Je leest:

‘De sociale omgeving heeft een ongekende invloed op ons erfelijk materiaal.’

‘De sociale omgeving heeft een ongekende invloed op ons erfelijk materiaal.’

Auteur: | 1 september 2012

‘Resusapen lijken misschien wel meer op mensen dan chimpansees of bonobo’s,’ zegt Steve Suomi. Als psycholoog werkt hij al bijna dertig jaar bij het Amerikaanse overheidsinstituut dat de jeugdgezondheid onderzoekt, het National Institute of Child Health and Human Development, in Bethesda, Maryland. Kinderen ziet hij daar niet of nauwelijks. Resusapen des te meer.

‘Deze apen delen “slechts” 95% van hun dna met mensen,’ vertelt Suomi. ‘Chimpansees en bonobo’s hebben wel 98 tot 99% van hun dna met ons gemeen. Toch zijn resusapen na mensen de meest succesvolle primaten op aarde. Hoe dat komt? Ze zijn net als mensen heel flexibel. Of je ze nu in hun natuurlijke omgeving in Azië zet, of in onze proefdierfaciliteit in Maryland, overal weten ze zich te redden, onder alle klimatologische omstandigheden. Toen de orkaan Katrina in 2005 het zuiden van de vs teisterde, werd ook een proefdierfaciliteit, even ten noorden van New Orleans, met drieduizend resusapen geraakt. Alle hekken werden omvergeblazen, maar niet één aap raakte gewond. Ze schuilden gewoon met z’n allen in de grote, betonnen rioolbuizen die in hun verblijven lagen om de dieren schaduw te bieden tegen de zon. Toen de orkaan was overgetrokken, kwamen ze allemaal weer naar buiten en gingen rustig zitten wachten tot de verzorgers weer zouden komen met hun ontbijt.’

Professor Stephen Suomi, psycholoog bij de Amerikaanse National Institutes of Health.
Eigen archief Prof. Stephen Suomi, National Institute of Child Health and Human Development

Onder de ruim 400 resusapen die Suomi nu al bijna dertig jaar bestudeert, zit een aantal opvallende basiskarakters, vertelt hij. ‘Ongeveer 20% van onze apen, of ze nu leven onder “laboratoriumomstandigheden”, of in onze meer natuurlijke faciliteit, zou je kunnen omschrijven als angstig. Anders dan de meeste van hun soortgenoten stappen zij niet nieuwsgierig op onbekende situaties af. Ze zijn dan juist bang en gestrest. Dat kunnen we ook meten in de niveaus van het hormoon cortisol in hun bloed en hun speeksel. Een andere 5 tot 10% van de dieren is juist erg impulsief. Die doen ronduit stomme dingen die andere apen niet in hun hoofd zouden halen, zoals dominante dieren uitdagen. Als ze dan een lel krijgen van een dominant dier, leren ze daar ook nauwelijks van. Ze dagen zo’n dier gewoon wéér uit. Ze zijn bovendien ook veel agressiever tegenover dieren die lager in rang zijn. En ook deze karaktereigenschap kunnen we meten in hun bloed, in de vorm van lage niveaus van de neurotransmitter serotonine.’

Moederskindjes

Natuurlijke groepen resusapen, van tientallen tot zelfs enkele honderden individuen zijn georganiseerd rondom dominante vrouwtjes. Daarnaast is er ook een hiërarchie tussen families. Een rang-laag dier uit een dominant gezin is dominant over een rang-hoog dier uit een lager gezin. ‘Die sociale structuur is belangrijk in de opvoeding van de dieren,’ benadrukt Suomi. ‘In de eerste maanden is het bijvoorbeeld belangrijk dat de jongen bij de moeder blijven. In een later stadium leren jonge resusapen ook veel van hun generatiegenoten. Dit maakt deze dieren ook heel geschikt om als model te dienen voor de moeder-kindband bij mensen en voor de effecten van sociale structuur.’

Resusapen vormen een goed model om de moederkindband te bestuderen.
Schutterstock

Suomi en collega’s grijpen soms in op die belangrijke sociale structuren, op een manier zoals je alleen bij proefdieren kunt doen. ‘Als we jonge dieren in een heel vroeg stadium bij de moeder weghalen en laten opgroeien met alleen maar leeftijdgenoten, ontwikkelen ze afwijkend speelgedrag. Ze zijn ook banger, net als die 20% van de dieren die van nature bovengemiddeld bang zijn. Ze vertonen ook hetzelfde hormoonpatroon als die natuurlijke bangerds. Daarnaast ziet hun agressieregulatie eruit als bij die 10% van de dieren die impulsief zijn. En ook dat gedrag is in hun serotoninespiegels terug te vinden. We hebben zelfs een “alcoholismeonderzoek” opgezet met deze dieren. Het blijkt dat deze apen na een verstoorde opvoeding letterlijk alcoholisme ontwikkelen als je ze verschillende dranken aanbiedt, waar normale apen een gezond drinkpatroon laten zien.’

Moeder dempt afwijkingen

De manier van opvoeding blijkt niet alleen invloed te hebben op het zichtbare gedrag en op de hormonen en signaalstoffen in de hersenen. Ook wanneer de hersenactiviteit in een scanner in beeld wordt gebracht, zien de jongen die zonder moeder zijn grootgebracht er heel anders uit. De grootste schok voor Suomi en zijn collega’s kwam evenwel uit genetisch onderzoek. ‘We hebben in het bloed van deze dieren gekeken naar de expressie van genen, met andere woorden, staan specifieke genen aan of staan ze uit. Het blijkt dat een dier dat zonder moeder is grootgebracht, op volwassen leeftijd niet minder dan 4.400 genen anders aan of uit heeft staan dan bij een normaal opgevoed dier. Let wel: dat gaat dus om een vijfde van alle genen van een resusaap.’ De aan-uitschakelaars zijn niet willekeurig veranderd, benadrukt Suomi. ‘We zien gerichte veranderingen in de genen die te maken hebben met stressregulatie, en ook in genen die bij mensen te maken hebben met depressie en agressieregulatie.’

Volgens de onderzoeker tonen deze resultaten ook dat er een duidelijke interactie is tussen de genen en de opvoeding. ‘Apen met een afwijkend gen voor de serotoninestofwisseling ondervonden geen enkel probleem wanneer ze door hun moeder waren opgevoed. Maar als ze zonder moeder waren grootgebracht, tussen alleen maar leeftijdgenoten, dan liep hun serotoninehuishouding in het honderd. Iets vergelijkbaars zagen we met afwijkende agressie en alcoholisme onder de aapjes. Een genetische aanleg voor overmatige agressie of voor de ’resusversie’ van alcoholisme, kon worden gemaskeerd door een goede opvoeding. De problemen kwamen volop aan het licht wanneer de dieren een afwijkende opvoeding kregen.’

Door dit maskerende effect is het volgens Suomi heel goed mogelijk dat een bepaald gen en de bijbehorende problemen generatie na generatie onzichtbaar blijven in het gedrag van de kinderen en de kleinkinderen en hun kinderen. ‘Totdat er een keer iets mis gaat in de ontwikkelingsfase, en het slechte effect van een gen niet meer wordt gedempt door goede sociale omstandigheden. Dit soort zogenoemde epigenetica kan dus over generaties heen effecten hebben.’

Medicijn

Nu Suomi weet dat de manier van opvoeden een groot effect kan hebben op de manier waarop genen tot expressie komen, wil hij de komende jaren ook onderzoeken of hij die effecten kan omkeren. ‘De eenvoudigste manier om bijvoorbeeld een afwijkende serotoninehuishouding te sturen is via antidepressiva. Maar ik vind het spannender om te zien of we de veranderingen in de hersenen, in de hormonen en in de genen ook daadwerkelijk kunnen terugdraaien,’ vertelt Suomi opgetogen. ‘We hebben in onze apengroep bijvoorbeeld ontdekt dat oogcontact tussen moeder en kind de eerste drie weken extreem belangrijk is. Daarna leren de jongen juist om oogcontact te mijden. Maar in die eerste drie weken kunnen we de hersenactiviteit van jonge resusaapjes ook daadwerkelijk sturen door ze te laten imiteren. Een aapje dat me aankijkt zal zijn tong naar me uitsteken als ik dat een paar keer voordoe. Dat gedrag kunnen we vervolgens ook zichtbaar maken via de elektrische activiteit in de hersenen. Misschien is dit dus een manier om al heel vroeg in te grijpen, niet alleen op de hersenontwikkeling, maar ook op de ontwikkeling van het gedrag in het latere leven.’

Oogcontact is een cruciaal instrument in de opvoeding.
Schutterstock

Hoe sterk de resusaapjes volgens Suomi ook op mensen lijken, toch wil hij nog geen uitspraken doen over mogelijke anti-agressietherapie bij mensen die een gebrekkige ontwikkeling hebben doorgemaakt in hun jeugd. ‘Maar dat hier een groot potentieel ligt, is wel duidelijk.’

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 september 2012

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.