Je leest:

De samenleving als jazzband

De samenleving als jazzband

Hans Boutellier over de improvisatiemaatschappij

Hans Boutellier ziet bij bestuurders en professionals ‘een ontzettende verlegenheid’. Terwijl dat helemaal niet nodig is. In zijn nieuwe boek ‘De improvisatiemaatschappij’ onderzoekt Boutellier de chemie van een samenleving die telkens weer op haar voeten landt. ‘We vinden dag in dag uit op allerlei plekken oplossingen.’

Small
Verweij-Jonker Instituut

Hij heeft er telkens negen jaar voor nodig, maar dan heb je ook wat. Na Solidariteit en slachtofferschap. De morele betekenis van criminaliteit in een postmoderne cultuur (1993) en De veiligheidsutopie. Hedendaags onbehagen en verlangen rond misdaad en straf (2002) – beide juichend besproken – publiceerde Hans Boutellier afgelopen december De improvisatiemaatschappij. Het zijn alle drie boeken die je als lezer grip geven op de wereld om je heen. Waar je als burger en als professional wellicht soms bezorgd het hoofd schudt over de samenleving, biedt Boutellier houvast.

Mooier nog: in De improvisatiemaatschappij geeft hij zelfs hoop. De directeur van het Verwey-Jonker Instituut en bijzonder hoogleraar veiligheid en burgerschap vindt het tijd voor een tegengeluid tegen het cultuurpessimisme.

“Ik ben altijd op zoek geweest naar aanknopingspunten voor verbetering. Dat zat al in Solidariteit en slachtofferschap; toentertijd maakten we ons al zorgen over de amorele samenleving. Maar ik vond dat we elkaar nog wel vonden in de aandacht voor het slachtoffer. Uit De veiligheidsutopie kon je concluderen dat we in ieder geval een behoefte aan veiligheid deelden. Met De improvisatiemaatschappij kom ik eigenlijk tot de conclusie dat – hoewel we dat niet lijken te ervaren – de sociale orde er in belangrijke mate gewoon is, telkens weer ontstaat.”

Tegen wie wilt u dat met name zeggen?

“Tegen wat de filosoof Gramsci ‘de organische intellectueel’ noemt. Dat is de bestuurder, de leerkracht, de jongerenwerker, de journalist. Alle personen die vorm en betekenis geven aan de samenleving die we zijn. Mensen die zich op een enigszins reflectieve manier met een praktijk bezighouden. Ik meen een sociale orde te zien, en die heb ik wetenschappelijk gefundeerd willen beschrijven. En daarmee kun je wellicht nieuwe praktijken ontwikkelen of bestaande praktijken versterken.”

Hebben die organische intellectuelen die boodschap dan nodig?

“Ze snakken ernaar, echt waar. Ik kom bij bestuurders, professionals een ontzettende verlegenheid tegen, gebrek aan richting, ze weten vaak niet wat te doen. Het idee dat het allemaal zo ontzettend complex is, dat het zo moeilijk is om de goede beslissing te nemen. Die verlamming is heel, heel breed.”

Ordenen

Boutellier laat in De improvisatiemaatschappij precies zien hoe politiek, overheid en publieke sector in de afgelopen tien jaar voortdurend getracht hebben meer orde in de maatschappij aan te brengen. Hij noemt het ’ordeningsprogramma’s’ en gaat in op de normen-en-waardencampagne, de behoefte aan meer veiligheid en de roep om actief burgerschap. Alle drie zijn het volgens Boutellier pogingen om de ervaren complexiteit en het gevoel van wanorde te beheersen; maar met zeer wisselend succes.

“Het normen-en-waardenverhaal van Balkenende – ik noem het ‘beschavingsdefensief’ – is faliekant mislukt. Zo’n groot, top-down verhaal werkt niet in deze samenleving. En dat actieve burgerschap draagt nog steeds teveel spanningen in zich. Er wordt meestal op een te instrumentele manier naar burgers gekeken. Alleen van het veiligheidsprogramma zou je kunnen zeggen dat het in een bepaalde mate geslaagd is. Veiligheid is op dit moment een leitmotiv in onze samenleving. Overigens met allerlei nadelen vandien.”

Komt dat succes doordat veiligheid iets is wat veel burgers zelf ook echt willen, terwijl normen en waarden en actief burgerschap vooral ideeën van de overheid zijn?

“Ja, dat vind ik een goede constatering. Het veiligheidsprogramma is iets wat door burgers zelf wordt gedragen. En dan pas zie je dat het kan werken. Ordening werkt pas, wordt pas geaccepteerd als het aansluit bij wat burgers doen en willen. Zo werkt de improvisatiemaatschappij.”

Small
JB London

Wat bedoelt u als u ‘improvisatiemaatschappij’ zegt?

“Ik heb lang gezocht naar deze benaming. Er is in deze tijd sprake van een enorme complexiteit en fluïditeit waardoor de maatschappij chaotisch, problematisch en paniekerig kan overkomen. Tegelijkertijd is er sociale orde, wordt die iedere dag weer opnieuw in allerlei vormen van verkeer tussen mensen bevestigd, ontstaat die ook telkens weer, wordt er afgestemd. Ik vind dat je het kunt vergelijken met een jazzband. Er liggen onder de drukte, de snelheid, de kakofonie nog steeds ritmes: regels die ervoor zorgen dat er richting ontstaat. Dat zie je dus rondom veiligheid.”

U vindt Wilders maar ook Opstelten dan dus knappe politici. Mensen die het ritme van de samenleving aanvoelen.

Na enige denktijd: “Vanuit een moreel politiek standpunt zou je dat kunnen zeggen.” Weer even stil. “Het is denk ik goed om uit te leggen wat improvisatie is. Je kunt alleen improviseren als iedereen een duidelijke rol heeft. Als je samenspeelt, als er een motief en een basisritme aan ten grondslag liggen. Een jazzimprovisatie ontstaat vanuit een heel strakke organisatie, maar is daarbinnen vervolgens heel spontaan. Een goed jazzoptreden is georganiseerde vrijheid, ieder nummer keert telkens weer terug in een bepaald motief. Daar moet een bestuurder, de politicus op kunnen aansluiten, op het ritme dat speelt.”

Ik zou denken dat die bestuurder de bassist of de drummer is, die legt het ritme neer.

“Dat kan, maar dat wisselt telkens. Er ontstaan telkens weer andere krachtsverhoudingen, vormen van samenspel waarbij ieder keer een andere partij de lead heeft. Dat kan dus ook de burger zijn. Een bestuurder moet daarin kunnen meebewegen, de kunst van het improviseren beheersen. Maar dat geldt overigens ook voor de professional en de burger. In een aantal steden zie je het rondom buurtbemiddeling werken, vind ik. Dat iedere betrokkene het gevoel heeft ‘dit klopt’… Zo’n term is wetenschappelijk hartstikke dubieus – ik weet het – maar het is er wel, het swingt. Eberhard van der Laan is overigens in dezen ook een intrigerend bestuurder. Die is nu aan de slag gegaan met de veelplegersaanpak en dan zie je dat hij al die betrokken partijen aan zich weet te binden. Hij legt een dominant ritme neer waarin iedereen meegetrokken wordt.”

Klinkt wel vaag. Doet me denken aan de evaluaties van succesvolle, sociale projecten waarin dan staat dat een inspirerende trekker of zoiets essentieel is. Zijn we voor succesvol beleid zo van het toeval afhankelijk?

Small
Haags Uitburo

“Nee, het is juist geen toeval! Maar het is wel ontzettend lastig te benoemen, vast te pakken. Waarom klopt een bepaald jazznummer, dat samenspel, wat is daar gebeurd? Dat is niet alleen maar intuïtie. Dat intuïtieve, dat zogenaamd spontane van bijvoorbeeld een Van der Laan leunt op jarenlange ervaring en ideologische voeding. Het samenspel vraagt in ieder geval een paar zeer geoefende spelers.”

Rolverwarring

De analogie met de jazzband blijft Boutellier in het boek, maar ook gedurende het interview, vasthouden. Om als bestuurder, professional of burger rond sociale vraagstukken succesvol te opereren, moet je in de context waarin je werkt voortdurend afstemmen, aansluiten op wat er is, een gezamenlijk ritme vinden, durven improviseren. “Maar het is zeker niet volledige vrijheid. De bassist moet dus niet op de piano gaan spelen.”

Hoezo?

“Iedere betrokken partij moet – om goed te kunnen samenspelen – heel goed weten wat zijn of haar ‘praktijkkern’ is: ‘wat ben je?’, ‘wie ben je?’… De afgelopen jaren is er flink getrokken aan de woningcorporatie. Maar uiteindelijk is haar functie het leveren van goedkope huisvesting. Dat is de kern en van daaruit kun je gaan samenspelen met anderen. Wat je in onze horizontale samenleving ziet, is dat organisaties de neiging hebben om zich te bemoeien met zaken die helemaal niet bij hen horen. De politie die een kantoortje krijgt op een school, zoiets vind ik helemaal verkeerd.”

Uw collega Ybo Buruma van de Radboud Universiteit zei een jaar geleden in TSS (1-2 2010)1 dat hij zich zorgen maakte over de rolverwarring in de samenleving. De professional die achter de voordeur komt, terwijl dat de buurvrouw zou moeten zijn. De burger die in de buurt politieagent gaat spelen. Is dat ook wat u bedoelt?

Zuchtend: “Je maakt het me moeilijk, hoor. Die ‘achter de voordeur’-aanpak heb ik altijd verdedigd. Je moet ervoor zorgen dat als het ergens echt misgaat, de overheid nog wel kan winnen. Het gaat om proportionaliteit, het vinden van een balans. Je kunt beleid maken dat erop gericht is de samenleving zelf het werk te laten doen. Eigen Kracht-conferenties zijn een mooi voorbeeld. Dat je een proces creëert dat mensen vervolgens zelf in handen hebben. Leg een zacht, maar dwingend ritme neer. Maak dat wat er ontstaat, ook werkelijk van burgers is.”

Idealen

Hans Boutellier erkent dat hij geen makkelijk verhaal vertelt. “Dat kan ook niet, onze samenleving is ingewikkeld.” Maar als de samenleving zo uitdagend is, valt het op dat hij in zijn boek weinig aandacht besteedt aan onderwijs. Boutellier vertelt met smaak over de 74-jarige jazztrompettist die door decennialange scholing bijzonder kan improviseren. Hij werkt de onderliggende boodschap – het belang van scholing – echter niet uit.

Small
Gino Guarnere Photography

“Inderdaad, dat klopt. Ik vond dat niet in dit boek passen. Maar wat je ziet, is dat we het onderwijs ingewikkeld zijn gaan maken omdat de samenleving ingewikkeld is. Het competentiedenken vind ik een grote vergissing; ik zeg dat het onderwijs bij zijn kernfunctie moet blijven: overdracht. Dat je een basis levert, en vervolgens mensen leert om het maximale uit samenspel te halen. De vaardigheid volgt de kennis, en niet omgekeerd.”

Overdracht waarvan? Taal en rekenen? Of ook een bepaalde mentaliteit, bijvoorbeeld het ontwikkelen van empathie, wat u in uw boek belangrijk noemt.

“Het gaat in eerste instantie om kennis. Dat lijkt mij de inhoudelijke kern van het onderwijs. Daarin moet men de school erkennen, daarin moet de school goed zijn en gewaardeerd worden. Waar ik me zorgen over maak, is dat de school dat heeft losgelaten. Als kennisoverdracht je kernfunctie is, dan wordt orde in de klas dus ontzettend belangrijk. Als je dan nu op middelbare scholen rondkijkt en ziet wat er tijdens een les allemaal gebeurt in een klas: kletsen, sms’en, propjes schieten, enzovoort. En tegelijkertijd heb je dus leerkrachten bij wie dat niet gebeurt, waar het wel klopt.”

Ik vind kennisoverdracht wat dun, als u tegelijkertijd zegt dat het om ‘empathie’, om ‘afstemming’ gaat.

“Oké, wat impliciet heel sterk in het onderwijs zit, is het elkaar aanspreken. Afstemming vinden betekent elkaar aanspreken. ‘Wie ben jij?’, ‘Waarom doen jullie zo met elkaar?’, ‘Wat kun jij leveren?’, ‘Wie wil je zijn?’, ‘Wat zijn jouw idealen eigenlijk?’ Dat gebeurt iedere dag opnieuw im- en expliciet in heel veel klassen in Nederland en in veel te veel klassen ook niet. Terwijl we dat gesprek als samenleving wel nodig hebben.”

Waarom?

“Omdat die gerichtheid op veiligheid – die slachtoffermoraal die we nu hebben – te negatief is. Het is uiteindelijk te weinig als we ons alleen kunnen verenigen op wat we niet willen. Geen angst, geen problemen, geen geweld. Het genereert ook frustratie, omdat zo’n behoefte uiteindelijk nooit bevredigd kan worden. En het betrekt mensen niet bij de zaak. Ik denk dat mensen gezien willen worden, betekenisvol willen zijn en dat veel van de problemen die je nu ziet daaruit voortvloeien. Laten we veel vaker met elkaar praten over wat we wel willen.”

Het is typisch. Waar De improvisatiemaatschappij wil beschrijven hoe sociale ordening er wel degelijk is en telkens weer ontstaat, blijkt een gesprek over het boek al gauw weer te gaan over wat er ontbreekt in de samenleving, over wat er anders zou moeten. En wordt Boutellier zo toch weer de cultuurcriticus die hij eigenlijk niet wilde zijn.

“Kijk, ik los met dit boek geen enkel probleem op. Sterker nog: ik geef op veel plekken in het boek aan wat er volgens mij niet goed gaat. We hebben in deze samenleving te maken met allerlei uitwassen, met mensen die denken dat ze God geworden zijn, met jazzmuzikanten die niet meer weten dat ze de band nodig hebben. Maar tegelijkertijd vinden we dag in dag uit op allerlei plekken oplossingen, weten we te improviseren met de mensen en de middelen die in die situaties voorhanden zijn. Zijn er telkens weer initiatieven die al dan niet tijdelijk weten te binden, gebeurtenissen die kracht losmaken. Je kunt zeggen dat de problemen die we zien symptomen zijn van een zieke maatschappij, maar je kunt ook zeggen dat het uitwassen zijn van wat goed is, van wat werkt. En ik ben steeds meer tot de conclusie gekomen dat alleen het laatste uitgangspunt productief kan zijn.”

Literatuur

Piet-Hein Peeters is zelfstandig journalist.

1 TSS (1-2 2010)

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van TSS - Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.
© TSS - Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 februari 2011

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE