Je leest:

“De uitspraak van het Nederlands krijgt veel te weinig aandacht”

“De uitspraak van het Nederlands krijgt veel te weinig aandacht”

Auteur: | 6 mei 2007
Hij is de schatbewaarder van de uitspraak van het Nederlands. Dr. Jan Stroop (1938), bekend geworden door zijn ontdekking van het Poldernederlands, nam op 3 oktober 2003 afscheid van de Universiteit van Amsterdam. Een gesprek over taalnormen en ‘uitgesproken Nederlands’.

“Geen taal kan zonder norm. Ook voor de uitspraak van het Nederlands bestaan normen. Als we ons daar helemaal niet meer aan houden, worden we op den duur onverstaanbaar voor elkaar.” Dr. Jan Stroop, tot 1 oktober 2003 hoofddocent Nederlandse taalkunde aan de Universiteit van Amsterdam, schetst bij zijn pensionering een Babylonisch toekomstbeeld voor het Nederlands. ‘Het Nederlands van nu’ is het thema van het symposium dat zijn vakgroep op 3 oktober voor hem houdt. Zijn afscheidsbundel, waarin hij artikelen van zo’n dertig vakgenoten samenbrengt, heeft hij de titel ‘Waar gaat het Nederlands naartoe?’ gegeven.

Hij mist bij collega-taalkundigen belangstelling voor uitspraak. “Ze hebben in wezen weinig oor voor hun taal. Het heeft misschien met muzikaliteit te maken”, zegt Stroop in zijn Zaanse huiskamer, die beheerst wordt door een grote vleugel. Centraal in zijn belangstelling staat de vraag hoe de Nederlanders hun taal uitspreken en hoe dat voortdurend verandert.

Veel publiciteit kreeg Stroop met zijn Poldernederlands, een variant van het Nederlands met als opvallendste kenmerk de uitspraak [aai] voor de letters ij en ei. Het Poldernederlands is het eerst opgemerkt bij ambitieuze vrouwen die in de jaren zeventig studeerden of een carrière begonnen. Ondertussen is het het overheersende accent geworden van de jongere generatie, maar altijd nog meer bij vrouwen dan bij mannen.

“Het Nederlands ontwikkelt zich tot een taal met een enorme verscheidenheid. Het Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN) is veranderd in Algemeen Aanvaard Nederlands. Zo noem ik alle min of meer aangepaste taal die je buitenshuis en tegen vreemden spreekt, bijvoorbeeld tegen de conducteur, de dokter en de burgemeester.”

Meikever

In de jaren zestig werkte Stroop – ooit als leraar Nederlands begonnen – als dialectoloog op het Meertens Instituut, door de romancyclus van J.J. Voskuil beter bekend als ‘het Bureau’.

“Ik was redacteur van de Taalatlas, een boek met kaarten waarop staat aangegeven welke woorden er in verschillende streken voor dezelfde zaken bestaan. Ik heb bijvoorbeeld de benamingen voor de meikever onderzocht. Zulke eenvoudige onderwerpen leveren vaak intrigerende gegevens op. Voor de meikever zijn er wel zestig verschillende benamingen in het Nederlandse taalgebied: mulder, molenaar, ekkelbieter, meiworm, en in West-Vlaanderen heet hij ‘ronkaard’; hij snort namelijk als hij gaat vliegen. In het commentaar bij de atlas legde ik uit waarom dat beestje overal anders heet. Voskuil heeft zijn vakgebied – de volkskunde – belachelijk gemaakt door komisch over de nageboorte van het paard te schrijven, maar de geschiedenis van zo’n object is toch heel fascinerend en de benamingen ervoor weerspiegelen die geschiedenis.”

Niettemin hield Stroop het op den duur niet uit op ‘het Bureau’. “Ik vond het te statisch, het is en blijft een kantoorbaan, ook al ging ik voor dialectopnames veel de boer op.” Hij ging weer voor de klas staan. In die jaren schreef hij over ‘popmuziek als romantisch fenomeen’. “Leerlingen vonden het heel bijzonder dat een docent de muziek die zij mooi vonden, serieus nam.” In 1977 kwam hij terecht bij de Universiteit van Amsterdam, onder andere om zeventiende-eeuws Nederlands te onderwijzen. Daar heeft zijn interesse in allerlei klankkwesties zich verdiept.

“Waar komt uw grote interesse voor klankontwikkelingen vandaan? Vaak gaat het toch om kleine veranderingen?” “Ik vind het onderzoeken van menselijke spraak zeer fascinerend. Spraakklanken, met name de klinkers, evolueren wereldwijd op dezelfde manier. Het is toch ongelofelijk dat in allerlei taalfamilies de veranderingen volgens dezelfde patronen verlopen? Blijkbaar geeft het menselijke brein onbewust sturing aan de evolutie van een spraakklank. Daarnaast veranderen spraakklanken ook onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen. Meestal gebeurt dat doordat een bepaalde groep meer aanzien heeft. De taal van die groep wordt dan gemakkelijk door anderen overgenomen.”

“Aan de veranderingen in die [ei]-klank valt een en ander mooi te demonstreren. De ij(uitspraak [ei]) heeft zich uit de Middelnederlandse lange [ie] ontwikkeld. Die verandering wordt diftongering genoemd: er vindt een overgang plaats van de ‘zuivere klinker’ [ie] naar de tweeklank, oftewel diftong, [ei]. Vanuit het gewest Holland heeft de _ij_zich over heel Nederland verspreid. De taalkundige Kloeke heeft dat ‘de Hollandse expansie’ genoemd. Door de suprematie van Holland is de ij overgenomen door andere gewesten, die zich aan Holland spiegelden.”

“Er was daarbij sprake van ‘diffuse diftongering’. Dat wil zeggen: de nieuwe tweeklank [ei] werd niet in één keer voor het hele taalsysteem overgenomen, maar het proces verliep woordgewijs, vandaar de term diffuus. Een mooi voorbeeld is de verandering van de telwoorden vijf, vijftien en vijftig. In het dialect waar de diftongering al op gang was gekomen, zei men wel [veif] (met een tweeklank), maar de mensen zeiden daarnaast [vieftien] en [vieftig]. De verklaring is dat vijf veel frequenter is.”

“Zijn er behalve de ij meer voorbeelden van te geven?” “De lange [uu] is [ui] geworden. Waar ik me uitgebreid met de [ei]-klank heb beziggehouden, heeft Kloeke voornamelijk de ontwikkeling van de [uu] onderzocht.”

“Welke wereldwijde, identieke ontwikkelingen in het spraaksysteem zijn er?” “De [ei] die [aai] wordt, zoals in het Poldernederlands, dat is een universele ontwikkeling. Ook de Engelse [aai] van bijvoorbeeld _wine_was ooit een [ei]- klank. Het curieuze is dat dit natuurlijke verloop in Nederland meer dan driehonderd jaar is tegengehouden. In de zestiende eeuw hadden onder andere de Zuid-Hollandse dialecten het stadium met de [aai] al bereikt. Schrijvers en grammatici die zich met het vastleggen van het Algemeen Nederlands bezighielden – zoals Spiegel en Vondel – hebben toen duidelijk gezegd: die [aai] moeten we niet.”

“Een natuurlijke ontwikkeling is toch niet tegen te houden?” “Blijkbaar toch wel enigszins. De [ei] is uitgeroepen tot dé tweeklank van het Nederlands. En dat is hij tot de jaren zestig van de vorige eeuw gebleven. Er waren twee argumenten om die [aai] tegen te gaan. Het Nederlands kende twee verwante klanken: wat wij nu de lange ij en de korte ei noemen. De lange ij was, zoals we gezien hebben, oorspronkelijk de lange [ie]. Maar toen die een tweeklank werd, kwam de uitspraak in de buurt van de [ei].

In dezelfde periode was de uitspraak van de korte ei al opgeschoven in de richting van de [aai], een natuurlijke ontwikkeling, zoals ik net schetste. Met de uitspraak van de ij dreigde dat ook te gebeuren. Het taalkundige argument was toen: we moeten de uitspraak van de ij en de ei uit elkaar houden, zodat klein en fijn niet op elkaar gaan rijmen."

“In de tweede plaats vond men de [aai] boers en plat klinken. Het effect van de bemoeizucht van de schrijvers en grammatici is geweest dat ook de korte ei, die al een beetje als [aai] uitgesproken werd, weer terugging naar de [ei]-uitspraak.”

“Zijn er ook andere ontwikkelingen tegengehouden?” “Niet van hetzelfde niveau als van die ei. Taalbemoeienis op kleinere schaal heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat de meeste Nederlanders denken dat groter als fout is. Ons gehannes met _hun_en hen hebben we te danken aan taalsleutelaars uit het verleden die vonden dat het Nederlands ook weer naamvallen moest hebben, net als het Latijn, en die daarom die twee vormen bedachten.”

“Waardoor zet de uitgestelde ontwikkeling van [ei] naar [aai] nu wel door?” “Dat is het gevolg van de lossere normen. Kinderen hebben van nature de neiging om van de [ei] een [aai] te maken. De [aai] is gemakkelijker te articuleren: je hoeft je mond minder ver open te doen. De [ei] vereist een secuurdere positionering van de tong en de kaak.”

“Bovendien is de [aai] luider. Kinderen hebben de neiging hard te praten, nergens hoor je dat beter dan op een crèche. Die [aai] is buitengewoon handig als je een grote bek op wilt zetten. Zangers van het Nederlandse lied gebruiken ook allemaal de [aai]. Sommige muziekleraren laten kinderen met opzet de [aai] zingen omdat ze dan makkelijker kunnen uithalen. In plaats dat die [aai] afgekeurd en afgeleerd wordt, wordt hij nu dus getolereerd en soms zelfs bevorderd.”

“Als taalkundige neem ik een objectief standpunt in: taal is een levend organisme, veranderingen in de taal, ook in de uitspraak, horen daarbij. Persoonlijk vind ik een [aai] in plaats van een [ei] niet mooi, dat komt doordat die afwijkt van wat ik geleerd heb. In fraai en saai vind ik de [aai] wel mooi. Het heeft dus niets met de klank als zodanig te maken, maar met mijn subjectieve oordeel dat zegt: ’ _Fraai_rijmt niet op _blij_’.”

Dr. Jan Stroop

Weinig taalkundigen hebben de afgelopen jaren zo vaak het nieuws gehaald als Jan Stroop. Dat was allemaal te danken aan zijn ontdekking: het Poldernederlands. “Ik hoorde Trijntje Oosterhuis een gedicht voordragen bij de Dodenherdenking. Dat klonk als [De verleden taaid van vrede is aurlog]. Toen dacht ik: als dit geaccepteerd wordt, is het Nederlands duidelijk aan het veranderen.” Stroop verwerkte zijn bevindingen in een artikel voor het enige nummer dat het tijdschrift Noordzee beleefde, de media pikten het op, Stroop werd beroemd en het Poldernederlands een feit.

Jan Stroop was achtereenvolgens leraar, dialectoloog aan het Meertens Instituut, opnieuw leraar en ten slotte hoofddocent Nederlandse taalkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Klankverschijnselen zijn zijn voornaamste interesse. Stroop heeft meer dan honderd taalkundige artikelen op zijn naam staan. Momenteel werkt hij aan Het groot dialectenboek, een populaire samenvatting van alles wat hij over dialecten gepubliceerd heeft. “En als dat klaar is, ga ik verder met mijn biografie van J.P. Heije, een zeer boeiende figuur die in het negentiende-eeuwse Nederland op cultureel en maatschappelijk terrein grote invloed had.”

Aandacht voor het schoolvak Nederlands heeft Stroop nog altijd. Hij spant zich in, via een actie van de Landelijke Vereniging voor Neerlandici (LVVN), om het vak weer meer inhoud te geven. “De vaardigheden staan tegenwoordig centraal. Kennis van onze taal en literatuur is nauwelijks nog examenonderdeel. Dat is toch zot. De leraren staan achter de actie. Docenten willen wel weer eens een enthousiast verhaal kunnen vertellen in plaats van surveilleren bij het opzoeken.”

“Welke andere klankveranderingen kenmerken het Poldernederlands?” “De tweeklanken gaan omlaag, dat wil zeggen: behalve de [ei] die [aai] wordt, wordt de [au] een [aau] (let er maar eens op hoe het woord vrouw wordt uitgesproken) en de [ui] gaat naar [au]. De [ei] valt het meest op doordat die het frequentst is. Verder is het verschil tussen [ei] en [aai] akoestisch groter dan tussen [au] en [aau]. Ik ken geen andere verschijnselen, of het zou het omhooggaan van de korte klinkers moeten zijn: mensen zeggen dan [opbillen] in plaats van [opbellen]. Felix Rottenberg doet dat heel sterk.”

“De medeklinkers zijn stabiel?” “Je hebt natuurlijk de Gooise r, maar die is veel algemener. Die r hoor je ook bij chique mensen uit Amsterdam- Zuid die verder geen Poldernederlands spreken, en bovendien kennen we de Gooise r al van voor de oorlog. Voor het overige gebeurt er bij de medeklinkers al eeuwen nauwelijks iets.”

“De k van nu klinkt net zoals in de Middeleeuwen. Alleen de combinatie _sk_is in het Nederlands [sch] geworden. Bij die stabiliteit van de medeklinkers speelt zeker een rol dat ze voor de herkenning van een woord belangrijker zijn dan klinkers. Denk maar aan spelletjes waarbij iemand op basis van alleen de medeklinkers moet raden ‘w.lk w..rd’ er bedoeld is.”

“Taalkundigen interesseren zich volgens u tegenwoordig te weinig voor de uitspraak. Hoe valt te verklaren dat de grammatici in de zeventiende eeuw zich wel erg druk maakten over de juiste uitspraak?” “Dat komt door de economische bloei en de onafhankelijkheidsoorlog. Men wilde van het land een eenheid maken, dus moest er, vonden ook de politieke leiders, één taal komen. Tegenwoordig zie je nog steeds wel dat taal een instrument van politieke doeleinden kan worden. In Nederland is in de zeventiende eeuw de nadruk gelegd op het Nederlands als eenheidstaal, zij het vrij gematigd. En men had te maken met een grote verscheidenheid aan dialecten, die de vorming van een eenheidsstaat in de weg stond.”

“Treedt er omgekeerd zonder zo’n streven naar nationale eenheid meer taalvariatie op?” “De taalvariatie die wij nu waarnemen – zoals de [aai] in het Poldernederlands naast de [ei] in het Nederlands – heeft alles te maken met de evolutie van de samenleving. Op veel terreinen worden de oude normen losgelaten. De mensen weten heel goed wat de normen zijn, maar ze houden zich er niet meer aan. Veertig jaar geleden is het rebelleren begonnen. Voor het Nederlands was de norm het ABN: in uitspraak, woordgebruik, spelling. Die norm functioneert nu niet meer.”

“Op school worden sinds de jaren zestig geen eisen meer gesteld aan het spreken. Docenten vinden alles maar goed wat leerlingen zeggen, als je ze maar begrijpt. Die houding heeft de functie van de norm ondermijnd. En dat heeft de onderlinge verstaanbaarheid bepaald niet bevorderd. Je hoort vaak sprekers waarbij je alleen al tien minuten nodig hebt om vast te stellen dat ze Nederlands spreken.”

“Docenten zouden vaker moeten zeggen: spreek eens wat ‘netter’?” “Ja, de uitspraak van het Nederlands krijgt veel te weinig aandacht. We hebben toch ook verkeersregels en regels voor de omgangsvormen? Er wordt wel veel aandacht en geld besteed aan spelling, waarom niet aan uitspraak? Spreken doen mensen veel meer dan schrijven.”

“In de jaren dertig heeft koningin Wilhelmina nog eens in de Troonrede gezegd dat een verzorgde uitspraak van het Nederlands een zorg is voor de regering. Als koningin Beatrix dat nu in de Troonrede zou zeggen, wordt ze uitgelachen. En toch zou dat geen kwaad kunnen in een land waar steeds meer anderstalige bewoners belang hebben bij een duidelijk en behoorlijk eenvormig Nederlands spraakmodel. Vergelijk het met een situatie dat je Frans moet leren van Fransen met tien verschillende soorten uitspraak.”

“Wat vindt u van uw eigen uitspraak?” “Dat is geen ABN, want ik heb een licht West-Brabants accent. ABN is de spraak van iemand aan wie je niet kunt horen waar hij of zij vandaan komt. Dat is de oude definitie van Van Haeringen en die is heel werkbaar. Maar ABN als term is afgekeurd door scherpslijpers: die zou suggereren dat iemand die geen ABN spreekt, onbeschaafd is. De sociolinguïsten vervingen ABN daarom door Standaardnederlands. Maar die term is gaandeweg uitgehold, want zelfs het Kerkraadse Nederlands van Thijs Wöltgens valt er nu onder.”

Standaardnederlands betekent dan dus zo ongeveer hetzelfde als Algemeen Aanvaard Nederlands. Het opgeven van term en begrip ABN miskent het feit dat iedereen die verzorgd Nederlands wil spreken, niet wil spreken zoals Thijs Wöltgens daadwerkelijk spreekt, maar volgens de norm die hij daarbij in zijn hoofd heeft.”

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 06 mei 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.