nederlands dialect werkt niet, zeggen ze daarin, en ze geven een voorbeeldje van hoe dat eruit zou hebben gezien: “Dee’ ouwe pap van dich wit nog neet watte geet doe’. De ing kie’r dinkte datter weggeet, dan dinkter wir datter bliet. ‘t Is ’t beste om kalm te blieve en der ouwe te loate doe’ watter wil.”

Afrikaans

associaties op dan een Amerikaans negerdialect. De vertalers hebben daarom gekozen voor een andere strategie. In de scène waarin Huck en Jim elkaar ontmoeten, klinkt Jim aldus (hij denkt dat Huck een spook is): “Doe mij niks nie – nie doen nie! ‘k Heb ’n spook nog nooit wat gedaan nie. ’k Heb dooie mensen altijd mogen lijen en alles voor ze gedaan wa’k maar kon. Ga jij nou terug de rivier in, waar jij thuishoort, en doe Ouwe Jim niks nie, wat altijd jouw vriend was.”

Net als in de vertaling van het plat-Berlijns, is dit een ratjetoe van idiomatische en grammaticale eigenaardigheden, met een sausje afwijkende spelling eroverheen. Vooral de dubbele ontkenning valt op en intrigeert: die komt voor in veel Nederlandse dialecten, maar doet ook sterk aan het Afrikaans denken – en dat laatste is misschien de beoogde associatie: Afrikaans betekent vanzelf negers.

In een oudere vertaling (uit 1960) is Jims taalgebruik overigens nog extremer: “Ach, doe me niks – asjeblief! Ik hè een spook nog nooit nikkes geen kwaad gedaan. Ik hè altijd fà dooie gehoue en alles foor se gedaan. Ga jij ma weer de refier in wa jij thuis hoor, en doe ouwe Jim geen seer, wan die iz altijd jou frien gewees.”

Hier zitten veel afgesleten woorden in ( hè, ma, wa, wan, frien) en de v en z zijn veranderd in een f en een s. Dat laatste levert natuurlijk een associatie op met het Surinaams. Maar hoe het ook zit met de herkomst van sommige eigenaardigheden en de associaties die ze oproepen, het gaat om niet-bestaand Nederlands. Het gekke is dat je er, in de loop van de roman, wel enigszins aan went.

Corpssletjes

Natuurlijk zijn er ook ‘lecten’ (dialecten, sociolecten) die wel te vertalen zijn. Het bovenstaande verschuivingspatroon laat duidelijk zien waar die gezocht moeten worden: in de niet regionaal gebonden spreektaal van de middenklasse. Er verschijnt veel Amerikaanse literatuur waarin de taal van middleclassjongeren een belangrijke rol speelt. Een voorbeeld is I Am Charlotte Simmons (2004) van Tom Wolfe, over studenten aan een Amerikaanse universiteit. Prima te vertalen, zou je zeggen. De Nederlandse vertaling is dan ook doorspekt met jeugdig taalgebruik. Op een paar willekeurig gekozen bladzijden komen in de dialogen de volgende woorden en uitdrukkingen voorbij: “o shit”, “o fuck, djeez”, “doe effe normaal, oké?”, “cool”, “in de zeik genomen”, “bitchy”, “bitch”, “hah!”, “een meisje scoren”, “supersarcastisch”, “ik moet hangen”, “wauw” en “corpshoertjes”.

Dat lijkt heel redelijk gedaan dus. En toch, als je de Amerikaanse tekst ernaast legt, blijkt die veel heftiger te zijn: er komen bijna twee keer zo veel typische woorden en uitdrukkingen in voor. Bovendien zitten daar ook minder bekende uitdrukkingen bij en meer uitdrukkingen die typisch studententaal zijn. De vertalers (ook dit boek heeft er twee) hebben zich beperkt tot algemene jongerentaal. Corpshoertjes zou studententaal kunnen zijn, maar een eenvoudige zoekactie op internet levert de conclusie op dat corpssletjes gangbaarder is.

Wie op datzelfde internet zoekt naar ‘studententaal’, ziet trouwens een ongelofelijk rijk repertoire voorbijkomen. Ongetwijfeld hadden de vertalers hun redenen om deze Nederlandse studententaal te mijden. Misschien vonden ze dat ze niet voldoende ingewijd waren. Het kan ook zijn dat ze het geen echt equivalent vonden: Nederlandse studententaal is vaak gebonden aan een bepaalde universiteitsstad, bovendien is het vaak ‘corpstaal’, en het is maar de vraag of de Nederlandse corpscultuur vergelijkbaar is met de Amerikaanse campuscultuur. Kortom, terwijl er op het eerste gezicht een Nederlands equivalent voorhanden leek, heeft er ook in dit geval een verschuiving plaatsgevonden naar een algemener taalgebruik.

Toekomstdialect

Er is één situatie waarin er een werkelijk equivalent bestaat voor het originele dialect, maar die situatie doet zich bijna nooit voor. In het recente boek Cloud Atlas (David Mitchell, 2004) wordt een deel van het verhaal verteld in een fictief toekomstdialect. De mensheid is teruggevallen naar een primitieve, rurale samenleving en het Engels is daar een afspiegeling van. Een heerlijke klus voor een vertaler: hij mag zijn eigen toekomst-Nederlands ontwerpen.

Het resultaat is behoorlijk radicaal: “Nou ha’k vreesluk spuitrij die dag omda’k in Honomaa’n bedorve honde poot gegete had en ‘k zat gehurkt in ’n bosje van ijzer hout bome hoger op in de vallei toen ’k’neens oge op me voelde. ‘Wie daar?’ roepte ik en de dichte vaarns slikte me stem op.”

Dit fantasie-Nederlands staat niet eens zo heel ver af van het ‘Nederlands’ van negerslaaf Jim. Het gaat voor een deel om dezelfde trucjes: woorden zijn afgesleten, en er is een flinke scheut afwijkende spelling aan toegevoegd. Maar de vertaler heeft hier natuurlijk veel meer vrijheid: hij mag bijvoorbeeld nieuwe woorden verzinnen (“spuitrij”, “ijzer hout”). En wat het meest opvalt: de onregelmatige werkwoordsvormen zijn overal vervangen door regelmatige vormen (“roepte”, “kijkte”, “zegde”, “springde”). Of dit echt de toekomst van het Nederlands is, kun je je natuurlijk afvragen. Maar het is zeker een geslaagde poging om in het Nederlands iets te doen wat min of meer equivalent is aan wat er in het origineel gebeurt.

Wat dus de volgende paradox oplevert: het enige Engelse dialect dat goed in het Nederlands vertaald kan worden, is een niet-bestaand dialect.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 15 juli 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.