Je leest:

De woordenschat van doven en slechthorenden

De woordenschat van doven en slechthorenden

Auteur: | 22 januari 2013

Niet alle basisschoolleerlingen kennen evenveel of dezelfde woorden. Dit geldt helemaal voor dove en slechthorende leerlingen. Om de verschillen tussen leerlingen zichtbaar te maken, hebben onderzoekers van de Radboud Universiteit een woordenschattoets ontwikkeld voor de basisschool. Het is de bedoeling dat docenten met deze toets meer inzicht krijgen in de woordenschat van individuele leerlingen, en hun lessen daar op af kunnen stemmen.

Radboud Universiteit

Uit eerder onderzoek weten we dat dove en slechthorende leerlingen over het algemeen een kleinere woordenschat hebben dan hun horende leeftijdsgenoten. Bovendien kennen ze niet alleen minder woorden; ze kennen die woorden ook minder goed. Een doof kind kent bijvoorbeeld het woord troep wel, maar alleen in de zin Je kamer is een troep en niet zoals gebruikt in Een troep apen. We weten ook dat kinderen die minder woorden (goed) kennen, moeite hebben met begrijpend lezen. Maar hebben kinderen met gehoorverlies met alle woorden evenveel moeite en lopen ze op alle soorten woordkennis achter? En hebben al deze kinderen dezelfde achterstand?

Woordenschat

Voor het begrijpen van woorden in een tekst zijn meerdere stappen nodig. Ten eerst moet je het woord kunnen lezen of decoderen. Om een alfabetische taal zoals het Nederlands te decoderen moet je letters aan klanken koppelen. Ook al heb je een bepaald woord nog nooit gezien, je kunt het woord wel ‘lezen’. Als je weet wat er staat, is de volgende stap om te herkennen om welk woord het gaat. Vervolgens kun je er dan een betekenis aan toekennen. Maar wat verstaan we eigenlijk onder betekenis? Is het genoeg om te weten dat een kat een dier met snorharen is, of moet je ook weten dat een kat kan miauwen, spinnen, dat het vaak een huisdier is et cetera?

Het blijkt nog niet zo makkelijk om aan te geven wat je moet weten om te kunnen zeggen dat je een woord ‘kent’. Om enigszins recht te doen aan de complexiteit van woordenschat, legden we in ons onderzoek 140 leerlingen (in de leeftijd van 8 tot 13 jaar) met een gehoorverlies en zo’n 250 leerlingen zonder gehoorverlies gedurende drie jaar twee soorten woordenschattoetsen voor. Eén toets (de lexicale decisietaak) was gericht op woordherkenning. De leerlingen kregen een lijst van 120 woorden voorgelegd, met zowel bestaande Nederlandse woorden als onzin- of pseudowoorden. De leerlingen kregen de opdracht om niet-bestaande woorden zoals sner door te strepen. De andere toets (de gebruiksdecisietaak) ging om woordgebruik. Hier kregen de leerlingen vier korte zinnen te zien en moesten ze de zin kiezen die waarvan de betekenis klopte. Bijvoorbeeld: De trein rijdt, en niet De trein slaapt.

Onderlinge verschillen

Zoals verwacht scoorden de horende leerlingen op beide toetsen beter dan de dove en slechthorende leerlingen. Er waren echter grote onderlinge verschillen tussen de leerlingen met een gehoorverlies. Twee dingen vielen daarbij op:

1) Leerlingen die het goed doen op de ene toets doen het ook goed op de andere toets. Hoeveel woorden je kent en hoe goed je woorden kent, hangt dus nauw samen. Dit kun je zien in Figuur 1. In deze figuur zie je welke score (maximumscore van 100) leerlingen haalden op beide toetsen. De figuur laat ook duidelijk zien dat sommige dove en slechthorende leerlingen het net zo goed deden als (of beter dan) hun horende leeftijdsgenoten, maar dat er ook kinderen waren die grote problemen hadden met de toetsen. 2) Verschillen tussen leerlingen blijven door de tijd heen bestaan, omdat de taalontwikkeling van leerlingen stabiel is. Leerlingen die het goed doen op meetmoment 1, doen het ook goed op meetmoment 2 en 3, en leerlingen die moeite hebben met de taken op meetmoment 1 blijven moeite hebben door de jaren heen. De score van een leerling op moment 2 kan zelfs voor negentig procent voorspeld worden door te kijken naar de score van dezelfde leerling op moment 1.

Figuur 1. Score van de twee groepen leerlingen (horende leerlingen; dove en slechthorende leerlingen) op de twee toetsen (gebruiksdecisietaak; lexicale decisietaak).
Karien Coppens

Hoe moeilijker, hoe groter het verschil

We weten nu dus dat er verschillen zijn tussen leerlingen. Maar zijn die verschillen ook afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van woorden? Om vast te stellen wélke woorden lastig zijn, hebben we een statistische analyse gebruikt. Daarmee hebben we de woorden opgedeeld in zeven categorieën die varieerden in moeilijkheidsgraad. In de makkelijkste groep zaten woorden als fiets, bal, hond: woorden waarbij je meteen een beeld hebt. In de tweede groep zaten woorden als lang. Het is moeilijk om je iets voor te stellen bij het woord lang, maar de lange man of de lange dag heeft wel betekenis, terwijl de lange boom dan weer niet kan (maar wel: de hoge boom). De moeilijkste categorie woorden die we vonden, bevatte woorden als tegenspraak en penningmeester. Het blijkt dat de verschillen tussen horende en dove kinderen het grootst zijn bij de moeilijke woorden en dat er vrijwel geen verschil is bij de makkelijke woorden. Je hebt namelijk veel taal nodig om die moeilijke woorden te omschrijven en die missen dove kinderen meestal. Horenden pikken veel meer verschillende woorden op omdat ze de hele dag anderen horen praten.

De resultaten van ons onderzoek laten zien dat het verschil in woordenschat tussen kinderen met en zonder gehoorverlies niet alleen afhangt van het soort woorden, maar ook van het soort kennis dat wordt bevraagd. Woordherkenning (een plaatje zoeken bij een woord; een woord herkennen als een echt woord) is over het algemeen makkelijker dan kennis van woordgebruik (aangeven in welk zinnetje een woord goed wordt gebruikt of weten hoe je een woord figuurlijk gebruikt). Hoe meer er van je woordkennis wordt gevraagd, of hoe moeilijker de taak, hoe groter het verschil tussen horende en dove/slechthorende leerlingen.

Van theorie naar toets

Radboud Universiteit

Dove kinderen met een achterstand in hun woordenschat halen die maar moeilijk in. De woorden die ze het moeilijkst vinden, komen in hogere groepen en klassen alleen maar vaker terug bij vakken als geschiedenis en aardrijkskunde. Daardoor kan het zijn dat ze vervolgens nog minder zin hebben om te lezen en ze leren dan nog minder woorden. Op die manier ontstaat een vicieuze cirkel. Sommige leerlingen lopen zelfs zo’n achterstand op dat ze nooit goed een recept kunnen lezen of een formulier kunnen invullen.

Die bevindingen zijn natuurlijk interessant, maar hoe kunnen we daarmee iets doen voor het onderwijs? We hebben geld aangevraagd bij NWO (de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) en gekregen, om de resultaten te vertalen voor het onderwijs. Met dat geld hebben we een woordenschattoets gemaakt. Tijdens deze toets krijgen kinderen op de computer woorden te zien die wel of niet bestaan. Net als bij de papieren toets die we eerder afnamen, moeten de kinderen aangeven welke woorden wel en niet bestaan. Via de toets kunnen docenten snel zien hoe het met de woordenschat van een leerling staat: over welke woorden struikelt een kind, waar heeft het hulp bij nodig en welk (lees)niveau kan een kind aan? Vooral in het speciaal onderwijs heeft een docent met veel niveauverschillen te maken. Als een docent met deze toets meer inzicht krijgt in die verschillen en de lessen zo beter kan afstemmen op zijn leerlingen, dan is dat winst.

In de documentaire Door de oren van Ellen werd Ellen gevolgd in haar keuze voor een middelbare school. In het jeugdprogramma Wat zou jij doen? bespreken kinderen dit onderwerp. Op de site http://www.doof.nl/ staat allerlei nieuws en betrouwbare informatie over gehoorverlies en hoorproblemen.

Dit artikel is een publicatie van Kennislink (correspondentennetwerk).
© Kennislink (correspondentennetwerk), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 22 januari 2013

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.