Je leest:

Dieren als doorgeefluik

Dieren als doorgeefluik

Auteurs: en | 1 maart 2011

Dieren zijn niet zo onschuldig als ze er vaak uitzien. Ze hebben de mensheid al sinds mensenheugenis opgezadeld met talloze infectieziekten die miljoenen levens hebben gekost. Al langer zijn de uit apen afkomstige virussen voor pokken en aids bekend, evenals het uit vleermuizen voortgekomen rabiësvirus. De laatste decennia steken nieuwe dierlijke virussen hun dodelijke kop in mensen op.

Dieren zijn niet zo onschuldig als ze er vaak uitzien. Ze hebben de mensheid al sinds mensenheugenis opgezadeld met talloze infectieziekten die miljoenen levens hebben gekost. Al langer zijn de uit apen afkomstige virussen voor pokken en aids bekend, evenals het uit vleermuizen voortgekomen rabiësvirus.

De laatste decennia steken nieuwe dierlijke virussen hun dodelijke kop in mensen op. Ebola- en marburg bijvoorbeeld – ook uit apen -, sars uit vleermuizen en de door muggen op mensen overgebrachte Japanse encefalitis uit varkens en het West-Nijlvirus uit vogels, zijn enkele voorbeelden van de vele dierlijke virusinfecties die de laatste jaren dodelijke menselijke slachtoffers maakten – ook in Europa.

En dan is er natuurlijk influenza, de griep. Want ook de ‘varkensgriep’ of ‘Mexicaanse griep’, die zich in het afgelopen jaar over de wereld heeft verspreid, was afkomstig uit een dierlijk reservoir. Deze griep, die in 2009 aanleiding gaf tot de eerste grieppandemie van deze eeuw, ontstond volstrekt onverwacht. De wereld zat te wachten op een ernstige uitbraak van het ‘H5N1 vogelgriepvirus’ dat mogelijk miljoenen slachtoffers zou kunnen maken en de wereldsamenleving zou ontwrichten. In plaats daarvan kwam de Mexicaanse griep (H1N1). De aanduiding H1N1 of H5N1 slaat op de combinatie van twee belangrijke eiwitcomponenten (hem – a g glutinine (H) en neuraminidase (N)) die het influenzavirus kenmerken.

Gelukkig bleek de Mexicaanse griep een overwegend milde ziekte te zijn. Maar de dreiging van de vogelgriep is niet geweken, want het H5N1 vogelgriepvirus waart onverminderd rond in delen van Azië en Afrika. Nog steeds worden geregeld mensen geïnfecteerd, veelal met een dodelijke afloop. Tot nu toe gaat het vooral om de overdracht van het virus van watervogels en pluimvee op mensen, maar deskundigen vrezen nog steeds dat dit veranderlijke virus op een gegeven moment ook van mens op mens kan worden overgedragen. Dan zal het zich on getwijfeld snel over de wereld verspreiden.

Mensen zijn ook zoogdieren

Is deze recente toename van dierlijke infectieziekten een nieuw fenomeen? Tot voor kort hadden veel mensen het – naïeve – idee dat ze in onze moderne samenleving, met al haar technologie en medische kennis, goed bestand zijn tegen die ‘middeleeuwse’ dreigingen van infectieziekten. We hebben immers in de jaren ’70 van de vorige eeuw het humane pokkenvirus geheel uitgeroeid en veel andere infectieziekten, zoals polio, mazelen en de pest, zijn – zeker in de Westerse wereld – voor het grootste deel onder controle gebracht.

Aan het begin van de vorige eeuw ging wereldwijd ongeveer de helft van de mensen die stierven nog dood aan een infectieziekte. In de jaren ’60 was dit gedaald tot niet meer dan enkele procenten – althans in de geïndustrialiseerde wereld. Na de uitroeiing van het menselijke pokkenvirus spiegelden veel wetenschappers en beleidsmakers ons in de jaren ’70 en ’80 dan ook voor dat het slechts een kwestie van tijd zou zijn voordat we een samenleving zonder infectieziekten zouden hebben. De recent gegroeide aandacht, en angst, voor infectieziekten is daarmee feitelijk in tegenspraak.

Mensen zijn zoogdieren, of we het nu leuk vinden of niet. We maken nog steeds deel uit van de ons omringende dierenwereld en de gemeenschappelijke voorouders waaruit we zijn voortgekomen en blijven onderdeel van een zeer complex wereldwijd ecosysteem.

Daar lijkt de schoen te wringen. In onze geglobaliseerde wereld, met al haar verworvenheden en verlokkingen, trekken we ons steeds minder aan van de wetten van dat ecosysteem. De evenwichten die hieraan ten grondslag liggen worden uit balans gebracht doordat de gewoonten, regels en taboes van de mens vanaf de jaren ’60 drastisch zijn veranderd. De wereldbevolking is geëxplodeerd en er zijn megasteden gekomen. Ontbossing en verstedelijking leiden tot steeds meer contacten van mensen met ontheemde dieren die er vroeger niet waren, doordat de grenzen tussen stad en platteland vervagen.

Daarnaast is de consumptie van producten van dierlijke oorsprong tot astronomische hoogten gestegen en zijn de productiemethoden in de landbouw en de veeteelt geïntensiveerd om te kunnen voldoen aan die gegroeide vraag. Verder reizen we massaal de hele wereld over en ook dierlijke producten worden, afhankelijk van de wisselende wereldprijzen, over de hele wereld versleept.

Bovendien neemt door klimaatveranderingen de kans toe dat exotische virussen en dragers van deze virussen, zoals muggen en teken, hun leefgebied uitbreiden. Kortom, de veranderingen in onze moderne samenleving zijn massaal, complex en mondiaal, en ze lijken vrijwel onomkeerbaar. Virussen uit onbekende en onvoorspelbare ‘hoeken en gaten’ van de dierenwereld vinden daardoor nieuwe niches. Ze weten zich snel aan te passen aan nieuwe gastheren in de dieren- en mensenwereld en kunnen zich gemakkelijk over de wereld verspreiden. Zo is de natuur een grote ‘bioterrorist’ geworden.

Vleermuisgrotten kunnen een bron zijn van virussen, zoals sars, die gevaarlijk zijn voor mensen.
Shutterstock, via CC 1

Gedragsveranderingen

Die onheilsconstatering is meer dan louter moraliserende taal van enkele doemdenkers. Want het is zeer de vraag of deze trend zich laat stoppen en het tij zich laat keren. Het lijkt namelijk vrijwel uitgesloten dat mensen hun gedrag spontaan zullen veranderen of dat hun gedrag wezenlijk kan worden beïnvloed. Ook is het naïef gebleken te verwachten dat we met de huidige technologische en wetenschappelijke kennis alle dreigingen van oude en nieuwe infectieziekten binnen korte tijd het hoofd weten te bieden.

De bestrijding van aids heeft ons wat dat betreft bescheidenheid bijgebracht. Hiv, een virus dat we in de jaren ’70 nog niet kenden en zijn oorsprong heeft in chimpansees in Afrika, heeft zich door een complexe mix van bovengenoemde factoren in een recordtempo over de gehele wereld kunnen verspreiden. Al snel na de ontdekking van dit virus spraken wetenschappers de verwachting uit dat er binnen enkele jaren een vaccin beschikbaar zou zijn. We hebben onze kennis echter overschat en onze tegenstander onderschat: na 25 jaar is er nog steeds geen vaccin en het is zeer de vraag of dat de komende decennia wel zal worden gemaakt.

De bestrijding van aids berust op dit moment dan ook voornamelijk op het gebruik van antivirale geneesmiddelen. Overigens mag de ontwikkeling daarvan wel degelijk een indrukwekkende prestatie van de moderne geneeskunde worden genoemd. Helaas zijn in minder draagkrachtige landen deze geneesmiddelen slechts beperkt beschikbaar en berustte de bestrijding van aids daar lange tijd voornamelijk op het bewerkstelligen van gedragsveranderingen. Door een veelheid van culturele, religieuze, politieke en economische factoren, bleek die aanpak vaak weinig succesvol.

Krachten bundelen

Natuurlijk moeten we onze moderne technologische verworvenheden aanwenden om de genoemde processen zoveel mogelijk te beheersen en de negatieve effecten ervan te beperken. De huidige vooruitgang in de medische wetenschap biedt ons nieuw gereedschap om opkomende dreigingen vroeg op te sporen en in de kiem te smoren door nieuwe methoden van surveillance.

Een goed voorbeeld hiervan was de manier waarop werd voorkomen dat sars zich uitbreidde tot een ware pandemie, zodat het virus uiteindelijk aan ‘slechts’ minder dan duizend mensen het leven heeft gekost. Al vroeg na het uitbreken van deze nieuwe, onbekende en deels dodelijke ziekte, die zich in 2003 vanuit China razendsnel over de wereld begon te verspreiden, bracht de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) een internationaal team van wetenschappers bij elkaar.

Met de meest moderne wetenschappelijke technieken en communicatiemiddelen wist dat team de oorzaak van de ziekte vast te stellen. Het bleek te gaan om een nog niet eerder gevonden coronavirus dat zijn oorsprong waarschijnlijk in vleermuizen had en zich ook verspreidde door de consumptie van besmette civetkatten. Snel na het ontdekken van het virus konden de nodige maatregelen worden genomen om de verspreiding te stoppen en therapieën en preventieve vaccins te ontwikkelen.

Gelukkig bleken die uiteindelijk zelfs niet meer nodig te zijn. Voor het eerst in de geschiedenis van de mens werd een virus dat vanuit de dierenwereld een pandemie bij de mens dreigde te veroorzaken in de kiem gesmoord. Dit was alleen mogelijk doordat, onder leiding van de WHO, wetenschappers hun individuele belangen opzij schoven en in het belang van de volksgezondheid hun krachten bundelden.

Samenwerking tot ver voorbij landsgrenzen

Het voorbeeld van sars geeft aan dat we, in een globaliserende wereld, steeds meer moeten investeren in wereldwijde samenwerking en wetenschappelijk onderzoek. Alleen dan kunnen we door de inzet van moderne technologieën vroege opsporing van infectieziekten mogelijk maken en ‘pandemic prepared’ zijn – voorbereid zijn op een wereldwijde epidemie.

Het succes bij sars zou de indruk kunnen wekken dat dit eenvoudig is. Dat is zeker niet zo, want er zijn belangrijke struikelblokken die het vroeg herkennen en bestrijden van nieuwe dierlijke en menselijke pathogenen in de weg staan. In veel gebieden waar het ontstaan van nieuwe ziektekiemen juist het grootst is, ontbreekt het dikwijls aan mogelijkheden om deze ziekten vroeg op te sporen. Ook is het vrijwel overal lastig om een goede samenwerking tussen ambtenaren, artsen en onderzoekers uit veterinaire en humane sectoren voor elkaar te krijgen.

Het is daarom belangrijk er voor te zorgen dat er voldoende lokale expertise, middelen en infrastructuur zijn in die gebieden op aarde waar deze dreigingen hun oorsprong hebben. Dat biedt de grootste kans om de wereldwijde verspreiding van een nieuwe infectieziekte te voorkomen en zo snel mogelijk iets te leren over het ziektebeloop en de behandeling van de nieuwe infectie.

De risicogebieden zijn vaak de minder draagkrachtige regio’s op aarde, zoals sars, H5N1-vogelgriep en Mexicaanse griep recent hebben bevestigd. Maar ook een dichtbevolkt land als Nederland, met zeer veel varkens, kippen, geiten en schapen, wordt als een risicogebied aangemerkt. Vroege opsporing en preventie zijn in zulke gebieden alleen mogelijk door structurele investeringen. De ondersteuning en samenwerking moeten zich dan ook tot ver voorbij onze landsgrenzen uitstrekken. Maar ook in de eigen regio valt er nog veel te doen, zoals het slechten van de barrières tussen de veterinaire en de humane sectoren.

Om de dreiging van infectieziekten vanuit het dierenrijk beter te begrijpen en te bestrijden zijn een nauwe samenwerking en intensief onderzoek op het grensvlak van humane en veterinaire gezondheid nodig. De recente discussies over de bestrijding van Q-koorts, waarbij is geconstateerd dat de noodzakelijke samenwerking en effectieve maatregelen traag op gang kwamen, laten zien dat dit ook in Nederland nog te wensen overlaat.

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 maart 2011

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.