Je leest:

De verkruimelende beloftes van stamceltherapie

De verkruimelende beloftes van stamceltherapie

Auteur: | 21 mei 2004

Robuuste studies zien niets bijzonders gebeuren bij stamcelbehandelingen.

De ware geneeskunde. Niet een gezwel wegsnijden of een microbiële indringer om zeep helpen. Niet een bot spalken of een ader omleggen. Nee, afstervende cellen vervangen door verse exemplaren. Suikerziektepatiënten die zelf weer insuline maken; patiënten met een beschadigd hart die hun hartspier weer repareren of Alzheimer- lijders die nieuwe zenuwcellen produceren. Regeneratieve geneeskunde – wegkwijnende weefsels nieuw leven inblazen met stamcellen –lijkt zo mooi.

Schijn bedriegt. Recente experimenten laten geen spaan heel van de fraaie claims. Stamcellen uit beenmerg ‘transdifferentiëren’ helemaal niet tot hartspiercellen in muizen met een hartinfarct (Murry et al. en Balsam et al., Nature, 8 april). En in muizen waar een deel van de pancreas is verwijderd, ontwikkelen stamcellen zich niet tot insuline-producerende bèta-cellen (Dor et al., Nature, 6 mei). Dit staat haaks op eerdere ideeën. Ondertussen lopen klinische studies voor de troepen uit. Ondanks de teleurstellende en tegenstrijdige resultaten bij proefdieren wordt de methode al geregeld bij menselijke patiënten uitgeprobeerd.

Opmerkelijk, want het valt normaliter niet mee om een experimenteel medicijn uit te testen op mensen. ‘Met beenmergstamcellen is een klassieke situatie ontstaan met hooggespannen verwachtingen. Je kon het zo gek niet bedenken of het gebeurde’, schetst stamcelonderzoeker dr. Gerald de Haan van de Rijksuniversiteit Groningen. Met een subsidie van de Amerikaanse NIH probeert hij beenmergstamcellen zich te laten vermenigvuldigen terwijl ze hun stamcel-eigenschappen behouden. ‘Met klinische studies is het ongelofelijk snel gegaan. Baat het niet, dan schaadt het niet, dat is de manier waarop sommige onderzoekers tegen stamceltherapie aankijken. Het grootste gevaar is nu dat er slechte dingen gebeuren, dat er iemand overlijdt inderdaad, en dat het hele onderzoek gestopt wordt.’

Hartinfarct

Een van de bekendste publicaties in het stamcelonderzoek komt van de Amerikaanse hoogleraar David Orlic. In 2001 berichtte hij in _Nature_dat muizen met een hartinfarct, waarbij door het tijdelijke gebrek aan doorbloeding hartspiercellen afsterven, baat hebben bij stamcellen. Uit beenmerg opgezuiverde stamcellen, direct ingespoten in het hart, zouden nieuwe hartspiercellen vormen. Enkele studies bij mensen, waarvan de kwaliteit niet onomstreden is, lieten vervolgens zien dat de hartfunctie van hartinfarct-patiënten verbeterde na het inspuiten met stamcellen.

Maar de functieverbetering is niet te danken aan nieuwe hartspiercellen – stellen twee onderzoeksgroepen recent in Nature. Met behulp van geavanceerde genetische technieken, weten zij vast te stellen dat stamcellen in een beschadigd hart niet differentiëren tot hartspiercellen. De ene groep gebruikt een betagalactosidase- gen als stamcel-marker, en zag bij de gemerkte cellen geen transdifferentiatie optreden. De andere groep koppelde het lichtgevende GFP-eiwit aan stamcel-eiwitten. Ze zagen dat de geïnjecteerde cellen zich ontwikkelden tot verschillende soorten bloedcellen, maar niet tot hartspiercellen. Een tegenvaller voor hartpatiënten. Die zitten daarmee in hetzelfde schuitje als suikerziektepatiënten. Voor diabetes type I, waarbij de insulineproducerende bèta-cellen in de pancreas afsterven, zou stamceltherapie ideaal zijn. In plaats van dagelijks insuline te moeten injecteren, zouden nieuwe cellen het hormoon weer aanmaken. Uitgangspunt is dat stamcellen ingebracht in de pancreas zich kunnen differentiëren tot nieuwe bèta-cellen.

Deze vinding staat nu ook op losse schroeven dankzij robuust genetisch onderzoek. Een muis met een hap uit zijn pancreas, kreeg ter reparatie een mix van stamcellen toegediend. In plaats van de stamcellen te volgen, hielden de onderzoekers de al aanwezige bèta-cellen in het oog, die genetisch gemerkt waren. Ze zagen vervolgens geen groepen van nieuwe, ongemerkte bètacellen ontstaan. Maar – opmerkelijk – het percentage bestaande bèta-cellen bleef gelijk. Ondanks de normale turnover en de toename van het totale aantal cellen door pancreasherstel. Conclusie: nieuwe bèta-cellen kunnen ontstaan vanuit oude bèta-cellen. Stamcellen zijn blijkbaar niet nodig, de pancreas vernieuwt zichzelf. De nieuwe, ontnuchterende studies verschillen in opzet van het onderzoek van bijvoorbeeld Orlic. De ontwikkeling van (stam)cellen wordt nu gevolgd via genetische markers. Dat vervangt het identificeren van cellen door kenmerkende (hartspier)eiwitten te laten fluoresceren. Een techniek met haken en ogen. ‘Je ziet altijd wel wat met fluorescentie’, vertelt De Haan. ‘Het hangt er vanaf hoe gevoelig je het apparaat zet, wat er oplicht. Dat heeft niks te maken met fraude, het is gewoon lastig. Dat maakt het onderzoek ook moeilijk te controleren. In zo’n publicatie zie je dan prachtige plaatjes, maar ja.’

Vraagtekens

De andere complicerende factor is dat er bij stamceltherapie wél wat gebeurt. De hartfunctie van infarctpatiënten verbetert na het inspuiten van stamcellen én het geven van groeifactoren. In het beschadigde hart ontstaan nieuwe bloedvaten. Uitermate gunstig – maar niet hetzelfde als de geclaimde nieuwe hartspiercellen. Voor sommige behandelende artsen maakt dat niet uit, de patiënt voelt zich immers beter. Een verkeerde benadering, vinden beide onderzoeksgroepen in Nature. Ze kraken harde noten over reeds lopend klinisch onderzoek. Murry schrijft: ‘Deze resultaten plaatsen vraagtekens bij de mechanistische onderbouwing van klinisch onderzoek.’ Balsam: ‘Voor we dit fenomeen begrijpen of klinisch willen toepassen moet er veel meer preklinisch onderzoek gedaan worden.’ Een commentator concludeert: ‘Deze publicaties wekken bezorgdheid over de haalbaarheid van hartweefselherstel met beenmergstamcellen.’

‘Dit is inderdaad een relativering van toepassingen met adulte stamcellen’, beaamt De Haan. ‘Ze kunnen minder en misschien leiden ze wel alleen tot nieuwe bloedvatvorming. En voor de waargenomen functieverbetering van het hart kun je je afvragen of stamcellen echt nodig zijn. Of zijn het andere cellen die het doen? Of doen misschien de groeifactoren het alleen ook al?’ Beenmergstamcellen maken de verwachtingen, gewekt in een petrischaal, in het lichaam niet waar. De verwachting is dat stamcellen uit embryo’s daar een stuk minder moeite mee hebben. Maar los van de ethische bezwaren die aan embryonale cellen kleven, is ook deze vorm van stamceltherapie het experimentele stadium nog lang niet voorbij. ‘Embryonale stamcellen kunnen zich nog differentiëren, dat is ontegenzeggenlijk waar. Maar deze cellen willen nog zó graag delen, ze staan niet ver af van tumorcellen. Dat maakt het gebruik ervan gevaarlijk. Het zal nog wel jaren duren voor daar een therapie uit voortkomt.’ Met gevoel voor timing heeft het Amerikaanse National Heart, Lung, and Blood Institute, onderdeel van het NIH, begin april een vraag de deur uitgedaan naar stamcelonderzoekers. In essentie: hoe nu verder? Wat voor soort onderzoek moet de NIH financieren om stamcellen ten goede te laten komen aan hartpatiënten. Het woord is aan de wetenschap.

Dit artikel is een publicatie van Bionieuws.
© Bionieuws, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 21 mei 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.