Je leest:

Dik door schuld

Dik door schuld

Auteur: | 19 november 2012

Overeten is een gezonde reactie op een ongezonde omgeving die ons continu verleidt tot het naar binnen werken van zoete, vette snacks. De overheid moet nodig ingrijpen. “Het probleem uít zich alleen bij dikke mensen, maar ook dunne mensen hebben hulp nodig.”

Waarom krijgen mensen overgewicht? Het standaard antwoord op deze vraag is nog altijd: ‘omdat ze meer eten dan ze verbranden’. Met deze inspiratieloze verklaring nemen bioloog Ronald Veldhuizen en psycholoog Asha ten Broeke geen genoegen. In hun boek Eet mij: de psychologie van eten, diëten en teveel eten onthullen zij waaróm mensen te veel eten en te weinig verbranden, en hoe onze omgeving daar schuld aan heeft. Hiermee halen ze gelijk de vooroordelen over dikke mensen onderuit. Willen we als maatschappij op gewicht blijven, dan moet onze eetomgeving op de schop. Hiervoor ligt de bal bij de overheid.

De media stigmatiseren: dikke mensen worden vaak afgebeeld door middel van zogenoemde headless shots, die een dikkerd degradeert tot een soort object. Deze hoofdloze persoon wordt op de foto ook vaak omgeven door snacks.
Flickr.com

De gulden middenweg

Na uitvoerige discussies in de kroeg ontdekten Asha en Ronald dat zij het perfecte duo vormen om de psychologie van eten te onderzoeken. Niet alleen omdat ze elkaar aanvullen op academisch gebied, maar ook omdat ze in eerste instantie heel anders tegen eten en overgewicht aankeken. Asha is – ondanks haar gezonde eetgewoontes – altijd dik geweest, terwijl alles-eter Ronald zonder moeite dun blijft.

“Het scheelt dat we elkaar aardig vinden, anders was het al heel vaak fout gegaan”, grapt Asha. “Het mooie is dat we elkaar op deze manier elke keer weer konden nuanceren tot de gulden middenweg.” Zo wist Asha Ronald met harde feiten te overtuigen dat haat tegen dikke mensen echt bestaat. Ronald kwam aanzetten met een gevarieerde stapel artikelen, waaruit bleek dat je hersenen niet met constante eetverleidingen om kunnen gaan. Ook werd Asha’s vermoeden bevestigd: dikheid zit echt in je genen.

Vertrouw niet op je hoofd

In Eet mij wordt de lezer door middel van scherpe feitjes uit de genetica, psychologie en (neuro)biologie met de neus op het eigen eetgedrag gedrukt. Op elke straathoek kunnen we zoete en vette snacks kopen; elke dag probeert de supermarkt ons weer te verleiden met aanbiedingen en aantrekkelijke producten. Hierdoor worden we gedwongen tot zo’n 200 eetbeslissingen per dag, waarvan we er zo’n 15 bewust verwerken.

Het duizelingwekkende aanbod aan cruesli in de supermarkt.
Ronald Veldhuizen

Behoorlijk vermoeiend. Helemaal omdat ons langzaam evoluerende brein flink achterloopt op de voedselexplosie van de afgelopen twintig jaar, en daarom geen onderscheid kan maken tussen de energiebehoefte van ons lichaam en de gewenning om op regelmatige basis iets naar binnen te werken. "De voedingsindustrie speelt heel slim in op ons geconditioneerde eetpatroon”, legt Asha uit. “Waar denk je aan wanneer ik zeg: vier uur…?”

Het geheim van dunne mensen

Als we zelf niet kunnen bepalen of we genoeg hebben gegeten, hoe kan het dan dat er nog dunne mensen zijn? Dat ‘maar’ bijna de helft van de Nederlanders te dik is en ‘slechts’ tien procent obees? Die vraag wordt beantwoord in het hoofdstuk ‘Het geheim van dunne mensen’. Precies over dit hoofdstuk hebben Asha en Ronald het meest gekibbeld, om zo te ontdekken: hier moet nog veel opgehelderd worden.

Dunne mensen hebben twee geheimen. Ten eerste beschikken ze vaak over een niet al te kleine portemonnee. Met een lage sociaal-economische status en weinig geld is het om diverse redenen aanzienlijk makkelijker om dik te worden. Het andere geheim ligt al vast voor je geboorte: je genen. Wetenschappelijk onderzoek toont aan: óf je dik wordt, bepalen je genen, hoe dik je wordt, bepaalt je omgeving. Of, volgens obesitaswetenschapper George Bray: ‘Genen laden het pistool, en de omgeving haalt de trekker over’. Deze ‘dikke’ of ‘dunne’ genen bepalen je metabolisme en je karakter.

Een ongunstig metabolisme

Dat wij door genetische verschillen in onze stofwisseling ons voedsel heel anders verbranden, was twintig jaar geleden al aangetoond door onderzoekers van de Universiteit van Laval in Canada. Als een soort parodie op de huidige maatschappij sloot hoofdonderzoeker Claude Bouchard 24 jonge mannen – 12 identieke tweelingen – 120 dagen op in een laboratorium, en verbood hen intensief te bewegen.

Vanaf dag achttien liet hij hen zo’n duizend kilocalorieën bovenop hun normale eetpatroon naar binnen werken. Na de ‘vetmesting’ waren sommige jongens maar vier kilo aangekomen – ook nog eens in spiermassa – maar anderen wel dertien kilo, aan vet. Het gemiddelde van de groep was zeven kilo aan extra gewicht. Deze variatie móest wel genetisch bepaald zijn: de omgevingsfactoren waren voor iedereen hetzelfde, en elke tweelingbroer kwam evenveel aan als zijn broer. Wat voor genen zijn dit dan precies?

Klaas Westerterp voor zijn laboratorium.
Klaas Westerterp

Voor het antwoord reisden Asha en Ronald af naar de Universiteit van Maastricht, om het high-tech laboratorium van hoogleraar humane energetica Klaas Westerterp te bezoeken. Westerterp heeft een computermodel ontwikkeld van het energiegebruik van de mens, waar hij in een hermetisch afgesloten ruimte precíes kan meten hoe efficiënt jouw lichaam caloriëen verwerkt en waar dat aan ligt.

Hoe snel wij – en de twaalf tweelingen uit de studie – dik worden, lijkt vooral afhankelijk van ons spijsverteringsstelsel. Het is heel persoonlijk hoeveel procent vet uit je eten je direct verbrandt of opslaat, of je de neiging hebt om overtollige calorieën aan te zetten als vet of spieren, of wat precies het percentage ingenomen calorieën is dat je weer uitpoept.

Als je al deze factoren bij elkaar optelt, loop je met een ongunstige spijsvertering toch al met 1-0 achter. Asha had zich persoonlijk al een week lang verheugd om te vragen hoeveel calorieën een gemiddeld mens dan uitpoept, maar dat onderzoekt Westerterp niet. “Daar houdt ’ie niet van. Maar hij kon wel vertellen dat dit gemiddeld zo’n tien procent is van wat je binnen krijgt. Verder maakte Westerterp duidelijk dat er niet veel voor nodig is om van een dun persoon een dik persoon te maken. Hij schatte in dat Ronald maar driehonderd kilocalorieën per dag – dit staat gelijk aan een Mars – extra hoeft te eten om in vijf jaar veertien kilo dikker te worden."

De wilskrachtspier

Daarbovenop uiten dikke genen zich in je karakter. Ronald legt uit: “Je onbewuste eet-automatismen zijn voor een belangrijk deel genetisch bepaald. Iedereens wilskrachtspier verslapt vroeg of laat; dit gebeurt bij dunnerds ongeveer even vaak als bij dikkerds.” Met die wilskrachtspier doelt hij op de metafoor die psycholoog Roy Baumeister heeft geïntroduceerd voor onze mentale volhardendheid, volgens Baumeister de grootste kracht van de mens.

“De wilskrachtspier is slap op de momenten dat je moe bent, of een slechte dag hebt gehad. Dan is het heel makkelijk om aan verleidingen toe te geven. Het genetische verschil bepaalt wat er op dat moment gebeurt: dunnerds eten minder grote hoeveelheden dan mensen met een andere aanleg.”

‘Ach ja, ik heb zo’n trek, die ene gehaktstaaf mag best.’ Wanneer je wilskrachtspier wat slapper is, loop je net wat sneller de snackbar in. Voor de een gebeurt dit ’s middags, de ander trekt vaak ’s nachts een staafje uit de muur. En waar de een het bij deze staaf houdt, neemt de ander er nog lekker een kroketje bij.

Dunne mensen reageren hier vaak sceptisch op: ‘Lekker makkelijk, die wilskrachtspier koppelen aan je genen.’ Dit is volgens Asha en Ronald precies de kern van het stigma over dikke mensen. Van andere oergedragingen wordt een hormonale – en dus genetische – basis wél geaccepteerd. Agressie wordt bijvoorbeeld vaak aan een hoog testosteronniveau gekopppeld. “Mensen met aanleg om dik te worden ongecontroleerd laten consumeren in onze huidige maatschappij is net zoiets als iemand met een agressie-probleem in een kroeg vol Badr Hari’s zetten.”

Ook het probleem van dunne mensen

Obesitas is niet alleen het probleem van dikke mensen. De gezondheidsklachten die gepaard gaan met overgewicht – het metaboolsyndroom – komen niet alleen voor bij dikkerds: veertig procent van alle mensen met het metaboolsyndroom is niet te dik of zelfs dun. “Het is dus niet zo dat als je toevallig niet aankomt, je geen last hebt van je omgeving! Dit bewijst dat niet alleen dikke, maar ook dunne mensen hulp nodig hebben. Het is een probleem van ons allemaal. De laatste jaren staat de wetenschap als één blok achter de uitspraak: het ís de omgeving die ons dik maakt. De verantwoordelijkheid afschepen op het individu is achterhaald.”

Het stoplichtsysteem doet een beroep op ons natuurlijk gevoel voor de kleur rood, oranje/geel, en groen.
flickr.com

De overheid is aan zet

Volgens Ronald en Asha kan de ongezonde ‘vraag-en-aanboddans’ tussen de voedingsindustrie en de consument alleen worden doorbroken door de overheid: die moet het voedselaanbod gaan reguleren. “Iedereen die wij spreken over dit onderwerp is vóór invloed van bovenaf, zelfs de meest liberalen onder ons”, meldt Ronald enthousiast. Asha voegt toe: “De meesten zouden het zelfs erg bevrijdend vinden. Heerlijk, als je na een vermoeiende werkdag geen Smullers tegenkomt op het station.”

Hóe de overheid het aanbod aan vet voedsel moet reguleren is nog niet zo makkelijk. In het laatste hoofdstuk van Eet mij stellen de auteurs een taks op ongezonde producten voor. Een eerlijke maatregel: de snacker betaalt. Op andere ongezonde gewoontes zoals roken en alcohol vinden we zo’n taks immers heel normaal. Dit initiatief wordt tegengehouden door twee partijen: de voedingsindustrie en de overheid. De voedingsindustrie is volgens Ronald niet per se kwaadwillend, maar zit in een spagaat. “Ze willen mensen niet onnodig dik maken, maar wel goede handel blijven drijven. Mensen houden nou eenmaal van zout, zoet en vet.” De tweede partij is de overheid, die in de persoon van minister Schippers van Volksgezondheid aanhangt dat ‘er geen ongezonde producten bestaan, alleen ongezonde eetpatronen’.

Het stoplichtsysteem lijkt tot nu toe het beste idee: een begrijpelijk – ook voor de minder geletterden onder ons – systeem dat door middel van stickertjes op voedingsproducten de consument adviseert. Rode producten alleen kopen bij hoge uitzondering, een geel product mag af en toe een groen product is altijd goed. “Dit systeem is veel beter dan misleidende logo’s als ‘Ik kies bewust’ en ‘Gezondere keuze’. Gezonder dan wat, moet je je dan afvragen. Op diepvriesfriet zit ook dat ‘Gezondere keuze’-logo.”

Wachten tot je een ons weegt

Helaas kunnen we op korte termijn niet veel besluitvaardigheid van de overheid verwachten, denken de auteurs. Ze hebben alvast drie tips voor minister Schippers om overgewicht effectief te bestrijden. Eén: licht voor op het plaats delict, daar waar de beslissing tot gezond of ongezond eten wordt gemaakt. In de supermarkt of de kiosk zelf dus. Geen Postbus 51-spotje op tv dat de op-de-bank-hangende consument aanmoedigt bewust te eten. Twee: geef een heldere boodschap af. Wat is gezond, wat niet? Hoe kan je anders van consumenten verwachten dat ze hun eetgedrag kunnen verbeteren? Drie: verschuif de standaardkeuze. Vervang bijvoorbeeld de ‘klassieke’ Mars-automaat op middelbare scholen door een automaat die ook twee appels aanbiedt voor hetzelfde bedrag.

Ook Peijnenburg ontkomt niet aan de kritiek van Asha en Ronald. De verpakking verleidt met leuzen als ‘minder dan 2% vet!’. Stiekem bestaat de helft van het product uit suiker.
Ronald Veldhuizen

In de tussentijd raden ze de lezer aan om het eigen eetgedrag bij te stellen. Dat je genen invloed hebben op je omvang betekent niet dat je zelf niets kan doen. Ten eerste: sta eens stil bij je eetgewoontes. Heb jij zwakke snackmomenten? Nee? Ook niet die dagelijkse lik uit de pindakaaspot of die reep chocola tijdens het studeren? Nummer twee: ga nooit gestresst, vermoeid of hongerig naar de supermarkt: dan is je wilskrachtspier op zijn slapst. Laat je niet misleiden: kijk even achterop de verpakking van een zogenaamd gezond product als Peijnenburg ontbijtkoek of Liga Fruitkick. Eenmaal thuis: kook in kleine porties, eet langzaam, en laat je voedsel visueel op je inwerken voor je het naar binnen werkt. Dit stimuleert je verzadigingsgevoel.

Nu het boek in de winkel ligt en Asha en Ronald al hun discussies hebben uitgevochten, zijn ze het eigenlijk over alles eens. “We hebben aangetoond dat onze verdikkende maatschappij echt een omgevingsprobleem is, en de oplossing niet meer bij het individu zelf gezocht moet worden. Eigenlijk zijn we nog activistischer dan uit dit boek blijkt, we hebben onze denkbeelden zelfs een beetje gematigd. Het bleek een enorme uitdaging om een boek te schrijven over een onderwerp waar al zo veel vooroordelen over bestaan. We wilden dunne mensen die geen dikke mensen kennen ook niet verliezen tijdens ons betoog.”

Het boek Eet mij: de psychologie van eten, diëten en teveel eten van Asha ten Broeke en Ronald Veldhuizen, uitgegeven door Maven Publishing, ligt nu in de boekhandel.

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 19 november 2012

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.