Je leest:

De vrije wil in het stemhokje

De vrije wil in het stemhokje

Stemmen doe je met je hele brein. Vrije wil en ratio hebben er maar weinig mee te maken.

Auteur: | 4 juni 2010

We denken natuurlijk allemaal dat we straks op 9 juni verstandig stemmen: we luisteren naar de argumenten van politici en stemmen vervolgens op de partij waarvan we vinden dat die ons het beste vertegenwoordigt. Sterker nog: het hele idee van democratie is er min of meer op gebaseerd dat kiezers in staat zijn tot zo’n rationele afweging. Maar zijn we wel zo verstandig? Heeft de vrije wil eigenlijk wel iets te zeggen in het stemhokje? Of is het ons onderbewustzijn dat het rode potlood hanteert?

Uit flink wat wetenschappelijk onderzoek blijkt dat onze vrije wil er inderdaad maar weinig mee te maken heeft. Neem de Amerikaanse psycholoog Alexander Todorov. Hij ontdekte tijdens de congresverkiezingen van 2004 dat we politici voor een deel kiezen op basis van hun uiterlijk. Vooral het gezicht maakt uit: dat moet uitstralen dat iemand goed is in zijn of haar werk. Zo’n beslissing nemen we trouwens erg snel. De proefpersonen in Todorovs onderzoek hadden maar een seconde de tijd om een voorkeur te ontwikkelen. Toch kleurde die eerste indruk hun verdere mening van de politici zo sterk, dat Todorov op basis van die indruk de verkiezingsuitslag met bijna 70 procent nauwkeurigheid kon voorspellen. “Belangrijk beslissingen kunnen oppervlakkiger worden genomen dan we zelf willen geloven,” aldus Todorov.

Later onderzoek bevestigde de resultaten uit 2004: een competent smoelwerk maakt het verschil.
Wikimedia Commons

Hoe belangrijk uiterlijke verschijning en non-verbale indrukken zijn, blijkt ook uit een experiment van Daniel Benjamin en Jesse Shapiro. Zij lieten een groep mensen tien seconden lang naar een videoclip kijken waarin twee voor hun onbekende politici aan het debatteren waren. Het geluid stond uit, dus de kijkers konden niet horen wat de politici inhoudelijk te melden hadden. Opmerkelijk genoeg bleken de kijkers toch best goed in staat om de uiteindelijke winaar van de verkiezingen te voorspellen. Sterker nog: ze deden het beter dan voorspellende modellen die factoren als de invloed van beide kandidaten op de economie meenamen. Toen Benjamin en Shapiro bij een andere groep proefpersonen het geluid aanzetten, waardoor ook de inhoudelijke standpunten van de politici duidelijk werden, gingen de voorspellingen van de kijkers er eerder op achteruit dan op vooruit.

Wint de langste kandidaat?

Dit ‘feitje’ zie je vooral tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen vaak voorbij komen: de langste politicus wint. Maar is dat wel zo? Wetenschappelijk onderzoek ontbreekt, maar wie de presidentskandidaten naast elkaar zet komt inderdaad tot de conclusie dat de langste in 59 procent van de verkiezingen won, en de kleinste 33 procent. Dat verschil is een stukje kleiner dan in de media wordt voorgesteld: dat de langste kandidaat wint lijkt eerder een milde electorale neiging dan een natuurwet. Dit is overigens wel wetenschappelijk bewezen: de winnaar van de verkiezingen schatten we langer in dan zijn of haar verslagen tegenstander.

Wikimedia Commons

Stemmen op school of in de kerk

Maar niet alleen de eerste indruk van het gezicht en de lichaamstaal van de politici tellen – zonder dat we ons ervan bewust zijn – mee als we gaan stemmen. Ook de plek van het stemhokje blijkt van belang. Tijdens verkiezingen in de Amerikaanse staat Arizona in 2000 besloten drie wetenschappers van Stanford University de kiezers willekeurig te verdelen over verschillende locaties. Sommigen gingen stemmen in een school, anderen in een kerk of een brandweerkazerne.

Als we allemaal zouden gaan stemmen in de kerk, zou dat wellicht gunstig zijn voor de christelijke partijen.

Wat bleek? De kiezers die in een school hadden gestemd, waren iets meer geneigd om voor een kandidaat te stemmen die de belastingen wel wilde verhogen om te kunnen investeren in het onderwijs. Ze stonden, zo bleek later, ook wat minder afwijzend tegenover stamcelonderzoek dan de kiezers die het rode potlood in een kerk of kazerne hadden gehanteerd. “Zelfs in een lawaaiige, ‘real world’ omgeving kunnen subtiele omgevingsfactoren invloed uitoefenen op echte, gewichte beslissingen,” schrijven de wetenschappers. Ze vermoeden trouwens dat stemmen in een kerk kiezers kan laten neigen richting de meer religieuze kandidaten.

Rechts is gestresst

Hebben individuele factoren dan helemaal niets meer te zeggen op het moment dat we van ons democratische recht gebruikmaken? Zijn we een pion van de ‘looks’ van de politici en de omgeving waar we stemmen? Zo ver wil het team van politicoloog Douglas Oxley in ieder geval niet gaan. Zij publiceerden in 2008 een paper in het vooraanstaande blad Science, waarin zij stellen dat politieke voorkeur misschien een biologische basis heeft.

Misschien zit politieke voorkeur zelfs in de genen. Een team van Amerikaanse wetenschappers ging op zoek naar een gen dat helpt bepalen of je links-progressief of rechts-conservatief bent. Ze vonden “enkele kandidaten”.

In een experiment stelden Oxley & co bijna vijftig proefpersonen bloot aan harde geluiden en angstaanjagende beelden, terwijl hun huidweerstand werd gemeten en werd gekeken hoe vaak ze met hun ogen knipperden. Kortom: er werd gekeken hoe gestresst ze waren. Alsof dat niet nog niet erg genoeg was, vroegen de wetenschappers hun proefpersonen ook nog naar hun mening over uiteenlopende politieke zaken als de oorlog in Irak, de doodstraf, en het defensiebudget. Toen het team van Oxley vervolgens de stress en de politieke mening met elkaar in verband bracht, ontdekten ze dat degenen die er een meer rechts-conservatief gedachtegoed op nahielden, ook meer stress hadden gevoeld tijdens het onderzoek. Hun politieke denkbeelden waren hen, zeg maar, op het lijf geschreven.

Amygdala gaat stemmen

Voor wie ondertussen mismoedig is geworden van al die invloed van biologie, omgeving en schone schijn, is er hoop. Uit verschillende onderzoeken blijkt namelijk dat ons brein wel degelijk iets in de melk te brokkelen heeft. Drie wetenschappers, onder leiding van de fameuze Marco Iacoboni, ontdekten bijvoorbeeld dat wanneer je rechtse en linkse kiezers (in het onderzoek: republicans en democrats) in een hersenscanner legt terwijl je ze naar foto’s van politici laat kijken, twee circuits in het brein actief worden. Het ene circuit bestaat uit ‘emotiegebiedjes’: zo floept de amygdala – je ‘angstcentrum’ – aan als je een politicus ziet waar je niets mee hebt. Dit effect was trouwens wat sterker bij de rechtse proefpersonen dan bij de linkse. Maar ook de regio rond je prefrontale cortex laat activiteit zien. En dat is goed nieuws, want daar wordt – eindelijk – ons denken, plannen en vooruitzien geregeld.

De amygdala is in dit plaatje in het rood aangegeven. Je prefrontale cortex zit aan de voorkant van het brein, ongeveer op de plek waar je met je vinger tikt om aan te geven dat iemand knettergek is geworden.

Het onderzoek van Kristine Knutson & co bevestigt deze resultaten. Zij lieten proefpersonen een IAT doen. Dit is een test waarmee je onbewuste denkbeelden worden getest. Bij de vorige Tweede Kamerverkiezingen maakten Maastrichtse wetenschappers er nog eentje om onze onbewuste houding ten opzichte van Bos en Balkenende te meten. Maar Knutson en collega’s voegden een twist toe: tijdens de IAT legden ze hun proefpersonen in de hersenscanner. Daar bleek dat het brein van de kiezers zowel bewust als onbewust reageert op politieke stimuli. “… stereotiepe kennis wordt geactiveerd, maar aangevuld door meer reflectieve kennis over de politicus in kwestie”, schrijven ze.

Dus: wie is er de baas over je stem?

Er zijn talloze invloeden van buitenaf die je stemgedrag kunnen beïnvloeden zonder dat je er erg in hebt – waarschijnlijk nog veel meer dan hier in dit artikel behandeld zijn. Zodra je gaat stemmen, sta je onder invloed van je genen, je stressreacties, je amygdala, de omgeving en (niet te vergeten) de uitstraling van de politici die om je stem dingen. Al die invloeden komen samen in je brein. Is er dan nog sprake van een stem uit ‘vrije wil’? Dat is moeilijk te zeggen. Het is hoopgevend dat het ‘nadenkgebiedje’ in ons brein meedoet bij de beslissing. Maar daar moeten we ons ook weer niet te veel van voorstellen. Onze hersenen werken immers als één geheel, en het is niet zo alsof dat nadenkgebiedje de baas is over de meer irrationele, emotionele delen van je grijze massa.

Wie bestuurt dat rode potlood?

Vanuit de hersenwetenschap beredeneerd levert dit nog de meest rationele stem op: je sluit je af van alles en iedereen zodat je niets te weten komt over hoe de lijsttrekkers eruit zien, je leest alleen verkiezingsprogramma’s op papier (geen debatten kijken! en al helemaal niet met het geluid uit!) en machtigt vervolgens iemand anders om op locatie x namens jou je stem uit te brengen. Er is wel een keerzijde: het kan wel heel goed voor de democratie zijn, maar leuk is anders.

Meer lezen?

Stemmen is een kwestie van gevoel

Martin Rosema

Impliciete associaties maken de man

Asha ten Broeke
Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 04 juni 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.