Je leest:

De scheiding tussen moskee en staat

De scheiding tussen moskee en staat

Auteur: | 10 januari 2007

Islamisten menen dat er geen scheiding bestaat tussen religie en politiek. Volgens antropoloog Ahmad ligt de oorsprong van dit denken niet in de islam als godsdienst, maar in de groeiende macht en invloed van de staat in de vroege twintigste eeuw. Dat blijkt uit onderzoek naar de ideologie van Abul Ala Maududi, inspirator van verschillende islamistische bewegingen en grondlegger van de Indiase Jamaat-e-Islami.

Het is alweer even geleden dat Abu Jahjah, voorman van de Arabisch-Europese Liga, veel stof deed opwaaien. Abu Jahjah is inmiddels vertrokken naar Libanon, maar er was een tijd waarin hij bijna dagelijks op televisie te zien was. Vaak werd het vuur hem aan de schenen gelegd. Tegenstanders vroegen hem of de islam en politiek wel samen gaan en of hij de seculiere democratie niet direct zou inruilen voor een islamitische staat als hij aan de macht zou komen. Er werd hem voor de voeten gegooid dat de Koran geen scheiding maakt tussen moskee en staat, en dat daarom een islamitisch geïnspireerde politieke partij wezenlijk verschilde van een christelijke politieke partij, die wel de scheiding tussen kerk en staat respecteert. Maar zijn deze beschuldigingen terecht? Hoe zit het met de scheiding tussen religie en politiek in de islam?

Veel sociale wetenschappers menen dat de islam en het christendom een fundamenteel andere houding tegenover de staat hebben. Wetenschappers als Ernest Gellner en Bernard Lewis menen dat er in het Westen sinds de Verlichting een scheiding tussen kerk en staat is, maar dat de heilige geschriften van de islam geen ruimte laten voor zo’n scheiding. In het Europa van de achttiende eeuw, tijdens de Verlichting, kwam er steeds meer kritiek op de macht van de kerk. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een politiek systeem waarin kerk en staat zich niet met elkaar bemoeien en elkaar niet de regels voorschrijven. In het christelijke westen is dus ruimte gemaakt voor de scheiding tussen kerk en staat en heeft het christendom de scheiding tussen de religieuze en wereldlijke macht erkent. Deze wetenschappers kunnen die scheiding tussen religieuze en wereldlijke macht bij de islam niet vinden. Volgens hen is er binnen de islam geen scheiding tussen moskee en staat, tussen religie en politiek. Ze komen tot deze conclusie door te onderzoeken wat de Koran en de hadith, de overlevering van uitspraken en handelingen van de profeet, hierover zeggen. Om de islam en het islamisme te begrijpen kijken deze wetenschappers dus naar wat de heilige geschriften zeggen.

Ernest Gellner (links) heeft zich als antropoloog en filosoof beziggehouden met verschillende moderne ideologieën. Hij is vooral bekend geworden met zijn ideeën over nationalisme (uit het boek Nations and Nationalism 1983). Bernard Lewis is een invloedrijke historicus die zich bezighoudt met Islam, het Midden-Oosten en Turkije. Hij heeft onder andere Islam and the West (1993) en What went wrong? The clash between Islam and Modernity in the Middle East (2002) geschreven.

‘Kijk niet alleen naar de Koran’

Het kan ook anders. Dat vindt Irfan Ahmad, antropoloog bij het International Institute for the Study of Islam in de Modern World (ISIM). Hij meent dat je, om de rol van politiek in de islam te begrijpen, niet naar de Koran moet kijken, maar juist naar de recente geschiedenis. Ahmad maakt een onderscheid tussen de islam, de religie, en het islamisme, de politieke islam. Lang niet alle moslims wijzen de scheiding tussen moskee en staat af. Maar onder islamisten speelt de eenheid van politiek en religie wel een belangrijke rol. Uit zijn studie naar Indiase islamistische bewegingen blijkt dat moskee en staat nauw met elkaar verweven zijn, maar dat dat niet komt door de Koran of de uitspraken van de profeet Mohammed.

‘Het ligt niet aan de theologie van de islam dat de staat een centrale rol speelt in het islamisme,’ meent Ahmad. Dit is volgens hem eerder het resultaat van de macht van de staat in het begin van de twintigste eeuw. Koloniale staten zoals India breidden toen op een ongekende manier hun invloed uit en de tentakels van de staat reikten tot diep in het alledaagse leven. Het islamisme is een politieke ideologie die is ontstaan als reactie op het ontstaan van zulke moderne staten. Omdat ze zich verzetten tegen de staat, is het volgens Ahmad ook niet meer dan logisch dat de staat in het centrum van de aandacht kwam te staan. ‘Het is dus niet zo dat de centrale rol van de staat in het islamistisch denken wordt veroorzaakt door de islam als godsdienst. Het is net andersom: juist de ongewone expansie van de staat en de stempel die het op bijna alle aspecten van het leven drukte, heeft de islamisten ertoe gedreven om de staat in het centrum van de godsdienst te plaatsen.’

Abul Ali Maududi (1903-1979)

Het gedachtegoed van Maududi

Om erachter te komen hoe het precies zit met de scheiding tussen moskee en staat, is Ahmad diep in het gedachtegoed van Abul Ala Maududi gedoken. Maududi (1903-1979) is één van de belangrijkste islamistische denkers. Hij is de oprichter van de islamistische Jamaat-e-Islami beweging in India en Pakistan en heeft islamistische bewegingen in de hele Arabische wereld beïnvloed.

Maududi groeide op in de tijd van Gandhi en de onafhankelijkheidsstrijd. Als jonge man was hij een trouwe aanhanger van Gandhi’s Indiase Congrespartij. Maar al gauw raakte hij teleurgesteld, omdat Maududi geloofde dat de partij meer opkwam voor de Indiase hindoes dan voor de moslims. Hij maakte zich zorgen over de tanende macht van moslims in India en richtte een krant op om zich te verzetten tegen wat hij een ‘Hindoe Raj’ (hindoe heerschappij) noemde. Hij vond bijvoorbeeld dat de hindoecultuur werd opgedrongen aan moslimscholieren: een school heette een Vidya Mandir (tempel); scholieren werden verplicht in een dhoti, een kledingstuk voor hindoe mannen, te lopen; en ze moesten het anti-islamitisch Sanskrit (Hindoetaal) volkslied zingen. Ook vond Maududi dat de taal die door veel Indiase moslims werd gesproken, het Urdu, werd gemarginaliseerd. Deze protesten hebben allemaal te maken met de macht die de staat uitoefende op het onderwijs en het dagelijkse leven.

Een dhoti – het kledingstuk dat Maududi niet geschikt vond voor moslim scholieren.

‘Een staat van heidense moslims’

Er waren meer moslims die zich zorgen maakten over hun positie in het nieuwe onafhankelijke India. De belangrijkste moslimpartij, de Moslim Bond, streefde naar een apart land voor moslims: Pakistan. Toch bestonden er tussen de Moslim Bond en Maududi weinig warme gevoelens. Integendeel, Maududi verzette zich juist tegen deze partij die hij ‘on-islamitisch’ vond. De Moslim Bond wilde namelijk een seculier Pakistan. Maududi stak zijn kritiek niet onder stoelen of banken: hij noemde de Bond ‘een partij van goddelozen’ die niets wisten van de islam en nalieten de Koran te reciteren tijdens hun bijeenkomsten. Een Pakistan zonder shari’a zou volgens Maududi een ongelovig land worden, een ‘staat van heidense moslims’. Als alternatief voor Gandhi’s moslim én hindoe natie, en voor het seculiere Pakistan van de Moslim Bond, richtte Maududi in 1941 de Jamaat-e-Islami op. Het doel: een islamitische staat. De oprichting van de Jamaat kwam dus voort uit Maududi’s protest tegen de ‘Hindoe Raj’ en de ‘Partij van Goddelozen’.

In 1947 werd Pakistan opgericht om Indiase moslims hun eigen staat te geven. Tot dan toe was het onderdeel geweest van het Britse Koloniale Rijk. De oprichting van Pakistan bracht een volksverhuizing teweeg van miljoenen moslims die naar Pakistan vertrokken en hindoes die deze regio verlieten.

Een nieuwe ideologie

Tot Maududi’s grote verbazing waren maar weinig mensen enthousiast over zijn ideeën. ‘Maududi realiseerde zich dat hij alleen steun van moslims zou krijgen als hij bewees dat de staat volgens de Koran en de hadith de basis vormde van de islam,’ aldus Ahmad. Dit was de geboorte van een radicaal nieuwe ideologie.

Het belangrijkste werk van Maududi is De vier fundamentele begrippen van de Koran uit 1941. Hierin geeft hij zijn eigen interpretatie van vier woorden uit de Koran: ilah (Allah), rabb (Heer), ibadat (verering) en deen (religie). Volgens Maududi’s filosofie vormen de spirituele wereld en de wereldse politiek samen één organisch geheel. Allah moet dus niet alleen worden aanbeden als bovennatuurlijke god, maar ook als heerser en wetgever in de politieke arena. Politiek en Allah zijn twee kanten van dezelfde munt, en daarom is het on-islamitisch om een politiek leider te hebben die regeert volgens nationaal recht in plaats van volgens Allah’s wetten. Veel begrippen uit de Koran kregen van Maududi een nieuwe betekenis. Hij interpreteerde ze zo, dat het vereren van Allah gelijk kwam te staan aan het vechten voor een islamitische staat.

Maududi heeft in zijn werk veel begrippen uit de Koran opnieuwd geinterpreteerd. Zo interpreteert hij het Koran woord taghoot op een nieuwe manier: het verwijst volgens hem niet alleen naar Satan, maar naar elke politieke staatsvorm die niet is gebaseerd op Allah’s heerschappij.

Het belang van de recente geschiedenis

Omdat Maudidi’s streven naar een niet-seculier Pakistan eerst weinig succes had, keerde hij zich tot de Koran om zo zijn idealen kracht bij te zetten en moslims te overtuigen. Hij interpreteerde de Koran op zo’n manier dat Allah en politiek niet los van elkaar konden worden gezien. Volgens Maududi was een scheiding tussen moskee en staat dan ook on-islamitisch. Mensen die zeggen dat de Koran geen onderscheid tussen moskee en staat kent, volgen de ideeën van Maududi. Maar zijn interpretaties worden natuurlijk niet door iedereen gedeeld. Bovendien vergeten wetenschappers (en critici van het islamisme) te kijken naar de omstandigheden waarin zijn ideeën ontstonden. Maududi interpreteerde de Koran niet op een nieuwe manier omdat hij plotseling een spirituele openbaring kreeg, maar omdat de lokale omstandigheden (namelijk het gevecht om politieke staatsmacht tijdens de Indiase onafhankelijkheidstrijd) hem hiertoe brachten.

Wat Ahmad hier interessant aan vindt is dat ‘Maududi zijn theorieën introduceerde onder het mom van een terugkeer naar de ware, ’pure’ islam,’ terwijl de interpretaties eigenlijk erg vernieuwend en modern waren. Ze ontstonden immers als reactie op de Indiase onafhankelijkheidspolitiek. Het waren hele concrete politieke ontwikkelingen die Maududi brachten tot het samen laten smelten van moskee en staat. Om islamisten te doorgronden is het volgens Ahmad dan ook belangrijk om de Koran te bestuderen, maar is het nog veel belangrijker om de politieke context te begrijpen waarin religieuze interpretaties ontstaan en veranderen.

Irfan Ahmad promoveerde in 2005 aan de Universiteit van Amsterdam met zijn proefschrift over de Jamaat-e-Islami en is momenteel verbonden aan het ISIM. Hier doet hij onderzoek naar de interne debatten en kritiek binnen de Jamaat-e-Islami beweging.

Bron:

Irfan Ahmad. ‘The State in Islamist Thought.’ ISIM Review 18 (2006).

Dit artikel is een publicatie van International Institute for the Study of Islam in the Modern World (ISIM).
© International Institute for the Study of Islam in the Modern World (ISIM), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 10 januari 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.