Je leest:

Depressieve muizen

Depressieve muizen

Auteur: | 18 april 2002

Twee muizen zitten bij elkaar in een hokje, gescheiden door een perspex plaat. Zogauw die weggehaald wordt, rent de ene muis op de andere, en begint een woeste vechtpartij. Het aangevallen knaagdier lijkt te overrompeld om daar iets tegenover te stellen. Meer laat het filmpje op de laptop van aio medische farmacologie Dorine Feldker niet zien.

‘Die agressieve, dat is de saller, en die andere de laller’, legt ze raadselachtig uit. Het blijken codenamen voor de hoofdrolspelers in haar onderzoek naar stresshormonen, stress en depressie. ‘SAL staat voor ’short attack latency’, een korte wachttijd voor er tot de aanval overgegaan wordt als ze een muis zien’, zegt ze uit. Op dezelfde manier staat LAL , ‘long attack latency’, voor een veel te aardige niet-aanvalsgrage muis.

Het idee is dat er een verband bestaat tussen de agressie van deze twee speciaal gefokte muizenstammen en hun stressbestendigheid. ‘Het hormoon cortisol, corticosteron bij muizen, gaat gepaard met stress’, doceert de vierdejaars-aio. ‘Als je als mens te veel cortisol hebt, is dat niet goed. Het kan tot een depressie leiden.’ Het lijkt erop dat de lallers gevoeliger zijn voor stress dan de sallers. ’

Als je zulke muizen lang blootstelt aan een agressieve muis, krijgen ze erg hoge corticosteron-niveau’s. Daarnaast worden onderdelen van hun hippocampus, een hersenenstructuur, kleiner. En dat lijkt ook te gebeuren bij mensen met een depressie.’ Hoewel depressies bij muizen niet voor lijken te komen, gelden de gestresste lallers daarom als een goed diermodel.

‘Maar ik krijg nooit een muis te zien, hoor’, zegt Feldker meteen maar. Het werken met de proefdieren zelf doet haar collega in Groningen, waar Feldker slechts af en toe heen reist, om in het Gorlaeuslab terug te komen met alleen een kleddertje muizenhersens. Daaruit haalt ze dan de hippocampus, om te kijken wat zich daarbinnen afspeelt. ‘We willen weten welke genen er in de hippocampus ’aan’ staan, en waar er verschil is tussen de twee muizensoorten.’

En dat betekent hard werken. Bij één methode, SAGE genaamd, rijg je stukjes RNA uit de cel aaneen tot lange ketens. De RNA-slukjes zijn kopieën van het chemisch verwante DNA in de celkern, en laten zien welke genen aan staan. De ketens worden vervolgens met sequencers, de werkpaarden van de moleculaire biologie, uitgelezen. Feldker laat de glazen platen van de sequencer zien. ‘Die komen vlak tegen elkaar aan, daartussen giet je een soort gel, en daarin doe je dan de meting’, legt ze uit, ‘maar die platen moeten enorm schoon zijn, want anders verpest het je resultaat.’ Uren en uren heeft Feldker gestoken in het platenpoetsen.

En dat is dan alleen nog maar de voorbereiding van eindeloze metingen, zo is te zien aan de talrijke foto’s van gels met reeksen veelbetekenende bandjes in Feldkers labjournaal. Een getekend boos gezichtje markeert een dag dat het slecht ging, een blije tronie de dag dat een lange metingenreeks wordt afgesloten.

Monnikenwerk? ‘Ja, een beetje wel, maar dit doe je natuurlijk maar een deel van de tijd, en het meeste vind ik erg leuk’, relativeert Feldker vrolijk. Bovendien kan de promovenda sinds kort beschikken over het nieuwste van het nieuwste van het nieuwste: DNA-chips met scanner. Die leest de genen die in de cel aanstaan in één klap uit, en levert een berg van duizenden meetgegevens. Zo kan het slavenwerk, het spitten in de gegevens naar zinnige onderzoeksresultaten, gewoon achter de computer gebeuren. ‘Een nadeeltje is dat de chips nogal duur zijn’, zegt Feldker, ‘twintig chips, ieder goed voor één meting, kostten twintigduizend gulden.’ Gelukkig voor Feldker sponsort medicijnfabrikant Organon haar onderzoek.

Resultaat hebben de dure chips al wel geleverd, maar het nieuwste mag Feldker nog niet vertellen. Organon krijgt drie maanden geheimhouding van de resultaten.

Over eerder werk is daarentegen al een publicatie de deur uit, waarin de inkrimping van de hippocampus in verband wordt gebracht met veranderingen in genen voor het celskelet, de eiwitstructuren die de cel stevigheid geven. ‘Het ligt bij PNAS’, zegt de promovenda trots, doelend op het chique Amerikaanse blad Proceedings of the National Academy of Sciences. ‘En we hebben het na zes weken nog steeds niet terug. Dat is een goed teken.’

Dit artikel is een publicatie van Mare - Universiteit Leiden.
© Mare - Universiteit Leiden, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 18 april 2002

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.