Je leest:

De rover stimuleert zijn prooibestand

De rover stimuleert zijn prooibestand

Auteur: | 29 mei 2008

Overbevissing van roofvis kan een ecologische gemeenschap zo veranderen dat herstel uitblijft. Met gericht vissen kan er een nieuw evenwicht worden bereikt.

Het begon twintig jaar geleden met het uitdunnen van visbestanden ten behoeve van de sportvisserij, en het eindigt met een publicatie in Science (316: 1744). Medeauteur van de paper, prof. Andre de Roos, theoretisch ecoloog aan de UvA, noemt het ‘een gelukkige samenloop van twee onderzoekslijnen’.

Sinds de jaren dertig van de vorige eeuw was de inheemse bruine forel vrijwel verdwenen uit het Takvatn meer in het noorden van Noorwegen. Overbevissing en het uitzetten van beekridder (een arctische forelsoort) hadden de ecologie van het meer duurzaam veranderd. Er zwommen veel beekridders van middelmatige grootte, en die 20 centimeter metende vissen konden de sportvissers niet bekoren.

Het idee was om de beekridderpopulatie uit te dunnen zodat de overgebleven exemplaren tot een groter formaat konden uitgroeien. In vijf jaar tijd werd ruim 31 ton beekridder weggevist. Het resultaat stemde tevreden: de overgebleven beekridders groeiden uit tot 35 a 50 centimeter. De Roos: ‘En men kreeg er onverwacht een gezonde populatie bruine forel erbij. Die roofvis vertegenwoordigt nu 15 procent van biomassa, terwijl het ervoor minder dan een procent was. Het meer is in deze samenstelling stabiel sinds men in 1989 is gestopt met wegvangen van beekridder.’

De Noorse onderzoekers hadden geregeld gepubliceerd over Takvatn, maar nooit een diepgaand verband gelegd met het onderzoek van De Roos, die in de datasets een paar interessante aanwijzingen zag. Na een uitgebreid onderzoek blijkt Takvatn een experimentele illustratie te leveren van de modelmatige verklaringen die hij al in 2002 publiceerde (De Roos & Persson, PNAS 99 (20): 12911).

Dat onderzoek geeft een verklaring voor het verschijnsel waarbij roofvispopulaties niet meer herstellen, zelfs als de visserijdruk is verminderd en er ogenschijnlijk ruim voldoende prooivissen rondzwemmen. De reden daarvoor is dat de grootteverdeling van de prooivissen ongunstig is. De Roos kon met zijn model het uitblijven van herstel van de kabeljauwstand bij Newfoundland verklaren uit veranderingen in de grootteverdeling in de loddepopulatie. Het ecosysteem is in een andere stabiele toestand terecht gekomen. Een controversiële oplossing, schreef hij toen, zou het wegvangen van lodde zijn, om de grootteverdeling in die populatie gunstiger te maken voor de kabeljauw.

Populatieherstel

Het experiment in Takvatn laat zien dat dat geen wilde gedachte was.

De Roos: ‘In Lake Takvatn was hetzelfde aan de hand als bij Newfoundland. De grootteverdeling van de beekridders was ongunstig voor bruine forel. Met het wegvangen verjongde de beekridderpopulatie en de vele kleine exemplaren vormden gunstig voedsel voor de bruine forel.’

De Bruine forel groeide in aantal en omvang, en die roofvispopulatie zorgde door predatie ervoor dat de grootteverdeling van beekridders in die gunstige toestand bleef. In plaats van een populatie met beekridders van vrijwel dezelfde middelmatige lengte ( een zogenaamde stunted populatie) zwemmen er nu veel kleine en veel grote exemplaren.

De Roos: ‘Die grote beekridderexemplaren produceren veel meer nakomelingen. Dat is eenvoudig te verklaren met biologische schalingswetten: tien vissen van een kilo verbruiken veel meer energie om zichzelf in stand te houden, dan één vis van tien kilo. De biomassa in het meer is weliswaar omlaag gegaan, maar de overgebleven exemplaren kunnen meer energie in de voortplanting steken. De jonge aanwas blijft dus komen, het is een nieuwe situatie die zichzelf in stand houdt. Dat is het vernieuwende van dit onderzoek.’

De resultaten laten zich zonder grondig onderzoek niet eenvoudig extrapoleren naar andere meren of zelfs zeeën. Toch ziet De Roos allerlei aanwijzingen dat het mogelijk een algemeen principe is, ook bij kabeljauwpopulaties in onze streken.

Het uitblijven van populatieherstel na overbevissing is daarmee niet alleen het directe gevolg van visserijdruk, maar mogelijk ook van veranderingen in prooipopulaties. Volgens De Roos wijst onderzoek in de Baltische zee in die richting. Er zit daar veel haring en sprot van middelmatige grootte, en weinig kabeljauw die bovendien niet erg groot wordt. Dun de prooivis uit en de kabeljauw profiteert; Zweedse onderzoekers van het Institute of Marine Research in Lysekil gaan dat idee de komende jaren experimenteel onderzoeken door in een deel van de Baltische zee sprot en haring weg te vissen.

Mogelijk resulteert dat over een paar jaar in een grotere kabeljauwpopulatie, met gemiddeld grotere exemplaren. De Roos: ‘Er wordt nog te vaak gedacht dat kabeljauw van een bepaalde leeftijd altijd een bepaalde gemiddelde grootte bereikt. Dat dat in de tijd kan veranderen, door veranderingen in het ecosysteem krijgt nog weinig aandacht. Groei van vis moeten we veel meer in relatie tot beschikbaarheid van voedsel en ecologische interacties gaan bekijken.’

Dit artikel is een publicatie van Bionieuws.
© Bionieuws, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 29 mei 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.