Je leest:

Dikmakende genen?

Dikmakende genen?

Auteur: | 21 november 2005

We worden steeds dikker, dat is duidelijk. Minder helder alleen is hoe dat komt. Teveel eten of te weinig beweging? Sommige mensen kunnen eten wat ze willen zonder een grammetje aan te komen. Hoe zit het met aanleg?

“Op een dag zit je broek ineens strakker. De riem moet een gaatje losser.” Zo begint de campagne Maak je niet dik! van het Voedingscentrum. Een lastig gevoel. Ongemerkt zijn er wat kilo’s aangekomen, die er in de praktijk meestal niet zo ongemerkt weer vanaf gaan. Het zou makkelijker zijn als je voorkomt dat je dikker wordt. Je houdt er een goed gevoel aan over. Overgewicht is een probleem. Een probleem dat almaar uitdijt: het aantal te dikke mensen groeit onrustbarend snel…

Bijna de helft van de Nederlanders – twee keer zoveel als 25 jaar geleden – is te zwaar volgens recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Eén op de tien kampt met ernstig overgewicht, obesitas. Ook één op de zeven schoolkinderen tussen de 4 en 12 jaar is te dik of dreigt dat te worden.

De risico’s van obesitas zijn niet gering: behalve sociale en psychische problemen zoals arbeidsongeschiktheid, een negatief zelfbeeld en een minderwaardigheidsgevoel, hebben mensen met ernstig overgewicht een kortere levensverwachting met relatief minder gezonde levensjaren. Zij hebben namelijk een grotere kans op allerlei chronische aandoeningen, zoals diabetes, hart- en vaatziekten en kanker. Ook hebben ze een kleinere kans op een succesvolle voortplanting, door onvruchtbaarheid en gebreken bij ongeboren baby’s.

Duidelijk is dat overgewicht een halt moet worden toegeroepen, maar op hoe, dat is niet duidelijk. In de discussie over de oorzaken van obesitas is het laatste woord nog niet gesproken. Uiteraard wordt iemand die te veel eet en te weinig beweegt te zwaar, maar dat geldt niet voor iedereen in dezelfde mate. Hoe komt dat?

Eetlust Door families met tweelingen en adoptiekinderen te bestuderen, hebben verschillende onderzoekers gevonden dat ernstig overgewicht deels (naar schatting 40% tot 70%) erfelijk is. Genen kunnen op twee manieren het evenwicht tussen de energie inname en het energieverbruik van het lichaam (de energiebalans) verstoren en daarmee gewichtstoename veroorzaken. Soms dragen ze bij aan de neiging om teveel te eten, ondanks een normale energiebehoefte, soms zorgen ze voor een normale eetlust, ondanks een lage energiebehoefte.

Er zijn allerlei manieren waarop genen kunnen beïnvloeden hoeveel trek we hebben en hoeveel we eten. Echter, het aantal gevallen van overgewicht door een aangeboren afwijking in de eetlustbeheersing, zoals Prader-Willi syndroom (een mutatie op chromosoom 15) of leptine deficiëntie (zie kader) is zeer beperkt. Van de laatste afwijking zijn in totaal vijf gevallen bekend, waarvan twee binnen dezelfde familie.

Leptine: De dikke muis rechts op de foto is een zogenaamde ob/ob-muis. Door een defect in het ob-gen mist hij het hormoon leptine, wat normaal gesproken de eetlust remt. Ook het vetweefsel van mensen maakt leptine aan, hoe meer vet des te meer leptine. Opmerkelijk is dat dikke mensen een ongevoeligheid voor dit hormoon lijken te hebben ontwikkeld, dat zich vertaalt naar een hongergevoel. Hoe dit precies werkt, is nog onduidelijk.

Een tweede manier waarop genen kunnen bijdragen aan obesitas, is door een normale eetlust op te wekken terwijl de energiebehoefte laag is. De leefomgeving van de meeste mensen vraagt niet om zware inspanning en dit heeft grote gevolgen voor de hoeveelheid die gegeten kan worden zonder dik te worden. Tijdens intensieve activiteiten, zoals wedstrijdzwemmen of waterskiën, gaat het energieverbruik fors omhoog in vergelijking tot bijvoorbeeld bankzitten/-liggen voor de tv of typen aan een bureau achter de computer. Toch smaakt die pizza in beide gevallen even goed. De neiging van mensen om spontaan actief te zijn, blijkt ten minste voor een deel te worden bepaald door hun genen. Heb je een lichaamsbouw die niet zo geschikt is om intensief te bewegen, dan is sporten na het werk een stuk minder aantrekkelijk. Laat die kilo’s maar komen.

Een slanke (boven) en wat meer omvangrijkere (onder) Pima-indianen uit Arizona (USA)

Indianen

De uitwerkingen van leefklimaat op lichaamsomvang, zijn duidelijk zichtbaar voor de zogenoemde Pima-indianen. Dit volk leeft in het achterland van Mexico, en heeft een slanke lichaamsbouw. Hetzelfde geldt voor de inheemse Mexicanen die eveneens in dit gebied wonen. In Arizona – een gebied waar men neigt naar forse voedselinname – wonen ook Pima’s. Opvallend is dat zij juist ontzettend veel overgewicht hebben; deze Pima’s behoren zelfs tot één van de dikste volken ter wereld.

Oergenen

Waarom zijn de Pima’s in Arizona zo dik? De verklaring is te vinden vanuit een evolutionair standpunt. In de tijd van onze voorouders was er soms teveel, maar meestal te weinig voedsel. Na een succesvolle oogst of jachtpartij aten mensen zich vol om een voorraad te hebben voor barre tijden. De menselijke stofwisseling, ofwel metabolisme, zet het overschot aan energie om in vet. In de huidige tijd van supermarkten met eeuwig gevulde schappen zijn die vetreserves niet meer nodig, maar de aangeboren neiging tot overmatige voedselopname nog altijd aanwezig. Kortom, de kenmerken die voorheen juist voordelig waren om te overleven (energierijk voedsel zoeken, zo min mogelijk inspannen), zijn nu dus nadelig voor de gezondheid en verkorten de levensduur.

Hongerwinter

Toch ligt het metabolisme niet helemáál vast in onze genen. “Ook de omstandigheden in de baarmoeder zijn van grote invloed op het latere vetmetabolisme,” aldus prof. dr. Pieter Sauer, hoogleraar kindergeneeskunde (Universiteit Groningen) in een interview met De Volkskrant. “Beroemd is de ontdekking dat tijdens de hongerwinter van ‘44/’45 in Nederland geboren baby’s door ondervoeding van de moeder een zodanig zuinig afgesteld vetmetabolisme ontwikkelden, dat zij bij een normale voeding later een grotere kans hadden obees te worden.” De kinderen van overvoede moeders, zo is inmiddels bekend, hebben ook aanleg tot obesitas.

Moeders

Groningse onderzoekers proberen te ontdekken wat moeders moeten eten om later geen dikke kinderen te krijgen. Dat is niet eenvoudig. Volgens Sauer kunnen sommige voedingsstoffen bepaalde genen in werking zetten of juist uitschakelen en de stofwisseling regelen. Om die stofwisseling de goede kant op te sturen moeten we bepaalde dingen wel eten en andere juist laten staan. Een buikje vermijden lijkt wel een balanceeract: niet te veel, niet te weinig, en zeker niet zomaar alles eten! Sauer: “Eigenlijk is het de vraag waarom sommige mensen mager blijven.”

Tessa Douma schreef dit artikel tijdens een cursus wetenschapscommunicatie aan de Universiteit Utrecht.

Bronnen

Weinsier, Ronald L. Genes and Obesity: Is there reason to change our behaviors? Annals of Internal Medicine. 1999; 130 (11): 938-939 Gronings centrum voor onderzoek naar kinderobesitas – Dikke kinderen. Triakel. 2004; 5. Broek, Marc van den. Vet is een orgaan; obesitas. De Volkskrant. 2004; 13 November.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Utrecht (UU).
© Universiteit Utrecht (UU), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 21 november 2005

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.