Je leest:

De zwarte en de witte school

De zwarte en de witte school

Auteur: | 12 oktober 2005

Het aantal zwarte scholen is de laatste decennia flink gestegen. Een agressief spreidingsbeleid heeft weinig steun genoten. Er zullen andere oplossingen aangedragen moeten worden om om te gaan met de concentratie van achterstandsleerlingen op zogenaamde zwarte scholen.

Etnische segregatie in het onderwijs, lange tijd een overwegend Amerikaans fenomeen, begint nu langzamerhand ook in Europa ingeburgerd te raken. Overal in Europa worstelen landen met het probleem van segregatie en daarnaast gebrek aan integratie van verschillende migrantengroepen. Vooral de grote steden, zoals bij ons Rotterdam en Amsterdam, hebben met deze problemen te maken. Zo telt Amsterdam bijvoorbeeld relatief veel allochtone inwoners. Op dit moment is ruim 60% van de Amsterdamse kinderen en jongeren allochtoon, gemeten naar de herkomstlanden van hun ouders of grootouders. Het ligt daarom voor de hand dat Amsterdam veel scholen kent waar allochtone leerlingen in de meerderheid zijn (in het alledaagse spraakgebruik veelal aangeduid als zwarte scholen).

Bron: wereldomroep.nl

Geen nieuw verschijnsel

De zorg om het verschijnsel van zwarte en witte scholen stamt niet van vandaag of gisteren. Al in 1971, toen de instroom van allochtone leerlingen in het basisonderwijs nog maar net op gang was gekomen, verscheen een artikel in Het Parool (25 maart 1971) over “apartheid” op scholen in Amsterdam Zuidoost. Het artikel ging over de toename van het aantal allochtone leerlingen (vooral Surinaamse) op scholen in dit gebied en over de gevolgen daarvan voor het lesgeven. Aanvankelijk was dit een zeer lokaal verschijnsel. Pas in de tweede helft van de jaren tachtig kwam het onderwerp uitgebreider en langduriger in de belangstelling. Op dat moment waren er meer wijken in de grote steden die te maken hadden met scholen die in een snel tempo ‘zwart’ werden, en problemen hadden met het vinden van een antwoord daarop. De media besteedden hier veel aandacht aan, en ook de politiek begon zich met het vraagstuk bezig te houden.

Zo’n vijftien jaar geleden bracht ik samen met andere onderzoekers van het SCO-Kohnstamm Instituut de eerste studie uit naar de beleidsaspecten van de etnische segregatie in het onderwijs. Wij constateerden toen dat het aantal zwarte scholen flink in opmars was; dat gemeenten en schoolbesturen daar weinig tegen ondernamen en wij deden voorstellen om tot een meer evenwichtige spreiding te komen. Dat rapport bracht wél de nodige pennen in beweging. De toenmalige staatssecretaris Wallage haastte zich te verklaren dat vooral gemeenten verantwoordelijk waren voor een oplossing van het probleem, terwijl de Vereniging van Nederlandse Gemeenten zich afvroeg ‘of het wel een probleem was’. Schoolbesturen hielden zich wijselijk op de achtergrond. Het woord spreiding alleen al viel niet in goede aarde. De laatste jaren neemt de roep om spreidingsmaatregelen echter toe.

Wat is er in de afgelopen vijftien jaar veranderd? Wat is de omvang van segregatie in het onderwijs? Wat zijn de belangrijkste gevolgen? Hoe gaat de politiek er mee om?

Zwart-wit in plaats van arm-rijk

In de jaren tachtig en negentig is de segregatie naar etnische herkomst de traditionele sociale segregatie in omvang gaan overvleugelen. De tuinsteden in Amsterdam-West bijvoorbeeld waren lange tijd typische arbeiderswijken met veel scholen die overwegend uit arbeiderskinderen bestonden; langzamerhand trok de autochtone bevolking weg naar steden als Purmerend en Almere en de gaten werden gevuld door Marokkaanse en Turkse arbeidsmigranten met hun gezinnen. Nu zijn de schoffies- of klompenscholen (scholen met overwegend autochtone arbeiderskinderen) eigenlijk alleen nog te vinden in plattelandsgebieden in het Noorden van het land.

Er zijn drie belangrijke oorzaken voor de toenemende concentratie en segregatie in het onderwijs. In de eerste plaats komt dit door demografische ontwikkelingen, zoals de toegenomen immigratie, gezinshereniging en het hoger kindertal in allochtone gezinnen, en door woonsegregatie. In bepaalde wijken neemt het aantal allochtone inwoners met een lage opleiding toe en het aantal autochtone inwoners af. De vertrekkers zijn degenen die zich elders een betere woning kunnen permitteren. Scholen in die wijken ondervinden daarvan de gevolgen: het aandeel allochtone leerlingen stijgt, het aandeel autochtone leerlingen daalt.

De Amsterdamse Bijlmer is zo’n wijk met veel allochtone inwoners

In de tweede plaats spelen sociale en etnisch gemotiveerde schoolkeuzes van ouders een rol. Zwarte scholen genieten zelden de voorkeur van de ouders. In ons onderzoek ‘Schoolkeuze in een multi-etnische samenleving’ uit 2002 naar keuzegedrag van ouders stelden wij vast dat vooral autochtone, maar ook allochtone ouders zo’n school minder geschikt vinden voor hun kind. Autochtone ouders, vooral hoger opgeleiden, wijzen zwarte scholen af omdat zij daar geen ‘match’ tussen school en thuis denken aan te treffen. Allochtone ouders wijzen zwarte scholen onder meer af omdat zij bang zijn dat die scholen niet voldoende niveau voor het leren van Nederlands bieden. Zij zijn echter minder dan witte ouders geneigd om ver te reizen om nog een school van hun gading te vinden.

In de derde plaats staat de Nederlandse vrijheid van onderwijs de oprichting van islamitische en hindoeïstische scholen toe. Deze scholen zijn vrijwel per definitie zwart en doen dus ook het aantal zwarte scholen stijgen. Omdat het hier om kleine aantallen scholen gaat (niet meer dan vijftig) gaat, is deze factor landelijk gezien van ondergeschikt belang. In de steden zijn zij, zeker als tegemoet wordt gekomen aan de behoefte bij islamitische ouders, echter wel een factor van betekenis.

Was deze etnische segregatie aanvankelijk vooral een verschijnsel in het basisonderwijs, nu begint zich ook de scheiding in het voortgezet onderwijs te voltrekken. In verschillende grote steden wordt bijvoorbeeld een aantal scholen voor voortgezet onderwijs met opheffing bedreigd, omdat door de verandering in de leerlingenpopulatie de witte leerlingen wegtrekken naar andere scholen, vaak in de omliggende gemeenten. Zo ging in 2002 bijna 20% van de leerlingen uit de stad Utrecht naar scholen buiten de stad.

Zwarte school slecht voor leerling?

Sommige vormen van segregatie in het onderwijs zijn nauwelijks onderwerp van maatschappelijk debat. De segregatie naar religie is in de hoogtijdagen van de verzuiling zelden ter discussie gesteld. Segregatie naar geslacht, zoals die nog in tal van (beschaafde) landen bestaat, beschikt zelfs over goede papieren. Meisjesscholen in Engeland bijvoorbeeld genieten een grote populariteit omdat zij gemiddeld beter scoren dan de andere scholen.

Eén vorm staat echter in het brandpunt van de belangstelling: de segregatie naar etnische herkomst. Vooral door de oprichting van islamitische scholen (een zelfgekozen segregatie) is die aandacht nog eens versterkt. Discussies over maatschappelijke integratie van etnische groepen, over de multiculturele samenleving en de rol van het onderwijs, over de positie van Nederlandse normen en waarden: ze zijn dezer dagen weer volop actueel.

In brede kring worden zwarte scholen ongewenst gevonden, om twee redenen: ze zouden een belemmering vormen voor de integratie van allochtonen en ze zouden slecht zijn voor de onderwijskansen van de leerlingen. Wat is er, wetenschappelijk gezien, eigenlijk aan onderbouwing beschikbaar voor de argumenten in deze discussie?

In de eerste plaats is er onderzoek gedaan naar de invloed van de leerlingensamenstelling op de leerprestaties. Over het algemeen kunnen we vaststellen dat er sterke aanwijzingen zijn dat de etnische samenstelling van de klas van invloed is. De grootte van de effecten verschilt per context en is soms minimaal. Zo is er een verschil in reken- en taalprestaties. Eén ding is zeker: leerlingen uit lagere milieus zijn het meest gevoelig voor de verschillen in kwaliteit van de leeromgeving op school. Zij hebben dan ook het meest baat bij een krachtige leeromgeving, omdat zij vrijwel alles voor hun ontwikkeling uit de school moeten halen.

Voor de andere vragen uit het debat is er minder onderzoek voor handen. In feite weten we vrijwel niets over de effecten van zwarte en witte scholen op de sociaal-culturele integratie (leren omgaan met elkaar) en nog veel minder op de integratie als burger (autonoom handelen en tolerantie).

Wat gaan we er aan doen?

Er is de afgelopen jaren veel media-aandacht voor witte en zwarte scholen geweest. Menig beleidsmaker kreeg dan ook de vraag voorgelegd “wat men er aan ging doen”. Ondanks al die aandacht zijn er in de praktijk weinig voorbeelden te vinden van pogingen om segregatieprocessen serieus te beïnvloeden. Hoe komt dat?

In de eerste plaats stuiten meer rigoureuze oplossingen (spreidingsbeleid, dwingende toelatingsregels, dwingende voorschriften over welke scholen wel en niet kunnen worden gekozen) op twee levensgrote belemmeringen: de angst om de keuzevrijheid van ouders te beperken en de juridische onmogelijkheid om dit waterdicht te krijgen.

Minder rigoureuze oplossingen (vrijwillige afspraken tussen besturen en scholen, actieve voorlichting en beïnvloeding van keuzes van ouders, sturen bij de oprichting van nieuwe scholen) worden echter ook nauwelijks geprobeerd. Die terughoudendheid heeft een diepere oorzaak: er wordt geen beleid gevoerd omdat eigenlijk niemand dat wil. Dit komt uit onze onderzoeken onder schooldirecteuren, ouders en autoriteiten ook duidelijk naar voren.

Bij ouders heerst verdeeldheid over de vraag of geprobeerd moet worden de etnische samenstelling van scholen te beïnvloeden. De schoolleiders tonen zich sceptisch over vrijwel elke maatregel, en voelen in ieder geval niet voor dwang. Zij willen evenmin ouders sterkere rechten geven (bijvoorbeeld een recht op plaatsing). Wat bij dit alles opvalt, is dat desegregatie wel als maatschappelijk wenselijk wordt gezien, maar dat het in niemands persoonlijk belang is. Ouders willen vrij kunnen kiezen, óók de allochtone ouders. Die willen vaak wel graag een wittere school voor hun kind, maar zetten daarvoor zelf geen stappen. Zwarte scholen zijn bang leerlingen te verliezen zonder dat daar witte leerlingen voor in de plaats komen. Besturen willen eigenlijk voor elke groep ouders aantrekkelijk blijven. Een gevarieerd aanbod met zwarte én witte scholen is daarbij een strategie.

Tenslotte de politici: zij hebben zelf ook kinderen en kunnen zich dus gemakkelijk verplaatsen in de afwegingen van kiezende ouders. Zelfs bekende linkse politici willen ‘liever niet tussen de hoofddoekjes staan’.

Daarom is het belangrijk te kijken of het praktisch wel mogelijk is om een concentratie van leerlingen met een achterstand in het onderwijs te vermijden. In plaatsen met een relatief kleine groep achterstandsleerlingen lijkt dit wel zinvol. In plaatsen en wijken met een groot aandeel achterstandsleerlingen is het waarschijnlijk effectiever om achterstandsscholen gericht te ondersteunen en integratie op andere manieren te bevorderen. Er moet zeker worden voorkomen dat maatregelen, hoe goed ook bedoeld, een averechts effect sorteren.

Dit artikel is een publicatie van B en M - Tijdschrift voor Beleid, Politiek en Maatschappij .
© B en M - Tijdschrift voor Beleid, Politiek en Maatschappij , alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 12 oktober 2005

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.