Je leest:

De unieke kenmerken van uitstervende talen

De unieke kenmerken van uitstervende talen

Auteur: | 20 maart 2008

In het BABEL-project wil hoogleraar Maarten Mous een brug slaan tussen de beschrijvende en theoretische taalwetenschap. Door zoveel mogelijk talen met elkaar te vergelijken, kun je zowel overeenkomsten als verschilllen op het spoor komen.

Veel met uitsterven bedreigde talen hebben kenmerken die vaak uniek zijn voor juist die taal. Bij uitsterven gaat er dus waardevolle taalkundige informatie verloren over de vorm die taal kan aannemen. Prof.dr. Maarten Mous wil die kenmerken met een nieuw Europees onderzoeksthema in kaart brengen.

Beschrijvende en theoretische taalwetenschap

Het idee voor dit project, dat de naam BABEL heeft meegekregen, is afkomstig van Maarten Mous, hoogleraar Afrikaanse taalkunde aan de Universiteit Leiden. Met BABEL wil hij de afstand die er bestaat tussen de beschrijvende en theoretische taalwetenschap verkleinen. Beide disciplines van de taalwetenschap opereren nog te veel in hun eigen niche. Taalbeschrijvers zijn – een beetje gechargeerd gesteld – de romantische avonturiers die zich in de meest onherbergzame gebieden soms maanden van de buitenwereld afsluiten om de taal van een natuurvolk te bestuderen. En de theoretische taalwetenschappers verzamelen – even gechargeerd gezegd – rustig thuis aan hun bureau taaldata om algemene theorieën op te stellen.

Prof.dr. Maarten Mous: ‘Een voorstel voor EUROCORES dien je niet zomaar even in.’

Het acroniem BABEL staat voor Better Analyses Based on Endangered Languages. Het is een zogenoemd EUROCORES Programme (European Collaborative Research Programmes Scheme) van de European Science Foundation (ESF). De ESF is het samenwerkingsverband van de Europese organisaties voor wetenschappelijk onderzoek, waar ook het Nederlandse NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) bij is aangesloten.

Taalvergelijking

Beide disciplines doen aan taalvergelijking, maar ook daar zijn de verschillen aanzienlijk. De taalbeschrijvers zijn vooral geïnteresseerd in de genetische verwantschap tussen verschillende talen. Ze reconstrueren de historische ontwikkeling van taalfamilies en stellen stambomen op. De theoretici zijn juist geïnteresseerd in typologische verwantschap. Ze vergelijken om tot algemeen geldende uitspraken over taal te komen. Daarvoor werken ze over het algemeen met een klein corpus aan talen die ze (goed) kennen, meestal de ‘moderne’ Europese talen en wat grotere niet-Europese talen als Japans.

Brug

‘Dat is jammer’, vindt Mous. ‘Beide disciplines kunnen veel voor elkaar betekenen.’ Met BABEL wil hij een brug slaan. Voor zijn idee was Mous in eerste instantie naar NWO gestapt om een vervolg op het binnenkort aflopende NWO-project Endangered Languages aan te vragen. NWO liet echter weten dat hij het beter Europees kon proberen. ‘Dat was makkelijker gezegd dan gedaan’, zegt Mous. ‘Een voorstel voor EUROCORES dien je niet zomaar even in.’

Taalanalyse

‘Het grote verschil tussen BABEL en eerdere thema’s is dat er een duidelijke integratie is tussen de twee disciplines van de taalwetenschap’, vertelt Mous. ‘Binnen dit thema zullen er een aantal projecten komen die werken met primaire data, zowel nieuw als archiefmateriaal, om zich te richten op de taalanalyse. De resultaten zullen worden gebruikt om de inzichten in de structuur en aard van menselijke taal te verbreden en corrigeren.’

Taalkundig veldwerk bij de Trio in Suriname

Vraagzinnen

Hij geeft een paar sprekende voorbeelden van inzichten uit de beschrijvende taalkunde die de theoretische grondslag van de taalwetenschap kunnen verrijken. ‘Taalkundigen namen lange tijd aan dat vraagzinnen, in welke taal dan ook, herkenbaar waren aan de kenmerkende stijgende vraagintonatie aan het eind van een zin. In alle beter bekende talen is dat ook zo, maar onderzoek aan verschillende ’inheemse’ talen heeft aangetoond dat dat helemaal niet zo hoeft te zijn. Er zijn talen die geen stijgende vraagintonatie hebben en in andere talen is een vraag juist herkenbaar aan het weglaten van een deel van de zin.’ Het blijkt allemaal dus ingewikkelder te zijn dan men dacht.

Evidentialiteit

Mous noemt nog een voorbeeld: ‘In het Trio – een indiaanse taal uit Suriname – bestaat de zogenoemde evidentialiteit. Dat is een bepaalde grammaticale categorie in de werkwoordvervoeging. Als spreker van het Trio ben je verplicht om aan te geven of je iets uit eigen waarneming hebt of van horen zeggen. Dat kan in het Nederlands ook wel, maar alleen met een omschrijving. In het Trio heb je daar verschillende werkwoordsvormen voor waarvan je er altijd een moet gebruiken.’ Het zijn dit soort voorbeelden die duidelijk maken dat menselijke taal heel wat ingewikkelder is dan we tot nog toe dachten. Door de bedreigde talen in het theoretische onderzoek te betrekken, worden de algemene inzichten in taal verruimd.

Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief van de Universiteit Leiden.

zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Leiden.
© Universiteit Leiden, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 20 maart 2008
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.