Je leest:

De psychologie van getuigen en daders

De psychologie van getuigen en daders

Auteur: | 15 juni 2006

De psychologie houdt zich van oudsher bezig met de waarneming en het geheugen van mensen. Dat zijn belangrijke thema’s als het gaat om de betrouwbaarheid van ooggetuigen. Over ooggetuigen en hun beperkingen weet de psychologie dus het nodige te zeggen. Ook kan zij een zinnige bijdrage leveren aan hoe liegende van waarheidsprekende verdachten zijn te onderscheiden. Dat alles maakt de psychologie interessant voor politiemensen en juristen.

Het gebeurde in april van dit jaar (2006) op klaarlichte dag. In de drukke hal van Centraal Station Brussel. De 17-jarige Joe van Holsbeeck zat op een muurtje. Terwijl hij daar wachtte op een vriendin die met de trein zou aankomen, werd van Holsbeeck door twee mannen aangesproken.

De mannen wilden zijn MP3 speler hebben. Van Holsbeeck weigerde het apparaatje af te staan. Daarop trok een van de mannen een mes en stak het in van Holsbeeck’s hart. Een paar uur later overleed hij aan zijn verwonding. In België sprak men al snel van de MP3 moord. De zaak hield de gemoederen flink bezig. Een paar dagen na de moord gingen er 80.000 mensen de straat om te betogen tegen zinloos geweld.

Stereotypen

Hoe tragisch de MP3 zaak ook is, voor psychologen die zich met het recht bezighouden (rechtspsychologen) zitten er fascinerende kanten aan. Een daarvan is wat getuigen van het drama aanvankelijk vertelden over de daders. Vierentwintig uur na de moord vroegen rechercheurs in de stationshal reizigers of ze de vorige dag iets hadden gezien van de moord. Dat leverde een twintigtal tips op. Een vaak terugkerende opmerking van getuigen was dat de daders oudere Marokkanen of in elk geval Noord-Afrikanen zouden zijn geweest.

Een politiewoordvoerder nam die typering al snel over en vertelde de kijkers van het Belgische nieuws dat de daders een Noord-Afrikaanse achtergrond hadden. De politie verspreidde ook foto’s van de daders. De Belgische politicus van Marokkaanse afkomst Fouad Ahadir liet de pers het volgende weten: “Ik probeer al een tijdje aan te kaarten dat steeds meer criminele Marokkaanse of Turkse jongeren slachtoffers uitkiezen die er als ongelovigen uitzien.” Wie, zoals deze politicus, heel stellige opvattingen over criminele buitenlanders erop nahoudt en dan kijkt naar de foto’s van de daders (zie afbeelding 1), zal er inderdaad makkelijk Marokkanen of Turken in zien.

Afbeelding 1: Wie, zoals deze politicus, heel stellige opvattingen over criminele buitenlanders erop nahoudt en dan kijkt naar de foto’s van de daders, zal er inderdaad makkelijk Marokkanen of Turken in zien.

Je op sleeptouw laten nemen door de stereotypen in je hoofd, kan echter tot behoorlijke missers leiden. Dat vonden we in eigen onderzoek. We lieten studenten kort kijken naar een groepsfoto van Surinaamse jongeren (afbeelding 2) of een groepsfoto van blanke jongeren (afbeelding 3). Vervolgens kregen de proefpersonen de instructie om niet langer aan de foto’s te denken. In plaats daarvan lazen ze een verhaal over een roofoverval op een jongeman. In het verhaal werd helemaal niets gezegd over de achtergrond van de daders. Nadat de proefpersonen het stuk hadden gelezen, gaven we hen een test om te kijken wat ze zich ervan konden herinneren.

Proefpersonen die heel kort de Surinaamse groep hadden gezien, herinnerden zich veel meer onjuiste details dan proefpersonen die de blanke groep hadden gezien. De onjuiste details die de eerste groep zich meende te herinneren lagen voornamelijk in de sfeer van de stereotypen: de dader had een donkere huidskleur, de dader sprak gebrekkig Nederlands enzovoorts, terwijl daar in het verhaal dus helemaal geen sprake van was. Het laat zien hoe stereotype opvattingen onze waarneming en onze herinnering kunnen vertroebelen.

Afbeelding 2: Proefpersonen die heel kort de Surinaamse groep hadden gezien bleken stereotyperingen toe te kennen aan een neutrale dader: de dader had een donkere huidskleur, de dader sprak gebrekkig Nederlands, enzovoorts.

Afbeelding 3: Proefpersonen die een groepsfoto van blanke jongeren hadden gezien, noemden deze stereotypen niet.

Uit Polen

Ook in de MP3 zaak speelden stereotypen een misleidende rol. Toen de eerste getuigenverklaringen weinig opleverden, ging de Belgische politie ertoe over om door een bewakingscamera gemaakte video-opnamen van de daders aan het publiek te tonen. Diverse scholieren herkenden hun schoolgenoten: de uit Polen afkomstige Adam G. (17 jaar) en Mariusz O. (16).

Hoe kan het dat de getuigen in de stationshal er zo naast zaten met hun typeringen van de daders (“oudere Marokkanen”)? Wat voor een aantal van hen zal hebben meegespeeld, is de afstand tot de plaats van het delict. Over hoe afstand de nauwkeurigheid van getuigenverklaringen kan aantasten bestaat in de psychologie veel onderzoek. Het komt er eigenlijk op neer dat met het groter worden van de afstand onze waarnemingen minder pixels hebben, waardoor het plaatje dat we opslaan minder gedetailleerd is.

Afbeelding 4 illustreert dit effect aan de hand van het gezicht van actrice Julia Roberts op minder dan 2 meter, op 13 meter en op 52 meter. Het beschrijven of herkennen van een gezicht dat zich 13 meter verder weg bevindt, is al moeilijk genoeg. Over een gezicht dat verder dan 20 meter is verwijderd, kan een getuige zichzelf en anderen veel wijsmaken. Dan doen veel getuigen door – zonder dat ze het door hebben – zich te verlaten op stereotypen: “dit is een brute overval door iemand met een getinte huidskleur, dus de dader zal wel een oudere Marokkaan zijn.”

Afbeelding 4: Het gezicht van Julia Roberts zoals je dat qua details zou waarnemen van 2, 13 en 52 meter.

Weapon focus

Ook de aanwezigheid van wapens of bloed legt beperkingen op aan wat ooggetuigen kunnen waarnemen. Zodra een geweer of een verwonding zichtbaar wordt, hebben ooggetuigen, maar ook slachtoffers de sterke neiging om daar alle aandacht op te richten. In de psychologie heet dat weapon focus. Onderzoek van de Groningse geheugenexpert dr. Ineke Wessel laat zien dat weapon focus ook consequenties heeft voor het geheugen van getuigen.

In haar experiment zagen sommige proefpersonen een meisje dat bloedend op een zebrapad lag (emotionele afbeelding). Andere proefpersonen zagen een meisje dat op haar handen over het zebrapad liep (opmerkelijk). En weer andere proefpersonen zagen een meisje dat op een gewone manier via het zebrapad de weg overstak (neutraal). In alle drie de afbeeldingen stond er rechts van het meisje een paarse fiets.

Met infrarood-apparatuur mat Wessel hoe mensen met hun ogen naar dit soort plaatjes kijken. Zoals de bovenste grafiek toont, fixeerden de mensen die een bloedend meisje zagen ook veel langer op het meisje en korter op de paarse fiets. Het gevolg daarvan is in de andere grafiek te zien: de proefpersonen die naar het bloedende meisje keken wisten later veel te vertellen over de kleur van haar shirt, maar veel minder over de kleur van haar fiets. Deze resultaten zijn belangrijk omdat ze verklaren hoe het toch komt dat mensen die met een wapen worden bedreigd later vaak een heel slecht signalement van de dader kunnen geven. Dat is geen onwil, maar een gevolg van hoe onze hersenen omgaan met zulke bedreigingen.

Afbeelding 5: Proefpersonen die naar de afbeelding keken van het meisje dat bloedend op het zebrapad lag, keken veel langer naar het meisje dan naar de fiets. Ze wisten later ook veel meer te vertellen over de kleur van haar bloesje dan over de kleur van haar fiets.

Onder kansniveau

Natuurlijk kunnen getuigen ook heel betrouwbaar zijn. Dat geldt vooral als ze niet met een wapen zijn bedreigd en dus geen last hebben van weapon focus. En als ze vanaf redelijk korte afstand het delict hebben gadegeslagen. Dan kunnen getuigen wel degelijk een goede beschrijving geven van wat er is gebeurd. Dat veronderstelt overigens wel dat zij vrij kort na de gebeurtenis op een open manier door de politie worden geïnterviewd.

Wie ook een uitstekend geheugen hebben voor delicten zijn psychopate daders. Dat heeft er alles mee te maken dat ze op een nogal koelbloedige en calculerende wijze te werk gaan. Psychopate daders zijn overigens ook meesters in het om de tuin leiden van anderen. Als psychopaten door de politie worden gepakt, is één van hun trucs vaak dat ze doen alsof ze aan geheugenverlies lijden. Daarmee proberen psychopaten op politie en rechtbank een positieve indruk te maken. Want de dader die zegt dat hij zich niks meer kan herinneren komt sympathieker over dan de dader die in geuren en kleuren gaat vertellen hoe hij zijn mes in de hartstreek van zijn slachtoffer stak. Bovendien: zeggen dat je last hebt van geheugenverlies heeft bijna altijd tot gevolg dat de rechtbank een psychiatrisch onderzoek gelast. De psychopate dader zal dan de gelegenheid te baat nemen om de psychiater een zielig verhaal te vertellen over zijn ongelukkige jeugd en zijn huidige problemen. In Nederland zijn er wel voorbeelden waarbij dat er uiteindelijk toe leidde dat de dader een mildere straf kreeg en soms zelfs vrijgesproken werd.

Als psychopaten door de politie worden gepakt, is één van hun trucs vaak dat ze doen alsof ze aan geheugenverlies lijden. Daarmee proberen psychopaten op politie en rechtbank een positieve indruk te maken. In Nederland zijn er wel voorbeelden waarbij dat er uiteindelijk toe leidde dat de dader een mildere straf kreeg en soms zelfs vrijgesproken werd.

Ook in de MP3 zaak beweerde de dader die met het mes had gestoken dat hij last had van geheugenverlies. Nu is het wel zo dat sommige daders echt aan geheugenverlies lijden. Dat kan komen omdat ze bepaalde medicijnen of drugs gebruiken, omdat ze vlak voor het delict een hersenbeschadiging opliepen of omdat ze een neurologische ziekte hebben (bijvoorbeeld epilepsie). In de rechtspsychologie bestaan er methoden om erachter te komen of het geheugenverlies dat de dader zegt te hebben wel of niet echt is. Een daarvan lijkt op de leugendetector en komt, kort gezegd, hierop neer: de dader moet een reeks van meerkeuzevragen beantwoorden over het delict. Tegen de dader wordt gezegd dat hij moet gokken als hij het goede antwoord niet kent. Stel dat het gaat om een delict waarbij het slachtoffer met een mes in het hart werd gestoken en vervolgens van zijn witte MP3 speler werd beroofd. De vragen zijn dan van het type:

-Het slachtoffer werd verwond met 1. een pistool; 2. een schroevendraaier; 3. een mes; 4. een bijl.

-Het slachtoffer werd beroofd van een 1. radio; 2. MP3; 3. laptop; 4. fiets.

-De kleur van het gestolene was 1. wit; 2. rood; 3; zwart; 4. blauw

Iemand die echt aan geheugenverlies lijdt en niet meer weet wat er gebeurd is, heeft steeds een kans van ongeveer 25% om het goede antwoord te gokken. Bij 40 vragen zal zo iemand er dus om en nabij de 10 vragen goed hebben. Dat is het kansniveau. Een dader die maar 2 van de 40 vragen goed heeft, zit onder kansniveau. Dat betekent dat hij willens en wetens de goede antwoorden zit te vermijden en dat zijn geheugenverlies niet echt, maar gespeeld is.

Er bestaan nog allerlei andere testen die de rechtspsycholoog kan gebruiken bij daders en getuigen. Zij leveren bruikbare informatie op, informatie die de rechter kan helpen om een goede beslissing te nemen over hoe betrouwbaar een getuige is en of de dader psychopate karaktertrekken bezit.

Belangrijk

Rechtspsychologie is niet alleen een fascinerend, maar ook een belangrijk vak. Want waar ging het om in de Schiedammer parkmoord en al die andere rechtszaken waarover in ons land felle discussies zijn gevoerd? Het ging heel vaak over de waarde van getuigenverklaringen, hoe verdachten door de politie verhoord moeten worden en welke gevangenen veilig met proefverlof kunnen worden gestuurd. Dat zijn allemaal onderwerpen waar de rechtspsychologie zinnige dingen over te zeggen heeft. Politiemensen, advocaten en rechters kunnen daar hun voordeel mee doen. Het is daarom dat de Universiteit Maastricht specialistische cursussen op het terrein van de rechtspsychologie heeft ontwikkeld.

Bronnen:

Merckelbach, H. & Jelicic, M. (2005). Hoe een CIA agent zijn geheugen hervond en andere waargebeurde verhalen. Amsterdam: Contact.

Van Koppen, P. (2003). Schiedammer parkmoord. Nijmegen: Ars Aequi Libri.

Wagenaar, W.A. & Crombag, H.F.L. (2005). The popular police man and other cases. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Peters, M.J., Jelicic, M. & Merckelbach, H. (in druk). When stereotypes backfire: Trying to suppress stereotypes produces false recollections of a crime. Legal and Criminological Psychology.

Wessel, I., van der Kooij, P. & Merckelbach, H. (2000). Differential recall of central and peripheral details of emotional slides is not a stable phenomenon. Memory, 8, 95-109.

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Maastricht (UM).
© Universiteit Maastricht (UM), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 15 juni 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.