Je leest:

Delinquentie na behandeling in een jeugdinrichting

Delinquentie na behandeling in een jeugdinrichting

Auteur: | 22 maart 2006

Uit onderzoek van het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving naar het criminele gedrag van in een justitie-inrichting behandelde jongeren blijkt dat de invloed van psychologische kenmerken minder groot is dan men verwachtte. 85 procent van de jongeren kwam na behandeling weer in contact met justitie.

Jongeren die een ernstig misdrijf plegen kunnen in een behandelinrichting worden geplaatst. Behandeling is dan bedoeld om herhaling te voorkomen. Niet altijd is een misdrijf de aanleiding. Ook wanneer er ernstige problemen of stoornissen bestaan, kan de kinderrechter beslissen dat behandeling in een jeugdinrichting nodig is.

Voor het recent verschenen NSCR-rapport Delinquentie na Behandeling is bekeken of jongeren na behandeling in een jeugdinrichting opnieuw in contact kwamen met justitie. Bijna de helft van alle jongens die na behandeling (weer) de fout in gingen, deed dat al binnen één jaar na ontslag. Vervolgens kwamen er per jaar steeds minder nieuwe ‘recidivisten’ (mensen die opnieuw een misdrijf pleegden) bij. Uiteindelijk pleegde 85% van alle jongens na ontslag een (of meer) delict(en). En het ging daarbij niet alleen om te hard rijden (een licht delict), maar ook om zware delicten zoals moord en doodslag. Sommige jongens gingen één keer de fout in, andere jongens wel 50 keer. Het is niet zo dat alle jongens die crimineel waren altijd op het slechte pad bleven: ongeveer één op de zes jongens stopte met het plegen van delicten. Helaas werd ook één op de drie een chronisch delinquent (veelpleger).

Venn diagram overlap geweldplegers en veelplegers.

Omdat de delicten zo sterk variëren is apart gekeken naar een ernstige groep; jongens die na uitstroom een _gewelds_delict pleegden. Uiteindelijk maakte de helft van alle behandelde jongens zich wel een keer schuldig aan een geweldsdelict. Deze groep is extra zorgelijk, omdat ze behalve ‘zware’ delicten ook opvallend vaak delicten pleegden. Een meerderheid ontwikkelde zich tot een zogenaamde veelpleger zoals je in het figuur hierboven kunt zien.

De onderzoekers constateerden dat jongens die al op jonge leeftijd hun eerste delict hebben gepleegd en vóór hun behandeling al vaak de fout in gingen, een grote kans hebben na ontslag delicten te plegen. Ook als kinderen delicten samen met anderen hadden gepleegd werd het vooruitzicht nog ongunstiger.

Gezinsproblemen als werkloosheid, criminaliteit, alcoholgebruik en combinaties van dit soort problemen kwamen vaker voor bij jongens die na uitstroom (opnieuw) delicten pleegden. Daarnaast speelden ook gedragsproblemen bij de jongens zelf een rol; alcohol- en drugsgebruik, agressieproblemen, autoriteitsproblemen en antisociaal gedrag. Opvallend is dat jongens die meerdere zelfmoordpogingen gedaan hadden vaker delinquent waren na hun ontslag. Zij pleegden ook vaker geweldsmisdrijven.

De onderzoekers hadden meer invloed verwacht van bekende psychologische factoren, zoals impulsiviteit en neuroticisme. Wel concludeerden de onderzoekers dat beïnvloedbaarheid vooral invloed had op algemene delinquentie en extraversie en intelligentie een rol speelden bij geweldsdelinquentie. Een gebrekkige gewetensontwikkeling bleek overal een negatieve invloed op te hebben.

De behandelaars hielden in de behandeldossiers het verloop en het resultaat van de behandeling van de jongens bij. Veel jongens bij wie het risico op terugval hoog werd ingeschat door de behandelaars pleegden na ontslag ook inderdaad een geweldsdelict. Jongens bij wie de behandeling negatief verliep, gingen na ontslag vaker de fout in.

Of deze jongens er nu zoveel beter van worden, blijft nog de vraag. Om die vraag te kunnen beantwoorden zou je namelijk moeten weten wat een vergelijkbare groep jongens had gedaan als ze de behandeling niet gekregen hadden, bijvoorbeeld als ze alleen in detentie hadden gezeten. Omdat die groep er niet is, blijft het gissen. Het kan zijn dat behandeling effectief is geweest (misschien hadden anders nóg meer jongens een geweldsdelict gepleegd), maar het kan ook zo zijn dat de behandeling schade heeft toegebracht (misschien zijn beïnvloedbare jongens juist delinquenter geworden).

Kortom, er is meer onderzoek nodig. In vervolgonderzoeken willen de onderzoeker proberen een betere voorspelling van recidive te maken. Daarnaast willen de onderzoekers meer te weten komen over de groep veelplegers. Het lijkt erop dat deze groep ook veel geweldsdelicten pleegt. Deze kleine groep zorgt voor veel schade. In vervolgonderzoek zal bekeken worden wat het verband is tussen veelplegen en geweld.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR).
© Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 22 maart 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.