Je leest:

DNA voor de rechtbank

DNA voor de rechtbank

Auteur: | 30 april 2000

DNA is zoiets als een onvervalsbaar paspoort dat je altijd bij je draagt, en waar je bovendien overal wel kopieën van achterlaat. Dat maakt het voor de politie tot ideaal bewijsstuk. Er woeden echter hevige debatten over het gebruik van dit zogeheten forensisch DNA-onderzoek. Nederland vervult een voortrekkersrol.

Bij een misdrijf blijft vrijwel altijd celmateriaal van de dader achter: enkele haren, een peuk met speeksel erop of sperma bij een verkrachting. Celmateriaal bevat erfelijke materiaal (DNA) dat kan dienen om iemands identiteit vast te stellen.

Het forensisch (dat is: gerechtelijk) DNA-onderzoek richt zich op korte stukken DNA, de zogenaamde short tandem repeats (STR’s), die bestaan uit vele herhalingen van hetzelfde fragment DNA. De bouwstenen van DNA zijn de vier basen guanine, adenine, thymine en cytosine. De STR’s die we voor het forensisch onderzoek gebruiken, bestaan uit herhalingen van een stukje DNA van vier basen lang, aangegeven als bijvoorbeeld (GATC)10. Het stukje guanine-adenine-thymine-cytosine herhaalt zich hier tien keer. Omdat de lengte van de STR’s van persoon tot persoon varieert, vormen de STR-lengtes van een persoon een soort vingerafdruk. Die van mij zijn anders dan van mijn buurman.

DNA-profiel

Een DNA-profiel maken we door veelal zo’n tien tot vijftien STR’s te nemen en daarvan de lengte te bepalen. Het profiel is dus een lijstje met de lengtes van die STR’s. Wanneer het DNA-profiel van de verdachte afwijkt van het profiel op bijvoorbeeld de sigarettenpeuk, dan hebben we met honderd procent zekerheid uitgesloten dat het spoor van de verdachte afkomstig is. Komen de profielen overeen, dan komt de kansrekening om de hoek kijken. Het zou immers kunnen dat een onschuldige verdachte en de misdadiger toevallig dezelfde STR’s met precies dezelfde lengtes hebben. Tegenwoordig vergelijken we zo’n tien tot vijftien STR’s, met lengtes van tien tot ongeveer dertig. De kans dat twee personen hetzelfde DNA-profiel hebben, is dan minimaal zo’n één op tien miljard.

Bloed op een speldenknop

Gerechtelijk onderzoek. Forensisch DNA-onderzoek vergelijkt DNA-fragmenten van sporenmateriaal en verdachte. Bij het huidige DNA-onderzoek is de kans op een toevallige overeenkomst kleiner dan één op tien miljard.

In Nederland vindt het DNA-onderzoek in opdracht van justitie in twee laboratoria plaats: het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in Rijswijk, en het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek in Leiden. Voor een volledig DNA-onderzoek is de hoeveelheid bloed die past op een speldenknop, voldoende. Dit vermogen – om uit zeer weinig materiaal een betrouwbaar DNA-profiel te peuteren – veroorzaakt in de VS op dit moment veel discussie. In de VS loopt momenteel het zogeheten Innocence Project, waarbij rechtenstudenten oude zaken van terdoodveroordeelden analyseren. Indien nodig vindt het onderzoek met nieuwe DNA-methoden opnieuw plaats. Al spoedig toonden rechtenstudenten de onschuld aan van een terdoodveroordeelde, omdat het toenmalige DNA-bewijs, van vijftien jaar terug, zeer zwak en onvolledig was. Al snel volgden meer successen. Het ongemakkelijke gevoel dat onschuldigen zijn geëxecuteerd, groeide; het heeft nu een dermate grote omvang aangenomen dat de staat Illinois heeft besloten om alle executies aan te houden tot nader onderzoek, zo berichtte The New York Times van 14 februari. In veel van deze zaken was het voor de verdachte onbetaalbaar om een contra-expertise van vele tienduizenden dollars te laten uitvoeren.

Niet onfeilbaar

In Nederland ligt dit anders. Bij weigering mag de Nederlandse justitie een verdachte onder dwang DNA afnemen, uit bloed, wangslijmvlies of haar. Aan de andere kant kan elke verdachte aanspraak maken op een contra-expertise door een onafhankelijk laboratorium, die hem of haar vrijwel niets kost. Er is geen ander land ter wereld waar dat zo is geregeld.

Natuurlijk is de DNA-methode niet onfeilbaar. Evenmin als de eigenaar van de vingerafdrukken op het mes de moord met zekerheid heeft gepleegd (wellicht sneed hij de kip voor het avondeten en dook de moordenaar later op), impliceert de aanwezigheid van biologisch sporenmateriaal op de plaats van het misdrijf dat dit van de dader is. Op de meeste bankstellen zul je, na goed zoeken, vrijwel zeker van diverse personen bloed- en speekselsporen (en wat al niet meer) vinden. Daarnaast bestaat het gevaar van bewuste misleiding. Een ongelukkige echtgenote kan met een condoom eenvoudig aan een spermamonster van haar man komen en dat misbruiken, en voor een moordenaar is het een koud kunstje om op de plaats van het delict een asbak met andermans peuken leeg te gooien.

De wetenschap werkt aan snellere en meer gevoelige methoden, zodat nog minder biologisch materiaal volstaat voor een DNA-profiel. Maar DNA leent zich voor meer. Aan de hand van DNA-kenmerken kun je een indruk krijgen uit welk land of werelddeel een verdachte afkomstig is. Daarnaast is het niet ondenkbaar dat over een jaar of tien, vijftien, het mogelijk is om van een onbekende verdachte uiterlijke kenmerken als oog- en haarkleur en postuur en dergelijke af te leiden uit een beetje DNA dat hij heeft achtergelaten. Dergelijke ontwikkelingen zorgen voor een verhoging van de pakkans, en dat is nog steeds de beste methode om potentiële misdadigers af te schrikken.

Dit artikel is een publicatie van Natuurwetenschap & Techniek.
© Natuurwetenschap & Techniek, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 30 april 2000

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.