Je leest:

De statistiek van de doden

De statistiek van de doden

Auteurs: en | 30 maart 2000

De demografische hoogtekaart van sterftecijfers is de thermometer voor de ontwikkeling van de volksgezondheid en een indicator voor de mate van sociale gelijkheid in de samenleving. Op zo’n kaart zie je in één oogopslag het gevolg van epidemieën, maar ook de dalende moedersterfte en de ‘ongevallenepidemie’ na de introductie van de auto.

Een lange reeks van cijfers kunnen we niet in één oogopslag interpreteren; zelfs niet als we er minutenlang naar staren. Verwerk de gegevens op handige wijze in een grafiek en dan springen ineens onvermoede verbanden en ontwikkelingen eruit. Op het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) hebben we meer dan 13.000 cijfers over sterftekansen vanaf 1850 tot nu toe geordend in demografische hoogtekaarten. Het resultaat is even eenvoudig als inzichtrijk. Over een tijdsbestek van anderhalve eeuw zien we de grote vooruitgang in de gezondheidszorg, maar ook de sterfte door epidemieën en het gevolg van de Tweede Wereldoorlog. Sterftecijfers zijn direct van belang voor een inzicht in de historische ontwikkeling van de volksgezondheid.

Ook indirect is een statistische analyse van sterfgevallen belangrijk. Sterftegegevens functioneren immers als een indicator voor de mate van economisch succes en de mate van sociale en economische gelijkheid in een samenleving. Of bepaalde groepen mensen langer leven dan andere, is volgens Amartya Sen (Nobelprijswinnaar Economie 1995) van wezenlijk belang voor het beantwoorden van de vraag of die groepen in een bevoor- of benadeelde positie in de maatschappij verkeren. Een statistiek van de doden is een onontbeerlijk hulpmiddel voor epidemiologisch en kwantitatief historisch onderzoek. De grote opmars van de computer en de doorbraak van grote, in elektronische vorm opgeslagen bestanden met demografische gegevens, hebben het gebruik van demografische hoogtekaarten sterk gestimuleerd. Dat is voor een groot deel de verdienste geweest van een groep statistici en demografen van het International Institute for Applied Systems Analysis (IIASA) in Laxenburg (Oostenrijk). Zij hebben computerprogramma’s ontwikkeld voor het maken van deze hoogtekaarten.

Statistische ontleding

Ontwikkeling van de sterftekans voor mannen (Nederland). Deze demografische hoogtekaart toont de sterftekansen voor mannen als functie van de leeftijd en het jaar. In één oogopslag zien we de verticale blauwe ‘lijnen’ die duiden op incidentele verstoringen, bijvoorbeeld als gevolg van epidemieën. Zo leidden een pokkenepidemie in 1871 en een griepepidemie in 1918 tot een groot aantal sterfgevallen. De hoogtekaart confronteert ons ook met het gevolg van de hongerwinter in 1944. Tussen 1960 en 1975 treffen we een ‘vlek’ aan die op een hogere sterfte bij jonge mannen duidt. Door de introductie van de auto en de bromfiets eind jaren vijftig nam de sterfte onder jonge mannen ineens toe. De hoge sterftekansen schuiven op naar steeds hogere leeftijden. In de loop van de tijd is de levensduur van mannen (en van vrouwen) immers toegenomen.

Voor ieder afzonderlijk jaar vanaf 1850 hebben we per leeftijd voor mannen en vrouwen in Nederland zowel het aantal overledenen opgenomen als het aantal personen dat aan het begin van het jaar aanwezig is. Op basis van deze gegevens zijn voor iedere leeftijd en voor ieder jaar afzonderlijk voor mannen en vrouwen de kansen berekend om voor het einde van het jaar te overlijden: het aantal doden per jaar op een bepaalde leeftijd in verhouding tot het aantal aanwezige personen van die leeftijd. We hebben in totaal meer dan 13.000 sterftekansen (leeftijd- en jaarcombinaties) gebruikt. De getallen hebben we verwerkt met een door het NIDI ontwikkeld computerprogramma, en voilà, een prachtige statistiek van de doden is het resultaat. De interpretatie kan beginnen. De hoogtekaart op toont voor mannen hoe voor de verschillende leeftijden tussen 0 en 95 jaar de kansen op overlijden zich sinds 1850 hebben ontwikkeld. Met kleurnuanceringen hebben we de hoogte van de sterftekans aangegeven: van licht- naar donkerblauw nemen de kansen om in het desbetreffende jaar op een bepaalde leeftijd te overlijden toe van minder dan één per duizend naar meer dan honderd per duizend. De hoogtekaart brengt de geweldige veranderingen die in de afgelopen anderhalve eeuw in de sterfte zijn opgetreden duidelijk aan het licht. Dat geldt zowel voor de structurele ontwikkelingen als voor incidentele verstoringen van het patroon. Voorbeelden van dergelijke incidentele verstoringen zijn de cholera-epidemieën in 1853, 1854 en 1855, de pokkenepidemie in 1858, opnieuw de cholera-epidemie in 1859, 1866 en 1867, de pokkenepidemie van 1871 en tenslotte de griepepidemie van 1918. Ook zien we duidelijk de tol die de hongerwinter van 1944 eiste.

Structurele veranderingen

Bedroeg in 1850 de gemiddelde levensduur voor vrouwen iets meer dan veertig en voor mannen iets minder, anno 2000 bereiken vrouwen gemiddeld al ruim de tachtig- en mannen ruim de 75-jarige leeftijd. De sterfterisico’s zijn in 150 jaar tijd enorm veranderd. De handige grafische verwerking van de sterftecijfers stelt ons nu in staat de structurele ontwikkelingen goed te volgen. Vlakken met sterftekansen van meer dan twintig procent verdwijnen, als eerste bij de allerjongsten, later pas bij de alleroudsten. Op een steeds groter aantal leeftijden daalt de sterftekans beneden de één per duizend. Sterftekansen tussen één en vijf per duizend, al zichtbaar rond 1870 op de tienjarige leeftijd, verbreiden zich over alle leeftijden tussen één en dertig jaar. Relatief hoge sterftekansen schuiven voortdurend op naar steeds hogere leeftijden. Bij jonge mannen valt de ‘epidemie’ van de verkeersongevallensterfte op. De introductie van de auto en de bromfiets leidde tussen het einde van de jaren vijftig en het midden van de jaren zeventig tot een stijging van de sterfte bij jonge mannen.

Man-vrouw-verhouding

Verhouding sterftekansen van mannen en vrouwen (Nederland). Cijfers hoger dan 1,0 (rood) duiden op een hogere sterfte van mannen. Cijfers lager dan 1,0 (blauw) wijzen op een hogere sterfte van vrouwen. Over anderhalve eeuw gezien hebben mannen een hogere sterftekans gelopen dan vrouwen. Tot de Tweede Wereldoorlog stierven er echter meer vrouwen dan mannen tussen het vijfentwintigste en het vijfenveertigste levensjaar. Voor een groot deel komt dat door de risico’s bij zwangerschappen en geboorten. Een betere gezondheidszorg doet de moedersterfte uiteindelijk afnemen. Vanaf de Tweede Wereldoorlog is voor vrijwel alle leeftijden de sterftekans van mannen groter dan die van vrouwen.

De hoogtekaart op pagina 43 toont de verhoudingsgetallen tussen de sterftekansen van mannen en van vrouwen. Cijfers hoger dan 1,0 geven aan dat mannen op de desbetreffende leeftijd een hogere sterfte hebben dan vrouwen; cijfers beneden de 1,0 wijzen op lagere sterfte van mannen. De mate waarin de sterfte van mannen en vrouwen van elkaar afwijkt is door verschillende kleurarceringen weergegeven. We zien in deze figuur dat in de afgelopen anderhalve eeuw mannen over het algemeen hogere sterfterisico’s hebben gelopen dan vrouwen. In de 19e eeuw was tussen de veertig- en de zeventigjarige leeftijd de sterftekans van de man tien tot dertig procent hoger dan die van de vrouw. Tussen de zeventig- en de negentigjarige leeftijd ontliepen de sterftekansen elkaar in relatieve zin minder. Dat is niet verbazingwekkend als we de hoogte van de sterftekansen voor ogen houden en ons realiseren dat per definitie de kans op overlijden maximaal honderd procent is. De hoogtekaart legt op fraaie wijze structurele veranderingen in de verhouding tussen de sterftekansen van mannen en vrouwen bloot. Van betrekkelijk recente datum is de sterke stijging van de ongevallensterfte onder jonge mannen vanaf de jaren vijftig. Als gevolg daarvan is de sterftekans van mannen tussen de 16 en de 26 jaar in de jaren zestig en zeventig twee tot drie keer zo groot als die onder vrouwen. Ook de ontwikkeling van de sterfteverschillen boven de 55 jaar is opmerkelijk. Vanaf het begin van de jaren vijftig stijgen de sterftekansen van mannen, in eerste instantie onder degenen tussen 55 en 65. Mannen lopen op deze leeftijden in de jaren zestig een twee keer zo grote kans om te overlijden dan vrouwen. In de loop van de tijd verschuiven de leeftijden waarop een dergelijke oversterfte zich voordoet. Uiteindelijk zijn alleen bij leeftijden tussen 65 en 75 jaar verschillen in deze orde van grootte zichtbaar. Dan openbaren zich de langetermijngevolgen van de verbreiding van de sigarettenconsumptie onder mannen vanaf het midden van de jaren twintig. Enkele decennia later komt dan immers de klap: het aantal sterfgevallen aan longkanker en hartziekten stijgt. Minder bekend dan deze beide trends zijn twee ontwikkelingen die hun oorsprong hadden vóór het midden van de 19e eeuw. In beide gevallen gaat het om situaties waarin vrouwen, afwijkend van het gebruikelijke patroon, hogere sterftekansen hadden dan mannen. Lange tijd hadden vrouwen tussen het vijfentwintigste en het vijfenveertigste levensjaar hogere overlijdensrisico’s dan mannen. De oversterfte van vrouwen blijft op deze leeftijden onverminderd hoog tot het einde van de jaren dertig en verdwijnt vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog. Voor een deel (zo’n tien tot twaalf procent) hielden sterfgevallen op deze leeftijden direct verband met de risico’s die vastzaten aan zwangerschap en bevalling. Pas aan het einde van de jaren dertig is de moedersterfte afgenomen, onder meer door de introductie van penicilline en sulfonamide en de invoering van bloedtransfusie.

Jonge meisjes

Hogere risico’s op overlijden treffen we ook aan bij jonge meisjes. Tot circa 1920 hadden meisjes tussen de acht en zestien jaar hogere sterftekansen dan jongens, terwijl op leeftijden tussen vier en acht jaar de sterftekansen ongeveer gelijk waren. Het is een verschijnsel dat maar zeer geleidelijk en allereerst op de jongere leeftijden verdwijnt. Deze hogere sterfte van jonge meisjes is heden ten dage ook nog aanwezig in ontwikkelingslanden. Onderzoek van de VN op basis van recente gegevens voor 82 ontwikkelingslanden heeft uitgewezen dat in Zuid-Azië, en in mindere mate in Noord-Afrika en West-Azië, oversterfte van meisjes tussen één en vijf jaar nog steeds gebruikelijk is. Deze hoge sterftekansen van jonge meisjes hebben in het afgelopen decennium een plaats gekregen op de internationale politieke agenda omdat ze erop wijzen dat de belangen van vrouwen op het terrein van gezondheid, opleiding, voeding en zorg in het gezin onvoldoende aandacht krijgen. Zowel de bovenstaande hoogtekaart als ook andere studies wijzen uit dat de situatie in de huidige ontwikkelingslanden overeenkomt met de toestand die tot de jaren dertig gebruikelijk was in de landen van West- en Noord-Europa. Ook in Europa waren tot het begin van de 20e eeuw vrouwen van bepaalde vormen van onderwijs uitgesloten en hadden ze een minder gunstige wettelijke, sociale en economische positie. Jonge meisjes liepen dus hogere sterfterisico’s dan op grond van biologische verschillen te verwachten viel. Sekseverschillen in sterfte lenen zich bij uitstek voor een interdisciplinaire aanpak. Niet alleen biologische- en omgevingsfactoren spelen een rol. Ook historisch inzicht in de verschillen in de positie van mannen en vrouwen is onontbeerlijk. Voor het inzichtelijk maken, interpreteren en begrijpen van de trends in deze verschillen zijn demografische hoogtekaarten van groot belang. De statistiek van de doden is de thermometer voor de ontwikkeling van de volksgezondheid en een indicator voor de mate van sociale gelijkheid in de samenleving.

Dit artikel is een publicatie van Natuurwetenschap & Techniek.
© Natuurwetenschap & Techniek, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 30 maart 2000

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.