Je leest:

De watersnoodramp van 1916

De watersnoodramp van 1916

Auteur: | 12 januari 2017

De dijken beschermen ons tegen de Zuiderzee… dit vertrouwen was begin twintigste eeuw sterk in Noord-Holland. De laatste keer dat de dijken braken, was immers al heel lang geleden: 1825. Toch bezweken ze her en der in de stormnacht van 13 januari 1916. Met deze ramp haalde minister van Waterstaat Cornelis Lely zijn gelijk. De Kamer durfde zijn plannen voor een Afsluitdijk en inpoldering van de Zuiderzee nu niet meer te dwarsbomen.

00008003077
Koningin Wilhelmina bezoekt de geteisterde Kerkbuurt op Marken in januari 1916, na de watersnoodramp.

Die nacht verdronken 51 mensen terwijl Amsterdam net werd gespaard. De overstroming was het grootst in Waterland, ten noorden van de stad, en in de oostkant van de Zaanstreek. Gelukkig hadden veel bewoners een bootje. En lagen de boerderijen, dorpen en steden meestal hoger dan de weilanden. Zonder deze oude overlevingsstrategieën waren er meer doden gevallen.

Wat ook hielp waren de kleine binnendijkjes die het vlakke land opdeelden en het binnenstromende zeewater afremden. Zo kreeg men tijd naar zolder te vluchten of het vee uit de stallen te halen. De boeren dreven van oudsher bij dreigende overstroming zonder overleg hun vee naar de kerk, die op het hoogste punt was gebouwd (al kon in 1916 lang niet de hele uitgedijde veestapel erin). Dat de hulp vanuit de omringende steden meteen op gang kwam, heeft ook voorkomen dat er mensen na de storm zijn omgekomen door kou en ontbering. Leerlingen van de Kweekschool voor de Zeevaart bijvoorbeeld voeren de dag na de overstroming Waterland in en bevrijdden tientallen mensen uit hun ondergelopen huizen.

De slachtoffers vielen vooral tijdens de stormnacht, op zee maar met name op Marken. Het verleden had de Markers geleerd om rekening te houden met hoge waterstanden. Hun kaden liepen bij storm altijd onder en hun huizen stonden daarom hoger, op werven, en waren gebouwd op palen. Maar de afgelopen jaren was daar de hand mee gelicht. Bij nieuwe huizen waren de palen vervangen door stenen muurtjes. En die bleken in januari 1916 te dun. De golven sloegen ze weg, sleurden tientallen huizen mee, verwoestten andere en smeten boten op de kaden. Zestien Markers verdronken.

Juliana gaf het goede voorbeeld

Het gebeurde allemaal midden in de Eerste Wereldoorlog. Dit had voordelen: gemobiliseerde militairen waren snel ter plaatse om te helpen met de evacuatie, het aanleggen van noodkeringen of het wegvoeren van vee. Er kwamen nationale collectes; de zesjarige prinses Juliana gaf het goede voorbeeld en doneerde de inhoud van haar spaarpot. Schoollokalen, kerken en hotels in Amsterdam, Zaandam en Purmerend zaten vol evacués. Andere daklozen logeerden bij particulieren. Gemeentelijke diensten stelden boten ter beschikking en brachten drinkwater naar de achtergebleven bewoners in het rampgebied.

Er was natuurlijk veel schade en mensen zaten tijdelijk zonder inkomen of moesten logies betalen. De overheid had er geld voor, maar je kreeg alleen iets als je de kosten écht niet zelf kon dragen. Hierover beslisten plaatselijke commissies onder leiding van de burgemeesters. Het droogpompen en herstellen van de dijken was een taak van Provinciale Waterstaat. Begin zomer was het land weer begaanbaar.

Rantsoenering

Een tweede gunstige gevolg van de oorlog was de hoge vleesprijs op de Duitse markt. Om de gedupeerde boeren te helpen gaf minister F.E. Posthuma van Landbouw, Nijverheid en Handel daarom tijdelijk toestemming om melkkoeien als slachtvee te exporteren naar Duitsland. Deze ‘bevoordeling van een oorlogvoerend land’ door het neutrale Nederland kwam hem op kritiek te staan van Engeland.

Posthuma kreeg ook de wind van voren van het linkse weekblad De Tribune. Er heerste hier immers voedselschaarste omdat de oorlog de import van buitenlandse granen belemmerde. Posthuma had een strikt stelsel ontworpen van rantsoenering, uitvoerverboden en andere regels om te zorgen dat er geen hongersnood uitbrak. En nu verdween dat kostelijke vlees zomaar naar het buitenland? Volgens De Tribune kon de regering best én de boeren compenseren én het vlees tegen lage prijzen verdelen onder de arbeiders.

De ramp kreeg ruime aandacht in kranten en geïllustreerde bladen, met foto’s van bijvoorbeeld koningin Wilhelmina die een nestje poezen redt of manhaftig de elementen trotseert. De tijdschriften, brochures, herinneringsboekjes, een plakplaatjesalbum van een theehandel en enkele spannende jeugdboeken ademen de sfeer van de gezamenlijke strijd tegen de oude vijand het water. Een ideaal literair thema, maar door de oorlog en door de voedselschaarste, zegt Frouke Wieringa in De Waterwolf in Waterland (Pirola 2015), was het aantal romans over ‘1916’ destijds beperkt.

Afsluitdijk

Politiek kreeg de ramp grote gevolgen. Waarom hadden de dijken het niet gehouden, dat was de grote vraag voor politici en waterstaatdeskundigen. Had iemand schuld? In De Waterwolf in Waterland analyseert Diederik Aten als eerste historicus die kwestie en concludeert dat de waterschappen, verantwoordelijk voor dijkonderhoud en alarmering, niet op hun taak waren berekend. Er was sprake van vriendjespolitiek bij het vergeven van bestuursfuncties en de aanbesteding. Maar Provinciale Waterstaat ging niet vrijuit, deze had eerder moeten ingrijpen. In 1919 werd inderdaad het beheer geconcentreerd in een modern Hoogheemraadschap.

Dr. c. lely
Waterbouwkundige en politicus Cornelis Lely ( 1854 – 1929) in 1913

Verstrekkender was het wetsontwerp voor afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee dat minister Cornelis Lely in september dat jaar in de Kamer verdedigde. In de troonrede van 1913 was het al aangekondigd. Zijn plannen sneuvelden ditmaal niet, zoals eerder wel was gebeurd; in 1918 werd de Zuiderzeewet aangenomen. Met de ramp als tragisch bewijs van Lely’s gelijk slikten de Kamerleden hun bezwaren in tegen dit dure en technisch ingewikkelde project. Bijkomend argument voor inpoldering was de voedselschaarste tijdens de oorlog. Het scheppen van nieuwe landbouwgrond was voor Lely overigens altijd het hoofddoel van zijn Zuiderzeeplannen.

Voor anderen was dat de veiligheid van de mensen achter de oude zeedijken en op eilanden als Marken en Urk. Die veiligheid kwam er met de Afsluitdijk in 1932. Maar ze had een prijs. Haring en garnalen verdwenen uit het zoete IJsselmeerwater. Een hele bedrijfstak verdween mee: de zeevisserij, mandenmakerijen, scheepswerfjes. De Zuiderzeesteunwet van 1925 voorzag in een compensatieregeling. De havenstadtradities zijn langs de oude Zuiderzee vooral bewaard als toeristenattractie.

Dit artikel stond in Geschiedenis Magazine nummer 8, november/ december 2015. De auteur is historicus en eindredacteur van Geschiedenis Magazine.

Verder lezen

Vorig jaar is de watersnood van 1916 herdacht, met nieuwe boeken zoals van Jacques Laureys ‘Verdwenen Water’. De fotografen van de watersnood van 1916 (Uitgeverij Noord-Holland 2015), met nog niet eerder gepubliceerde ooggetuigenverslagen, en het ruim geïllustreerde De Waterwolf in Waterland. De overstroming van 1916 in Waterland en de Zaanstreek (Pirola 2015), met essays van Diederik Aten en Frouke Wieringa. Hierin is integraal opgenomen een plakplaatjesalbum uit 1916 (zie afbeelding). Op de website waterkustland.nl zijn foto’s en verhalen te vinden over de ramp.

Voormalig Kennislinkredacteur Adiël Klompmaker schreef in 2014 een artikel over het ontstaan van de storm achter de watersnoodramp.

Dit artikel is een publicatie van Geschiedenis Magazine.
© Geschiedenis Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 12 januari 2017

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.